Zoomfunctie

Moeite met het lezen van de tekst? Vrijwel alle populaire browsers geven u controle over hoe groot websites worden weergegeven.

  • Windows
    Mac OS
  • Zoom in
  • Zoom uit
  • Zoom 100%
  • Muiswiel op / neer

Scrapie

Scrapie is een besmettelijke, zeer langzaam verlopende aandoening van het zenuwstelsel bij schapen en geiten. Na een lange incubatietijd en een slepend verloop eindigt de ziekte met de dood. Een behandeling is niet mogelijk. In het Verenigd Koninkrijk is de ziekte ruim 250 jaar geleden beschreven. In Nederland is scrapie bij schapen in oktober 1957 voor het eerst vastgesteld. Het is echter aannemelijk dat de ziekte ook hier veel langer voorkomt. Bij de geit werd in november 2000 het eerste geval gediagnosticeerd, gevolgd door een tweede geval enkele maanden later. De elf resterende geiten op dit bedrijf werden geruimd en bij vier van de elf dieren werd ook scrapie aangetoond. Sindsdien is onderzoek bij de geit in ons land altijd negatief verlopen. Scrapie is geen zoönose.

Direct naar:


Op basis van een in 1992 uitgevoerd onderzoek komt scrapie in Nederland naar schatting voor op ruim 6% van de bedrijven met schapen. In geïnfecteerde koppels ligt het aantal klinische gevallen op ruim één procent per jaar. De gevoeligheid voor scrapie is erfelijk bepaald. Door gericht op scrapie-ongevoeligheid te fokken bij schapen is het aantal besmette bedrijven in ons land in de afgelopen jaren snel gedaald. Hoewel over scrapie bij geiten veel minder bekend is, gaan we ervan uit dat scrapie bij de geit in Nederland niet of bijna niet voorkomt. 

Verschijnselen

De verschijnselen van scrapie treden in de regel op vanaf een leeftijd van anderhalf jaar. Er zijn klinische gevallen bekend van tien maanden oud en soms nog jonger, maar dat zijn uitzonderingen. Meestal zijn de dieren ouder dan twee jaar en vertonen de volgende verschijnselen:

  • afwijkend gedrag;
  • jeuk, schuren;
  • neurologische verschijnselen:
    • trillingen aan de kop;
    • schrikgedrag;
  • vermagering.

Afwijkend gedrag

De eerste verschijnselen van scrapie bestaan vaak uit een verandering in gedrag. Soms kunnen de dieren tijdenlang staan te ‘dromen’ met de kop een beetje naar beneden. Op een ander moment vertoont het dier geen verschijnselen. In een koppel schapen waar scrapie voorkomt, kan een eigenaar soms in een zeer vroeg stadium een ziek dier onderkennen, omdat het geen koppelgedrag meer vertoont. Als bijvoorbeeld de rest van de dieren weidt, ligt het scrapieschaap of loopt het dier alleen in de andere hoek van de wei.

Jeuk

In eerste instantie komen soms alleen verschijnselen van jeuk (to scrape = jeuken, schuren) voor. Aangedane dieren schuren zich aan van alles. Hierdoor kunnen veranderingen aan wol of huid ontstaan. Vaak wordt ook geschuurd aan niet-bewolde lichaamsdelen. Bij het betasten van de lendenstreek gaan de dieren vaak smakken. Naar schatting vertoont ongeveer zestig procent van de schapen met scrapie jeuk.

Neurologische verschijnselen

Schapen die lijden aan scrapie kunnen, naast andere neurologische verschijnselen, onrustig en schrikachtig zijn. Soms trillen ze over het hele lichaam. De Franse naam voor scrapie is dan ook ‘la tremblante’ (= trillen, beven). Vaak is het trillen alleen aan de kop goed te zien. Ook de bewegingen van het dier zijn veranderd. Zeker als het dier zich wat sneller verplaatst, doen de bewegingen denken aan die van een draver. De Duitsers spreken daarom van ‘Traberkrankheit’.

