Paratuberculose

Zoomfunctie

Moeite met het lezen van de tekst? Vrijwel alle populaire browsers geven u controle over hoe groot websites worden weergegeven.

  • Windows
    Mac OS
  • Zoom in
  • Zoom uit
  • Zoom 100%
  • Muiswiel op / neer

Paratuberculose

Paratuberculose is een endemische infectie in de rundvee- en geitenhouderij. Bij de aanpak van paratuberculose staat preventief diermanagement centraal. Dat is gericht op het voorkomen van insleep en het voorkomen van besmetting binnen het koppel. Het opsporen van besmette dieren via melk-, bloed- of mestonderzoek geeft inzicht in de belangrijkste besmettingsbronnen. Afvoer van deze dieren draagt bij aan het verlagen van de infectiedruk en daarmee uiteindelijk de ziekte te controleren.

Direct naar:

De kiem

Paratuberculose, ook wel de ziekte van Johne genoemd, wordt veroorzaakt door de bacterie Mycobacterium avium subspecies paratuberculosis (MAP). De ziekte komt bij zowel gedomesticeerde (zoals rund, geit, schaap, hert) als wilde herkauwers voor. Daarnaast zijn besmettingen aangetoond bij enkele andere diersoorten (waaronder wilde konijnen).
De bacterie is relatief ongevoelig voor invloeden van buitenaf. Hierdoor kan de bacterie ook buiten het dier soms langer dan een jaar overleven en kunnen infecties vanuit het milieu optreden. Paratuberculose is ongeneeslijk. In Nederland is geen vaccin geregistreerd voor gebruik bij runderen.

Chronische darmontsteking
Paratuberculose is een chronische, progressieve darmontsteking. Met name het achterste deel van het jejunum, het ileum en de regionale lymfeknopen worden aangetast. In de macrofagen en in de epitheelcellen kunnen grote hoeveelheden bacteriën worden aangetoond.
Besmette macrofagen kunnen vanuit de darmwand naar de darmlymfeknopen gaan en van daaruit kan verdere verspreiding door het lichaam optreden. De darmwand raakt verdikt en oedemateus en het slijmvlies vertoont dikke brede plooien. De darmveranderingen leiden uiteindelijk tot het zogenaamde 'Protein-Loosing-Syndrome', waarbij enerzijds minder voedingsstoffen worden opgenomen en anderzijds een verhoogd eiwitverlies optreedt.

Besmetting

De besmetting vindt plaats via orale opname van besmette mest of besmette melk/biest. Met name de jonge kalveren zijn gevoelig voor de infectie. In een meer gevorderd stadium van de ziekte is tijdens de dracht tevens intra-uteriene besmetting van het kalf mogelijk.

Runderen ouder dan jaar zijn beduidend minder gevoelig maar kunnen nog wel geïnfecteerd worden. Dit zal eerder gebeuren als de besmettingsdruk in hun omgeving hoog is of als hun algehele weerstand verlaagd is door andere factoren. Paratuberculose-bacteriën verspreiden zich met name via de mest van besmette dieren. De tabel geeft een overzicht van de uitscheiding in relatie tot het stadium van de infectie. Het opsporen en afvoeren van hoge uitscheiders is belangrijk om de verspreiding van de infectie binnen het bedrijf te stoppen.

Uitscheiding van paratuberculose-bacteriën

Incubatie en verspreiding
De incubatietijd varieert van anderhalf tot meer dan tien jaar. Of de infectie aanslaat en uiteindelijk leidt tot klinische verschijnselen is afhankelijk van het aantal opgenomen bacteriën, de leeftijd waarop de besmetting plaatsvindt en de weerstand van het dier. Paratuberculose verspreidt zich normaliter relatief langzaam in een koppel. Na introductie van de bacterie op een bedrijf, kan het vele jaren duren voordat de besmetting kan worden aangetoond. Daarom kan men nooit 100% zeker zijn dat een bedrijf paratuberculose-vrij is ook al zijn er bij herhaaldelijk koppelonderzoek geen ongunstige testresultaten gevonden.

