Zoomfunctie

Moeite met het lezen van de tekst? Vrijwel alle populaire browsers geven u controle over hoe groot websites worden weergegeven.

  • Windows
    Mac OS
  • Zoom in
  • Zoom uit
  • Zoom 100%
  • Muiswiel op / neer

Leverbot

De leverbot, Fasciola hepaticia, is een parasiet die niet alleen voorkomt bij herkauwers zoals runderen, schapen en geiten maar ook bij paarden, hazen, reeën en soms bij de mens. Daarnaast komt soms de kleine leverbot Dicrocoelium dendriticum, voor. Fasciola hepatica leeft als volwassen parasiet van enkele centimeters in de galgangen van de lever en produceert veel eieren die via de gal met de mest worden uitgescheiden. Voor de verdere ontwikkeling is de leverbotslak Galba truncatula nodig als tussengastheer. Zonder gastheer komt leverbotziekte niet voor. 

Direct naar:

 

De leverbotcyclus

Leverbot komt alleen voor in gebieden waar ook de leverbotslak Galba truncatula, voorkomt. In de video hiernaast krijgt u uitleg over de leverbotcyclus.  

Fase 1: ei-uitscheiding door geïnfecteerde gastheer

Een volwassen leverbot kan per dag 4.000 tot 7.000 eieren produceren die met de mest terecht komen. Deze eieren kunnen in de zomer drie tot tien weken overleven in de mest. In de winter is dat tot zes maanden.

Fase 2: vrijkomen trilhaarlarven

Uit het leverbotei komt een trilhaarlarve (miracidium) die op zoek gaat naar een leverbotslak. Dit proces verloopt optimaal bij 15 tot 26 graden Celsius. 

Fase 3: trilhaarlarve op zoek naar een leverbotslak

De trilhaarlarve moet binnen 24 uur een leverbotslak vinden om te overleven. Leverbotslakken gedijen beter in een micro-omgeving onderhevig aan overstroming en droogstand dan in permanent natte gebieden. Een daling van de zuurgraad leidt tot een minder goed milieu voor de leverbotslak. De optimale temperatuur voor ontwikkeling van de leverbotslak is 18 tot 27 graden Celsius. Onder de 10 graden Celsius staat de ontwikkeling stil. Afhankelijk van het beschikbare voedsel en de parasitaire infectie van de slak, is deze in drie tot vier weken geslachtsrijp. De leverbotslak kan twaalf tot zestien maanden oud worden en in die periode duizenden slakkeneieren produceren.   

Fase 4: infectie en ontwikkeling in leverbotslak

In de slak vermeerdert de trilhaarlarve zich, afhankelijk van de temperatuur, binnen twee tot drie maanden via verschillende larvale stadia tot 200 staartlarven (cercariën). Doordat de ontwikkeling van leverbotei tot trilhaarlarve alleen bij temperaturen boven de 10 graden Celsius plaatsvindt, zullen onder Nederlandse omstandigheden leverbotslakken alleen dan worden geïnfiltreerd (geïnfecteerd). Deze periode loopt normaal gesproken van eind april tot november. Door klimaatveranderingen wordt deze periode geleidelijk langer. 

Fase 5: vrijkomen van staartlarven uit de slak en inkapselen tot cyste

Bij vochtige omstandigheden verlaten de staartlarven de slak (shedding) en gaan zwemmend op zoek naar grassprieten. Ze zetten zich af op het gras, verliezen hun staart en kapselen zich binnen enkele uren in tot besmettelijke cysten (metacercariën).
Verspreiding van de staartlarven uit leverbotslakken gebeurt onder Nederlandse omstandigheden voornamelijk in nazomer en herfst. De gevaarlijkste periode voor het opnemen van besmettelijke cysten (leverbotbesmetting) is in Nederland van augustus tot april. 

 

Fase 6: Opname van besmettelijke cyste door gastheer en ontwikkeling

De gastheer neemt besmettelijke cysten op met het gras en binnen enkele uren ontstaan in de dunne darm minuscuul kleine leverbotjes die zich door de darmwand boren en na vier tot zes dagen de lever bereiken. Na een trektocht van vijf á zes weken komen ze zeven weken na infectie in de galgangen aan. Vanaf tien weken na infectie zijn de botten volwassen en produceren eieren die met de mest op het land komen.
In een rund loopt de levensduur van een leverbot uiteen van zes maanden tot twee jaar, maar bij uitzondering kunnen leverbotten soms tot meerdere jaren na infectie in de galgangen verblijven. Bij schapen kan dat in uitzonderingsgevallen nog langer duren.