Vermagering

Naast bovengenoemde verschijnselen vermageren de dieren uiteindelijk en wordt de vacht dor en grauw. Een behandeling is niet mogelijk. Alle aangedane dieren gaan uiteindelijk dood. Bij sectie is het kadaver vaak mager; soms zijn huid- en vachtveranderingen aanwezig.

Oorzaak

Scrapie behoort tot de TSE’s (transmissible spongiform encephalopathies: overdraagbare, met sponsvorming gepaard gaande hersenafwijkingen). Bij microscopisch onderzoek vertonen de hersenen van dieren met een TSE sponsachtige structuurveranderingen. De verwekker van scrapie wordt aangeduid met de naam ‘prion’ (proteinaceous infectious particle).
De gevoeligheid voor scrapie is erfelijk bepaald en dit wordt, voor zover bekend, door één enkel gen, het PrP-gen, gecontroleerd. Dit PrP-gen bepaalt de aanmaak en eigenschappen van het normaal voorkomend prion eiwit (PrP = prion protein = prion eiwit). Dit normale prion eiwit wordt aangegeven met PrPC (c staat daarin voor cellulair). Bij dieren met een prionziekte als bijvoorbeeld scrapie komt een veranderde vorm van het PrP voor; deze veranderde vorm wordt aangegeven met PrPSc (scrapie protein; is identiek met scrapieverwekker). Als schapen/ geiten in contact komen met het PrPSc kunnen ze, afhankelijk van hun gevoeligheid voor de ziekte, scrapie ontwikkelen. Het diereigen PrPC wordt na besmetting omgezet in PrPSc en dit gebeurt sneller en efficiënter bij dieren met een gevoelig genotype. Het afwijkende PrPSc eiwit is niet oplosbaar en resistent voor afbraak door enzymen. Door verminderde afbraak vindt een ophoping van PrPSc plaats in zenuwcellen, waardoor de cellen beschadigen, kapot gaan en oplossen. Hierdoor ontstaan holtes in het zenuwweefsel, waardoor het de voor deze aandoening karakteristieke sponsachtige structuur krijgt.

Voor zowel schapen als geiten is bekend dat het PrP-gen bestaat uit 256 codonen.  Elk codon codeert voor een aminozuur, een bouwsteen voor eiwitten. Op dit PrP-gen kunnen mutaties voorkomen waardoor een ander aminozuur in het prioneiwit wordt ingebouwd. Afhankelijk van de locatie van deze mutatie kan dit invloed hebben op de gevoeligheid voor scrapie. 

Bij schapen zijn de betreffende codonen goed bekend, namelijk codon 136, 154 en 171. Veranderingen aan deze codonen zijn met name van invloed op de scrapiegevoeligheid. Bij schapen kan op codon 136 A (alanine) en V (valine) voorkomen; op codon 154 kunnen voorkomen R (arginine) en H (histidine) en op codon 171 vooral R (arginine) en Q (glutamine).
Vier varianten van het PrP-gen zijn van belang: VRQ (= 136 V, 154 R en 171 Q), ARQ, AHQ en ARR. Het wildtype is ARQ, het genotype dat oorspronkelijk bij schapen voorkomt.
De andere drie varianten zijn mutaties van ARQ, waarbij normaal gesproken ten opzichte van ARQ slechts één van de drie codonen gemuteerd kan zijn. Van deze vier varianten is VRQ het meest gevoelig voor scrapie en ARR het minst gevoelig. In aflopende gevoeligheid voor scrapie is de volgorde zoals hierboven is vermeld: VRQ, ARQ, AHQ en ARR. Schapen met genotype VRQ/VRQ zijn het meest gevoelig voor scrapie en schapen met genotype ARR/ARR zijn het meest ongevoelig.
Voor BSE bij schapen geldt in grote lijnen hetzelfde. Schapen met genotype ARQ/ARQ zijn het gevoeligst voor BSE. Schapen met genotype ARR/ARR zijn ongevoelig voor BSE. Op grond van bovenstaande zijn in totaal tien combinaties (= genotypen) mogelijk, die de gevoeligheid voor scrapie bepalen.