Infectiestadium Omschrijving Paratuberculose-bacteriën
per gram faeces
latent geen uitscheiding
laag infectieus af en toe uitscheiding <102
hoog infectieus continu uitscheiding 102 - 107
klinisch ziek continu uitscheiding >107

Terug naar het begin van dit artikel

Verschijnselen


Klinische verschijnselen

Als eerste symptoom treedt bij melkkoeien een daling van de melkproductie op. In een later stadium daalt de melkproductie tot twintig procent van de normale productie en kan dit gepaard gaan met aanhoudende of terugkerende diarree en vermagering. Typerend is dat de eetlust tot het einde toe goed blijft. Ook de afwezigheid van koorts of andere algemene ziekteverschijnselen is opvallend. Klinische gevallen treden op tussen het derde en zesde levensjaar, maar soms ook wel op beduidend jongere of oudere leeftijd. Als het rund niet in een eerder stadium wordt afgevoerd, zal het uiteindelijk sterven door uitmergeling.

Immuunrespons

De ontwikkeling van de infectie is zeer variabel zowel op bedrijfs- als op dierniveau. Ook bij het individuele besmette rund kan het infectieverloop wisselend zijn met periodes van intensivering en afname. Dit variabele verloop weerspiegelt zich ook in het verloop van de immuunrespons. Over het algemeen komt een gegeneraliseerde humorale respons, waarbij afweerstoffen verschijnen in het bloed en in de melk, pas in een verder gevorderd infectiestadium op gang. De concentraties variëren afhankelijk van de ontwikkeling van de infectie. Het gevolg hiervan is dat resultaten van een afweerstoffentest van negatief naar positief kunnen gaan en vice versa. De specificiteit van de door de GD gebruikte ELISA is erg hoog. Zijn daarmee eenmaal afweerstoffen aangetoond dan is het rund vrijwel zeker besmet. Dat is ook het geval als enige tijd later bij een volgende test bij hetzelfde rund geen afweerstoffen meer aantoonbaar zijn. Bevestiging met mestonderzoek (PCR of kweek) geeft dan zekerheid. Het aantonen van zowel afweerstoffen tegen paratuberculose als MAP in de mest geeft een zekere diagnose. Wordt in de mest geen MAP aangetoond dan is een infectie nog niet uitgesloten. Het zegt alleen dat het dier op moment van monstername niet aantoonbaar uitscheider was van MAP.

Incubatie en verspreiding

De incubatietijd varieert van anderhalf tot meer dan tien jaar. Of de infectie aanslaat en uiteindelijk leidt tot klinische verschijnselen is afhankelijk van het aantal opgenomen bacteriën, de leeftijd waarop de besmetting plaatsvindt en de weerstand van het dier. Paratuberculose verspreidt zich normaliter relatief langzaam in een koppel. Na introductie van de bacterie op een bedrijf, kan het vele jaren duren voordat de besmetting kan worden aangetoond. Daarom kan men nooit 100% zeker zijn dat een bedrijf paratuberculose-vrij is ook al zijn er bij herhaaldelijk koppelonderzoek geen ongunstige testresultaten gevonden.

 

Terug naar het begin van dit artikel

Diagnose


Om paratuberculose aan te tonen, zijn verschillende testen mogelijk. Elke test heeft zijn eigen specifieke toepassingen. Redenen voor het gebruik van laboratoriumtesten kunnen zijn het bevestigen van een klinische diagnose, certificering of het opsporen van subklinisch geïnfecteerde runderen.

Aantonen van afweerstoffen tegen paratuberculose

ELISA
De ELISA voor paratuberculose is toepasbaar op melk- en serummonsters van individuele dieren. Deze afweerstoffen verschijnen bij de meeste runderen pas in een meer gevorderd stadium van het ziekteproces en de ELISA wordt daarom standaard toegepast bij volwassen runderen. Vanwege het vaak relatief lage percentage testpositieve runderen bij paratuberculose is een tankmelktest met ELISA te ongevoelig gebleken om bedrijven met zware uitscheiders in voldoende mate op te sporen. De ELISA op monsters van individuele dieren wordt vanwege zijn hoge specificiteit toegepast om van een bedrijf de status te bepalen, maar kan ook worden gebruikt om op een besmet bedrijf hoge uitscheiders op te sporen voordat die dieren klinisch ziek worden.