 

Verschijnselen acute versus chronische leverbotbesmetting

Leverbotinfecties kunnen zich als acute of chronische infecties presenteren. Bij acute leverbotinfecties treedt sterfte op door verbloeding als gevolg van perforatie van de lever door duizenden jonge leverbotjes. Vooral schapen en geiten zijn gevoelig. Ze sterven zonder voorafgaande verschijnselen vijf tot zeven weken na een massale infectie.
Chronische leverbot komt vooral voor bij het rund maar ook bij andere diersoorten. Bij runderen zijn de klinische verschijnselen vaak aspecifiek en bestaan uit verlaagde melkproductie, slechte groei van vooral jongvee, verminderde weerstand, verminderde vruchtbaarheid en te vroeg afkalven. Bij schapen en geiten veroorzaakt de volwassen leverbot irritatie en ontsteking van het leverweefsel met groeistilstand, gewichtsverlies en bloedarmoede als gevolg. Tussen de kaaktakken kan oedeem voorkomen. De vacht is dor en in de buikholte kan veel vocht voorkomen. Drachtige dieren kunnen verwerpen.
 

 

Diagnose van Leverbot


Acute leverbot is alleen aan te tonen door middel van pathologisch onderzoek en bloedonderzoek. Chronische leverbot is aan te tonen door bloed-, tankmelk- en mestonderzoek en door pathologisch onderzoek.

Besmettingsroute

Zonder de leverbotslak Galba truncatula komt geen leverbot voor. Deze tussengastheer leeft op plaatsen waar de bodem het grootste deel van het jaar vochtig is, zoals in greppels, slenken, vertrapte slootkanten en kwelplaatsen achter dijken. De leverbotslak heeft nauwelijks last van strenge winters, maar is wel gevoelig voor droogte. Onder de 10 graden Celsius vindt geen ontwikkeling van leverbot buiten de gastheer plaats. Leverboteieren die voor mei op het weiland terecht komen, kunnen zich na vermeerdering in de leverbotslak vanaf augustus hebben ontwikkeld tot besmettelijke cysten. Leverbotinfecties vinden vooral plaats in de periode vanaf augustus tot november. Besmettelijke cysten kunnen bij lage temperaturen en voldoende vocht overleven en dus ook in de wintermaanden bij weidende dieren infecties veroorzaken.

Diagnostiek en onderzoek op leverbot

GD biedt een compleet pakket voor leverbotdiagnostiek en -onderzoek aan. Klik hier voor een schema dat u helpt bij uw keuze.

Tankmelkonderzoek bij melkvee

Bij melkvee is tankmelkonderzoek een goede eerste stap om te onderzoeken of sprake is van leverbot. 

Bloedonderzoek

Vanaf drie weken tot twaalf weken na opname van metacrecariën kan met ELISA een infectie worden aangetoond bij voorkeur worden dieren in hun eerste weideseizoen onderzocht. 

 

Mestonderzoek

Vanaf tien tot twaalf weken na opname van metacercariën komen leverboteieren voor in de mest; dan is mestonderzoek mogelijk. Mestonderzoek kan individueel worden uitgevoerd, maar ook via een mengmonster. Zo krijgt u een goede indruk of sprake is van een leverbotinfectie. 
Alleen als door onderzoek een infectie is aangetoond is behandeling te adviseren. Overleg dit met uw dierenarts. 
 

 

Risicofactoren voor Leverbot


Leverbotinfecties kunnen in bijna heel Nederland voorkomen. Steeds vaker komt deze parasiet voor op bedrijven waar in het verleden geen problemen voorkwamen. Onderstaande factoren beïnvloeden het voorkomen van de leverbotslak.

 

Vochtig en warm weer

De leverbotslak Galba tuncatula houdt van vochtige omstandigheden en de ontwikkeling van de parasiet in de slak is afhankelijk van vocht en temperatuur. Onder gunstige weersomstandigheden kunnen besmettelijke cysten vanaf augustus op het gras worden afgezet. Bij temperaturen boven de 10 graden Celsius blijft de ontwikkeling doorgaan. 

 

Vochtige percelen

Leverbotinfecties treden vooral op in gebieden met een hoge grondwaterstand. Water is nodig voor het overleven van de leverbotslak en verhoging van het grondwaterpeil leidt tot uitbreiding van het leefgebied van deze slak. Weidende dieren lopen van september tot april de grootste kans om een infectie op te doen met leverbot. 