Voor geiten is het lang onduidelijk geweest op welk genotype er zou moeten worden geselecteerd in verband met scrapieresistentie. Uit onderzoek blijkt dat er een aantal codonen invloed hebben op de scrapiegevoeligheid, echter de mate van invloed verschilt per codon. Van codon 146 en 222 is de invloed op resistentie het meest zeker. Op codon 146 gaat het om een mutatie naar serine (S) of asparaginezuur (D) op de plek van asparagine (N) en op codon 222 betreft het een mutatie naar lysine (K) in plaats van glutamine (Q). dieren die drager zijn van ten minste één van de gunstige varianten van een gen, 146S, 146D of 222K, worden als scrapie-ongevoelig beschouwd.
Uit eerder onderzoek naar het percentage dragers van het resistent genotype binnen de Nederlandse geitenstapel, blijkt dat dit gaat om slechts een paar procent. Opvallend is dat 222K-dragers relatief vaak gevonden worden bij de Toggenburger en 146S-dragers bij Boergeiten. 

Terug naar het begin van dit artikel

Diagnose van Scrapie


Bij een vergevorderd en typisch scrapiegeval kan een ervaren iemand na een intensieve observatie met een grote mate van zekerheid de diagnose aan het levende dier stellen.

Microscopisch onderzoek van de hersenen is echter nodig om de diagnose te bevestigen. Bij dit onderzoek worden onder andere vacuolen of holten in de hersenen aangetroffen. Met een speciale kleuring is het mogelijk om het PrPSc bij microscopisch onderzoek zichtbaar te maken. Hierdoor kan niet alleen een nog specifiekere diagnose worden gesteld maar kan de diagnose ook in een eerder stadium worden gesteld. Met deze techniek kan de diagnose ook bij het levende dier worden gesteld door een stukje van de tonsil weg te nemen (zogenaamde tonsilbiopt) en met deze speciale kleuring te kleuren. Daarbij is gebleken dat VRQ/VRQ-dieren tonsilbiopt positief kunnen zijn vanaf een leeftijd van vier maanden; dieren met resistentere genotypes worden later of niet tonsilbiopt positief. De tonsiltest wordt positief op eenderde tot de helft van de normale incubatietijd die bij een bepaald genotype hoort.

Bij elektronen-microscopisch onderzoek van de hersenen kunnen verder bepaalde fibrillen (SAF’s: scrapie associated fibrils) worden aangetoond.