De ELISA kent maar heel weinig vals-positieve uitslagen (specificiteit van 99,7%). De uitslag van de paratuberculose-ELISA is na 14 dagen bekend.
De uitslag van dit ELISA onderzoek wordt weergegeven met ‘geen afweerstoffen aangetoond’, ‘dubieus’ (alleen in serum) of ‘afweerstoffen aangetoond’. De laatste twee kwalificaties worden als ongunstig aangemerkt.

CBR
Deze test wordt alleen toegepast bij exportonderzoek als het importerende land deze test voorschrijft. Met de CBR worden eveneens afweerstoffen in het serum aangetoond, maar nu door middel van een complement-bindingsreactie. Bij export moet de uitslag negatief zijn (titer < 10). De specificiteit van deze test is duidelijk lager dan die van de ELISA en daarmee is deze test niet geschikt voor koppelonderzoek.

Aantonen van paratuberculosebacterieën

Besmette runderen die de bacterie uitscheiden, doen dat hoofdzakelijk via de mest. Maar in beduidend kleinere aantallen kan de bacterie ook worden uitgescheiden met biest en melk en bij besmette stieren ook met sperma. Het aantonen van de bacterie gaat veruit het beste in mest vanwege de hogere aantallen bacteriën. De GD gebruikt daar standaard de paratuberculose-PCR voor. Het aantonen van de paratuberculose-bacterie geeft niet alleen aan dat het betreffende dier besmet is, maar bovendien ook uitscheider en dus infectiebron voor zijn omgeving.

Paratuberculose-PCR (polymerase-chain-reaction)

Met een PCR worden specifieke stukjes DNA door een enzymatische reactie vermeerderd als het gezochte agens in het monster aanwezig is en daarmee aangetoond. Iedere werkdag kunnen mestmonsters voor deze test ingestuurd worden. De doorlooptijd is maximaal zes werkdagen. De uitslag geeft aan of de paratuberculosebacterie is 'aangetoond' of 'niet aangetoond'. De mestmonsters worden rectaal genomen. Handschoen met monster goed dichtknopen, voorkom mestverontreiniging van de buitenkant van de monsers, identificeren en conform voorschriften verpakken voor verzending. Wel de monsters gekoeld bewaren en verzenden.

Testeigenschappen
Als de PCR reageert (uitslag "aangetoond) dan hebben er paratuberculosebacteriën in het mestmonster gezeten. De test-specificiteit is nagenoeg 100 procent. Het betreffende rund is dus bijna altijd een besmet rund, dat de bactarie uitscheidt. Het is echter niet geheel uitgesloten dat het onder bijzondere omstandigheden (zeer hoge bedrijfsbesmetting) incidenteel kan voorkomen dat runderen, na opname van grote hoeveelheden paratuberculose-bacteriën, passief bacteriën met de mest uitscheiden. In dat geval kan mestonderzoek biologisch gezien dan een vals-positieve uitslag opleveren.

De sensitiviteit is afhankelijk van de mate van uitscheiding en dus van het infectiestadium. Niet alle besmette runderen scheiden de bacterie op elk moment in voldoende mate uit om met een mestonderzoek te kunnen worden opgespoord. Een negatief mestonderzoek hoeft dus niet te betekenen dat het rund in kwestie vrij is van een paratuberculose-besmetting. Het zegt alleen dat het dier op moment van monstername niet aantoonbaar uitscheider is.

Ziehl-Neelsen-kleuring (ZN-kleuring)
Deze methode is door de beschikbaarheid van bovenstaande methodes niet meer geëigend voor diagnostische doeleinden. Het kan echter zijn dat voor export naar landen buiten de EU nog bacterioscopisch onderzoek van de mest met ZN-kleuring wordt verlangd.
De sensitiviteit dit onderzoek is relatief heel laag en dit onderzoek zal alleen positieve uitslag opleveren als er zeer veel paratuberculose-bacteriën in de mest zitten.
Ook voor bevestiging van de diagnose in geval van koopkwesties kan volstaan worden met het aantonen van afweerstoffen met de paratuberculose-ELISA of het aantonen van de bacterie met Paratbc-PCR in een mestmonster.