 

Verhoogde waterpeilen

De weidegebieden van Utrecht, Zuid- en Noord Holland zijn beruchte leverbotgebieden. Daarnaast komen regelmatig infecties voor in het weidegebied in Friesland, de gebieden langs de Drentse Aa, de IJssel en tussen de grote rivieren. Door verhoging van het grondwaterpeil neemt de kans op leverbotbesmettingen toe.

 

Beweiden door schapen of geiten (winter)

Schapen en geiten kunnen door uitscheiding van leverboteieren zorgen voor verspreiding van infecties en verhoging van infectierisico, ook op rundveebedrijven. Het is verstandig daar rekening mee te houden.

 

Relatie met salmonella

Door de leverbotinfectie vermindert de weerstand van het rundvee, wat dieren vatbaarder maakt voor een infectie met bijvoorbeeld Salmonella dublin. D Op bedrijven met leverbot is een succesvolle bestrijding van salmonella vaak alleen mogelijk in combinatie met de aanpak van leverbot.

 

Grootte slakkenpopulatie

Verhoging van de grondwaterstand kan de biotoop aantrekkelijker maken voor de leverbotslak Galba truncatula. De grootte van de slakkenpopulatie en het aantal op het weiland gedeponeerde leverboteieren zijn bepalend voor de besmetting die op het gras wordt afgezet.

 

Aankoop dieren

Door aankoop van dieren is het mogelijk om leverbotbesmette dieren binnen te halen. Dit hoeft voor de rest van het bedrijf geen problemen te geven als de tussengastheer de leverbotslak niet aanwezig is. Op bedrijven waar de leverbotslak wel aanwezig is alertheid geboden. Zeker gezien de mogelijkheid van insleep van resistentie van de leverbot voor triclabendazol binnen komen. Quarantainemaatregelen voor aangevoerde dieren zijn essentieel om problemen in de toekomst te voorkomen.

Terug naar het begin van dit artikel

 

Aanpak van leverbot


De landelijke Werkgroep Leverbotprognose brengt jaarlijks in september een voorlopige en in november een definitieve leverbotprognose uit. Soms komt de werkgroep in mei meteen voorjaarsprognose. Op grond van vezamelde gegevens, komt de werkgroep met een voorspelling van de ernst en het moment van de leverbotbesmetting. Op basis daarvan kunnen voorspellingen kunnen preventieve maatregelen nemen.

 

Leverbotkartering en beweiden

Op bedrijven waar leverbotinfecties voorkomen, kunnen risicovolle percelen in kaart worden gebracht via kartering waarbij de aanwezigheid van leverbotslakken in kaart gebracht wordt gebracht. Met deze informatie kunnen veehouders risicopercelen in risicovolle periodes (augustus tot maart) mijden voor beweiding.  Een GD kan u helpen met het in kaart brengen. Hiervoor kunt u contact opnemen via 0900-1770.

 

Ontwatering

Hoe vochtiger het land, hoe groter de kans op een leverbotbesmetting. Drainage en greppelonderhoud zijn belangrijk bij het verkleinen van het risico op leverbotbesmettingen.

 

Eerst onderzoeken

Bedrijven doen er verstandig aan om te bepalen of leverbot voorkomt. Vervolgens is het leverbotvrij maken van dieren de belangrijkste stap op de cyclus te doorbreken. GD beschikt over verschillende mogelijkheden van onderzoek.

 

Toenemende resistentie van de leverbot voor triclabendazol

Triclabendazol is een veel gebruikt leverbotmiddel maar in 1998 werden de eerste gevallen van resistentie bevestigd. De jaren na 1998 is het aantal bedrijven met leverbotresistentie voor triclabendazol gestaag gestegen. De situatie tot na de winter van 2014/2015 staat vermeld in onderstaande Figuur.


Figuur 2: Overzicht van leverbotresistentie voor triclabendazol in Nederland op via de GD gecontroleerde bedrijven

De uitbreiding van de gebieden waar resistentie van de leverot voor triclabendazol voorkomt is het toenemende mate lastig om op bedrijven met het grootste risico deze parasitaire infectie nog goed te bestrijden. Daarom is preventie essentieel. Hierbij spelen kartering en het mijden van deze gebieden in risicoperioden een belangrijke rol.

Voor meer informatie: 

 

Terug naar het begin van dit artikel

Oude browser

We zien dat u gebruik maakt van een verouderde browser. Niet alle onderdelen van de website zullen daardoor goed functioneren. Download nu de laatste versie van uw browser om veilig te kunnen surfen.