Terug naar het begin van dit artikel

Risicofactoren voor Scrapie


Besmetting vindt onder natuurlijke omstandigheden meestal plaats na opname via de bek. Het afweersysteem van het slijmvlies van de darmwand is zeer waarschijnlijk betrokken bij de opname van PrPSc door de darmwand. Bij gevoelige dieren vindt, in vergelijking met minder gevoelige dieren, de opname van PrPSc efficiënter plaats of vindt een betere ophoping plaats in de cellen van het afweersysteem van het darmslijmvlies.
Bij VRQ/VRQ-dieren vindt na opname van PrPSc eerst infectie plaats van de tonsillen en de Peyerse platen, weefsel met een afweerfunctie in de darmwand, en van daaruit vindt verdere verspreiding plaats, eerst naar de lymfklieren die de lymfe vanuit de tonsillen en de Peyerse platen afvoeren. Vermeerdering van PrPSc in het afweerapparaat gaat langzamer en is beperkter in verspreiding bij dieren met een minder gevoelig genotype. Bij dieren met scrapie-ongevoelig genotype komt deze manier van verspreiden niet of bijna niet voor. Dit klopt ook met de ervaringen uit het flankerend onderzoek dat in Nederland in het kader van het scrapiebestrijdingsprogramma is uitgevoerd. Heterozygoot ARR dieren waren tonsilbiopt negatief ook als ze bij microscopisch onderzoek van de hersenen wel besmet bleken te zijn.
De besmetting van het zenuwstelsel vindt later plaats dan besmetting van het afweerapparaat en mogelijk zelfs vanuit het afweerapparaat en begint in het zenuwweefsel in de darm en van daaruit vindt verdere verspreiding plaats. Via zenuwbanen in buik- en borstholte komt PrPSc in een later stadium voor in het ruggenmerg van borst- en lendewervels en in het verlengde merg van de hersenen. Van daaruit verspreidt PrPSc zich verder door het zenuwstelsel. Vermeerdering van PrPSc in zenuwweefsel gaat langzamer en is beperkter in verspreiding bij dieren met een minder gevoelig genotype. Op gelijke tijdstippen na infectie was er altijd minder PrPSc in de minder gevoelige dieren in vergelijking met VRQ/VRQ-dieren.
Verspreiding van PrPSc kan ook plaatsvinden via de bloedbaan. Bij experimentele bloedtransfusies vanuit schapen die besmet zijn met scrapie of met BSE lukt het om een besmetting over te brengen.
Een Noorse onderzoeksgroep bevestigt dat vermeerdering van PrPSc langzamer gaat en beperkter is in verspreiding bij dieren met een minder gevoelig genotype. In dit experiment deden de eerste klinische verschijnselen bij een VRQ/VRQ-dier zich voor op een leeftijd van zeven maanden. Het uitgebreide vervolgonderzoek toonde bij één dier PrPSc aan in het hoornvlies van het oog en bij twee dieren in de nageboorte. Bij de mens zijn gevallen van de ziekte van Creutzfeldt-Jakob, ook een TSE, beschreven na hoornvliestransplantatie. Dat de nageboorte van scrapiebesmette dieren een rol speelt bij de overdracht van infectie in een koppel is niet nieuw.

Bovenstaande geldt voor klassieke scrapie. Van de in 1998 gevonden variant NOR98 en de daarna gevonden atypische scrapie is veel minder bekend. Er loopt op een aantal plaatsen onderzoek naar deze vormen van scrapie en de laatste informatie daarover geeft aan dat deze atypische scrapie onder experimentele omstandigheden wel overdraagbaar is maar onder natuurlijke omstandigheden niet besmettelijk is.

Terug naar het begin van dit artikel

Aanpak van Scrapie


Bij de aanpak van scrapie is het volgende onderscheid te maken:

Aanpak op besmette bedrijven

Sinds 23 juli 1998 geldt een aangifteplicht voor scrapie op grond van artikel 15 van de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren. Dit betekent dat houders van kleine herkauwers en hun dierenartsen verplicht zijn om van scrapie verdachte dieren te melden bij de NVWA. Sinds 1 januari 2001 is bij een verdenking het scrapiedraaiboek van de NVWA van toepassing. Dit draaiboek wordt met regelmaat aangepast aan nieuwe Europese regelgeving en is ook van toepassing op scrapiegevallen die afkomstig zijn van monitoring bij slachthuizen en bij de destructor.