Sectie
Onderzoek van het laatste deel van de dunne darm, ileum, ileo-caecaal klep en bijbehorende lymfeklieren van een gestorven rund is een goede mogelijkheid voor (aanvullende) paratuberculose-diagnostiek. Sectie bestaat uit de volgende onderdelen: macroscopisch onderzoek, histologie, Ziehl-Neelsen-kleuring en PCR. In geval van gebruik bij koopkwesties is het waarborgen van een sluitende identificatie van het onderzoeksmateriaal uiteraard essentieel.</sectie<>

Instructie voor insturen mestonderzoek

Wanneer mestmonsters nodig zijn in het kader van een Paratbc-programma, ontvangt de dierenarts barcodestickers voor identificatie van de monsters. Wilt u buiten deze aansturing om mestmonsters insturen voor koppelonderzoek / onderzoek van grotere diergroepen, neem dan eerst contact op met GD via 0900-1770 (optie 1) zodat wij de barcodestickers voor u aan kunnen maken. Gaat het om het onderzoeken van enkele dieren, bijvoorbeeld voor bevestigingsonderzoek, dan kunt u de monsters handmatig identificeren door ze te voorzien van handbeschreven stickers met hierop de volledige levensnummers.

Download instructie

Terug naar het begin van dit artikel

Prevalentie


Status Nederland

Runderen
Paratuberculose komt voor op circa 30 procent van de Nederlandse melkveebedrijven. Er zijn wel regionale verschillen. De prevalentie (infectiegraad) op bedrijfsniveau is de laatste jaren redelijk constant. Het percentage testpositieve runderen tussen de afzonderlijke bedrijven kan wel sterk variëren van een paar procent tot wel meer dan 90 procent in uitzonderlijke gevallen. Op het merendeel van de besmette bedrijven is er sprake van een lichte besmetting waarbij gemiddeld 2,5 procent van de runderen afweerstoffen tegen paratuberculose heeft.
Sinds 1 januari 2011 verlangen de Nederlandse zuivelondernemingen dat de melkleverende bedrijven deelnemen aan het Paratuberculose Programma en daarin een status A of B hebben. Op niet melkleverende bedrijven (zoogkoeien) is zowel het percentage besmette bedrijven als het percentage besmette runderen verhoudingsgewijs lager dan in de melkveesector.

Kleine Herkauwers
Paratuberculose komt veel voor in de geitenhouderij. Klinische paratuberculose komt onder schapen incidenteel voor. Op bekend besmette melkveebedrijven met schapen kon in Nederland de paratuberculose-bacterie bij 20 procent van de schapen worden gevonden in de organen, maar niet in de mest. Incidenteel is de bacterie aangetoond in mest van schapen. In het buitenland, zoals in IJsland, Australië en Nieuw-Zeeland, wordt de paratuberculosebacterie wel regelmatig in de mest van schapen gevonden. Het is niet duidelijk of schapen een rol van betekenis spelen in de transmissie naar runderen. Het is echter verstandig rekening te houden met deze mogelijkheid en voorzichtig te zijn met het inscharen van schapen van andere bedrijven.

Herkauwers in het wild
In Nederland is de paratuberculose-bacterie incidenteel aangetroffen bij in het wild levende herkauwers zoals reeën en edelherten. Er zijn echter te weinig gegevens beschikbaar om de rol van wild in de epidemiologie te kunnen aangeven. In vergelijking met de overdracht tussen gedomesticeerde herkauwers is de bijdrage van wilde herkauwers waarschijnlijk niet belangrijk.

Status buitenland

Paratuberculose komt wereldwijd voor in gematigde klimaatzones in de bedrijfsmatige houderij van runderen, geiten, schapen en herten. Internationaal neemt de aandacht voor de bestrijding toe. Paratuberculose staat op de lijst van de OIE de “Terrestrial Animal Health Code - 2010 (Hoofdstuk 1.2; artikel 1.2.3). Voor de aangesloten landen geldt een meldingsplicht aangaande de paratuberculose-situatie in hun land (Hoofdstuk 1.1. ”Melding van ziekten en epidemiologische informatie”; website http://web.oie.int). Veel landen over de hele wereld zijn bezig met een aanpak. Zweden claimt dat de melkveestapel vrij is en bestrijdt de infectie bij een uitbraak met stamping-out. In Noorwegen is de laatste 25 jaar geen paratuberculose waargenomen in de rundveehouderij, wel in de geitenhouderij. Het Duitse ministerie van landbouw heeft de aanpak van paratuberculose in de deelstaten geüniformeerd met de Paratuberkuloseleitlinien (2005).