Na een melding bezoekt een deskundigenteam het van scrapie verdachte bedrijf en beoordeelt het dier. Wanneer scrapie niet kan worden uitgesloten, wordt het verdachte dier overgenomen en nader onderzocht bij het Centraal Veterinair Instituut (CVI) in Lelystad. Als de diagnose scrapie bij het overgenomen dier wordt bevestigd, wordt het bedrijf officieel besmet verklaard. Het bedrijf komt dan officieel onder toezicht van de NVWA. Dit toezicht blijft van kracht tot drie jaar na het laatst bevestigde geval van scrapie. Verder wordt een onder toezicht geplaatst bedrijf elke drie maanden bezocht om de dieren te inspecteren en de administratie te controleren. Afvoer van dieren vindt alleen na ontheffing plaats.
De eigenaar is verplicht om alle dieren van één jaar en ouder die sterven op het bedrijf, te melden bij de NVWA. De NVWA zorgt er vervolgens voor dat de dieren van het bedrijf worden opgehaald en worden onderzocht op scrapie. Schapenhouders die te maken krijgen met een scrapiebesmetting zijn verplicht om alleen scrapieresistente (ARR/ARR) rammen als dekram in te zetten.

Scrapiebestrijdingsprogramma

Op 1 juli 1998 is in de Nederlandse schapenhouderij de scrapiebestrijding met behulp van het scrapiebestrijdingsprogramma van start gegaan op basis van selectie op erfelijke ongevoeligheid voor deze ziekte. Het doel van de bestrijding was om binnen tien jaar zoveel ongevoelige fokrammen te hebben gefokt dat alle schapenhouders in ons land een resistente ram als dekram in zouden kunnen zetten. Lees meer.

Scrapie genotypering geiten

In juli 2019 is een wijziging aangebracht in de Europese Verordening 999/2001, welke op korte termijn zal worden doorgevoerd. Deze wijziging betreft een aanvulling op de huidige Verordening en stelt dat geiten die drager zijn van ten minste één van de gunstige allelen, 146S, 146D of 222K, zullen worden beschouwd als scrapie-resistent. 
Scrapie genotyperingstest
 
Vanaf het najaar 2019 zal het mogelijk zijn om bij GD geiten te laten testen op scrapiegevoeligheid. Doormiddel van bloedonderzoek kan worden nagegaan of dieren beschikken over het gewenste scrapie-ongevoelige genotype. In deze test worden, met het oog op de toekomst, vier codonen getest; codon 142, 146, 211 en 222. Op codon 142 gaat het om de vervanging van isoleucine (I) door methionine (M), op codon 146 gaat het om een mutatie naar serine (S) of asparaginezuur (D) op de plek van asparagine (N), op codon 211 van arginine (R)naar glutamine (Q) en op codon 222 betreft het een mutatie naar lysine (K) in plaats van glutamine (Q). 
In juli 2019 is een wijziging aangebracht in de Europese Verordening 999/2001, welke op korte termijn zal worden doorgevoerd. Deze wijziging betreft een aanvulling op de huidige Verordening en stelt dat geiten die drager zijn van ten minste één van de gunstige allelen, 146S, 146D of 222K, zullen worden beschouwd als scrapie-resistent. 

Scrapiebewakingsprogramma

Voor geiten is het lang niet mogelijk geweest om te fokken op ongevoeligheid voor scrapie. Daarom is voor geiten het scrapiebewakingsprogramma, ook wel koppenonderzoek, opgezet.
Scrapie Bewaking is gebaseerd op een regelement van GD. Eén procent van de dieren (minimaal één dier) moet jaarlijks worden onderzocht. De voor onderzoek aangewezen dieren moeten minimaal twee jaar oud zijn en op het bedrijf zijn geboren of daar minimaal twee jaar hebben verbleven. Voor bedrijven met twintig dieren of minder is er een regeling om in plaats van onderzoek van één kop per jaar de koppen van alle dieren afgevoerd voor de dood of destructie voor onderzoek aan te bieden, met een minimum van één kop per twee jaar. 
Ondanks wijzigingen in de Europese regelgeving is de verwachting dat dit programma de komende jaren gehanteerd zal blijven naast de scrapiegenotypering.
Lees meer.

Oude browser

We zien dat u gebruik maakt van een verouderde browser. Niet alle onderdelen van de website zullen daardoor goed functioneren. Download nu de laatste versie van uw browser om veilig te kunnen surfen.