Diverse andere landen in Europa hebben vrijwillige certificerings- en bestrijdingsprogramma's, zoals België, Denemarken, Engeland en diverse departementen in Frankrijk. Luxemburg heeft afgelopen drie jaar zijn rundveestapel jaarlijks getest. Besmette bedrijven worden daar geadviseerd over de aanpak.

Buiten Europa voert Japan een eradicatieprogramma uit. In Australië is een certificeringsprogramma gekoppeld aan regels voor het verhandelen van runderen tussen diverse gebieden. Ook diverse belangrijke melkveehouderijstaten in de VS hebben programma’s op vrijwillige basis. Bij export van levend vee naar sommige derde landen dienen de runderen een onderzoek op paratuberculose met een gunstig resultaat te ondergaan.

Schade
Door de grote variatie in de ernst van paratuberculose-infecties op bedrijfsniveau is ook de economische schade zeer verschillend tussen de besmette bedrijven. Het kan variëren van praktisch nihil tot meer dan tienduizend euro per jaar.

Terug naar het begin van dit artikel

Aanpak besmette bedrijven


Ook hier geldt hetzelfde basisprincipe als voor andere infectieziekten en dat is het tegengaan van contacten tussen besmettelijke dieren en dieren, die gevoelig zijn voor infectie. En ook hier gaat het niet alleen om directe diercontacten maar ook om mest-, biest- en melkcontact.

Twee programma's voor aanpak paratbc

Zowel voor het beheersen als het uitroeien van paratuberculose is een programma beschikbaar. Het Paratuberculose Programma helpt rundveehouders paratuberculose op hun bedrijf eenvoudig en voordelig te bewaken en te beheersen. Veehouders die meer zekerheid willen of de ziekte op hun bedrijf willen uitroeien kiezen voor het Intensief Programma Paratuberculose.

Paratuberculose programma

Het Paratuberculose Programma richt zich op het beheersen van paratuberculose en steunt op drie pijlers:

  • controle op paratuberculose (kwalificeren);
  • periodieke controle van bedrijven waar geen paratuberculose is aangetoond (bewaken);
  • ondersteunen van preventie en afvoeren van besmette dieren van besmette bedrijven (beheersen).

Kwalificeren
Deelnemers aan het Paratuberculose Programma kunnen drie bedrijfsstatussen krijgen. Het programma onderscheidt bedrijven waar geen afweerstoffen in melk of bloed zijn aangetoond van bedrijven waar wel afweerstoffen zijn aangetoond.

  • Status A = geen paratuberculose aangetoond
  • Status B = besmet, met afvoer testpositieve dieren
  • Status C = besmet, zonder afvoer testpositieve dieren

De status geeft deelnemers inzicht in de paratuberculose-situatie op hun bedrijf.

Meer informatie over het programma kunt u lezen in de reglementen.

Het Intensief Programma Paratuberculose heeft tot doel bedrijven te onderscheiden met een kleinere kans op besmetting door het toekennen van een getrapte onverdachte status. Dit kan interessant zijn voor bedrijven die regelmatig fok- en gebruiksvee verkopen. Daarnaast ondersteunt het programma veehouders van besmette bedrijven die de infectie willen uitroeien op hun bedrijf. Het is vooral gebaseerd op mestonderzoek naar paratuberculose-bacterien en gecontroleerde aanvoer op onverdachte bedrijven. Het Intensief Programma Paratuberculose kent vijf onverdachtstatussen (status 6 tot en met 10) en een status voor besmette bedrijven (status 3). Het schema geeft een overzicht van de verschillende stappen.

Kwalificatieonderzoek

Kwalificatie voor het Intensief Programma Paratuberculose is gebaseerd op eerste koppelonderzoek op afweerstoffen in bloed bij alle runderen van drie jaar en ouder. Bij een gunstig resultaat bestaan volgende koppelonderzoeken uit gepoold (1:5) mestonderzoek bij alle runderen van 2 jaar en ouder.

Meer informatie over het intensief programma paratbc kunt u lezen in de reglementen.

Uitslagen

Bloedonderzoek: geen afweerstoffen aangetoond

Onverdachtstatus 6
Als het kwalificatieonderzoek een gunstige uitslag heeft, krijgt het bedrijf 'onverdachtstatus 6'. Deze status blijft 14 maanden geldig, gerekend vanaf de datum van monstername. De bewaking van 'onverdachtstatus 6' is gebaseerd op jaarlijks individueel bloedonderzoek op afweerstoffen. Wil de veehouder 'onverdachtstatus 6' behouden dan is het nodig vóór het verlopen van de termijn opnieuw alle runderen van 3 jaar en ouder te onderzoeken met de paratuberculose-ELISA. GD schrijft voor het verstrijken van die termijn de veehouder en de DAP aan met het verzoek om opnieuw monsters in te sturen.

Onverdachtstatus 7 - 10
Voor het verkrijgen van onverdachtstatus 7 tot en met 10 is jaarlijks gepoold mestonderzoek nodig met gunstig resultaat om de status te verhogen. Voor de bewaking van 'onverdachtstatus 10' is het bewakingsonderzoek om de twee jaar ook weer met gepoold mestonderzoek van alle aanwezige runderen van twee jaar en ouder.

Gepoold mestonderzoek
Na aanmelding bij de GD krijgt de veehouder bericht wanneer de mestmonsters kunnen worden ingestuurd. De monsters moeten individueel worden genomen door een dierenarts. Op basis van leeftijd worden de monsters per vijf stuks gebundeld voor een gepoold mestonderzoek. In het laboratorium wordt van vijf gebundelde individuele monsters een mengmonster gemaakt.

Geen paratuberculose-bacteriën aangetoond
Worden in geen van de mengmonsters paratuberculose-bacteriën aangetoond, dan krijgt het bedrijf 'onverdachtstatus 7'. Ook deze status is weer 14 maanden geldig, gerekend vanaf de datum van monstername. Het bedrijf wordt voor afloop van deze termijn opnieuw aangeschreven voor het laten nemen van mestmonsters. Verloopt dit onderzoek ook weer gunstig dan krijgt het bedrijf ‘onverdachtstatus 8’. Dit gaat jaarlijks door tot het behalen van ‘onverdachtstatus 10’.

Besmette bedrijven

Op besmette bedrijven is een plan van aanpak gewenst om paratuberculose effectief te bestrijden. Doel van de aanpak is het bereiken van en onverdachtstatus. Dit kan worden bereikt door nieuwe infecties bij jongvee te voorkomen door preventieve maatregelen in de bedrijfsvoering en het verlagen van de infectiedruk door het opsporen en afvoeren van besmettelijke dieren (uitscheiders). Hoe dat plan er precies uitziet verschilt per bedrijf en is in principe maatwerk. Standaard is het jaarlijkse mestonderzoek om uitscheiders op te sporen. Het resultaat is echter vooral afhankelijk van de mate waarin de preventie van infecties bij het jongvee slaagt. Dat resultaat wordt pas goed meetbaar als een groot deel van de veestapel vervangen is door de dieren, die onder het preventieve management zijn opgefokt.

De uitvoering neemt dus jaren, minimaal een koegeneratie in beslag. Gezien de kosten en lengte van dit traject is het van belang dit traject goed door te spreken en vast te leggen in plan van aanpak met een concreet tijdschema met de geplande maatregelen. Structurele begeleiding door de dierenarts kan een belangrijke steun zijn om het gewenste doel te bereiken.

Mestonderzoek van alle runderen ≥ 2 jaar
Het verlagen van de infectiedruk door de dieren op te sporen die de bacterie in grote aantallen uitscheiden, draagt bij aan de slagingskans om nieuwe infecties te voorkomen. Hiervoor wordt van alle dieren ≥ 2 jaar mest onderzocht. Het advies is uitscheiders zo snel mogelijk af te voeren en in elk geval te voorkomen dat ze jongvee besmetten zolang ze nog op het bedrijf zijn. Let op dat de achtergebleven mest van deze dieren nog lange tijd besmettelijk is.

Klinisch zieke dieren
Vertonen een of meer van de besmette dieren al verschijnselen van paratuberculose dan is het verstandig de dieren meteen af te voeren. Dit zijn vrijwel zeker zware uitscheiders, die hun omgeving ernstig besmetten. Melk van zichtbaar zieke dieren mag niet geleverd worden. Ook voor de slacht zijn ze ongeschikt, omdat ze zichtbaar lijden aan een besmettelijke ziekte. Dan rest alleen euthanasie en afvoer voor destructie.

Terug naar het begin van dit artikel

Preventie


Preventie introductie bedrijfsinfectie

Het vermijden van contacten met besmette bedrijven is net zoals bij andere infectieziekten de basis om introductie van de infectie te voorkomen. Bij mestoverdraagbare infecties betreft dat niet alleen diercontacten maar nadrukkelijk ook mestcontact (direct en indirect). Kortom een “gesloten bedrijfsvoering” in de brede betekenis van dit woord.

Geen runderen aanvoeren is vanuit het oogpunt van paratuberculose-beheersing de beste optie. Als aanvoer toch noodzakelijk is dan is het verstandig alleen runderen aan te kopen van bedrijven waar geen paratuberculose is aangetoond. Onderzoek bij aanvoer beperkt het risico van introductie van aantoonbaar besmette runderen, maar dat is slechts het geval bij een beperkt deel van alle besmette runderen. Dus het risico van insleep wordt enigszins beperkt, maar zeker niet uitgesloten, vandaar de voorkeur voor een gesloten bedrijfsvoering.

Besmetting kalveren voorkomen

Bij paratuberculose zijn vooral kalveren erg gevoelig voor het oppikken van een besmetting. Uitscheiding van grote aantallen bacteriën treedt in de regel pas op volwassen leeftijd op. Preventie van overdracht van infectie van volwassen dieren op de kalveren is dus cruciaal in de beheersing en bestrijding van paratuberculose.

Er zijn twee mogelijkheden voor overdracht van de infectie van koe naar kalf:

  1. Verticale transmissie
    Hierbij gaat de infectie over van moeder op het eigen kalf. Is de moeder in een vergevorderd stadium van de infectie (afweerstoffen aantoonbaar in bloed), dan kan het kalf al voor de geboorte intra-uterien worden besmet. Andere infectiemogelijkheden zijn contact met mest tijdens de geboorte, drinken van biest en melk en het opnemen van mestdeeltjes bij het zuigen en likken als het kalf enige tijd bij de de moeder blijft na de geboorte

    Paratuberculose

  2. Horizontale transmissie
    Bij horizontale transmissie gaat de infectie van een koe over op een of meerdere kalveren van andere koeien. Het betreft hier in de regel de hogere uitscheiders, die door uitscheiding van grote hoeveelheden bacteriën met de mest hun omgeving ernstig besmetten. Geen mengbiest en rauwe koemelk voeren, aparte huisvesting en verzorging van jongvee zijn dan van wezenlijk belang om de infectie van meerdere kalveren te voorkomen en daarmee een ernstige toename van de infectie. Vanzelfsprekend is ook het snel opsporen en afvoeren van deze hoge uitscheiders van groot belang. Deze dieren hebben veelal afweerstoffen in het bloed en/of melk en zijn met bloed- en/of melkonderzoek op te sporen

Effect beheersmaatregelen

De schade voor de melkveesector alleen wordt geschat op 20 miljoen euro per jaar. De verwachting is, dat als niet wordt ingegrepen, paratuberculose in Nederland geleidelijk zal toenemen. Belangrijke factoren daarbij zijn de aanvoer van dieren vanaf besmette bedrijven en de toenemende bedrijfsomvang. Bij een ongewijzigde bedrijfsvoering is het aannemelijk dat de paratuberculose zich op grotere bedrijven snel zal verspreiden. Onderzoek geeft aan dat de infectie zich minder kan verspreiden naarmate de jongveeopfok gescheiden van het oudere rundvee plaatsvindt. De grafiek geeft een berekening van het effect van de diverse bestrijdingsstrategieën weer op de besmettingsgraad. 

Terug naar het begin van dit artikel

Oude browser

We zien dat u gebruik maakt van een verouderde browser. Niet alle onderdelen van de website zullen daardoor goed functioneren. Download nu de laatste versie van uw browser om veilig te kunnen surfen.

GD maakt gebruik van cookies om onze website te analyseren en de functionaliteit te verbeteren. Meer info vind je in ons cookiebeleid.