Zoomfunctie

Moeite met het lezen van de tekst? Vrijwel alle populaire browsers geven u controle over hoe groot websites worden weergegeven.

  • Windows
    Mac OS
  • Zoom in
  • Zoom uit
  • Zoom 100%
  • Muiswiel op / neer
Samen werken aan diergezondheid

Chlamydiose

Chlamydia abortus is een bacterie die grote abortusproblemen kan veroorzaken vooral bij schapen en geiten en sporadisch ook bij runderen en herten. Vanwege de volksgezondheid is deze zoönose ook een punt van zorg op bedrijven met kleine herkauwers met een groot aantal mens-dier-contacten (zoals bijvoorbeeld kinderboerderijen). De naam van de veroorzakende bacterie is recent veranderd. Chlamydia abortus werd tot voor kort Chlamydophila abortus en Chlamydia psittaci genoemd. Chlamydiose is een zoönose, een ziekte die van dier op mens kan overgaan.

Direct naar:


Verschijnselen

Abortus veroorzaakt door de bacterie Chlamydia abortus kan het eerste jaar na introductie op een bedrijf tot grote problemen leiden. Daarbij treden niet alleen gevallen van abortus op, ook worden verzwakte of dode lammeren geboren.

In het eerste jaar van infectie kan abortus optreden bij dieren van alle leeftijden. In de jaren daarna treedt een stabilisatie van de problemen op en vindt op termijn bijna alleen abortus plaats bij dieren die voor de eerste keer aflammeren en bij aangekochte dieren.
De infectie blijft in het koppel bestaan maar leidt bij dieren die geaborteerd hebben tot een zodanige immuniteit dat hetzelfde dier in de regel niet weer aborteert. Het ruimen van dieren die geaborteerd hebben, is daarom niet nodig.

Uitscheiding van de verwekker vindt plaats met de geboorte van de vrucht en met de schedeuitvloeiing gedurende verscheidene dagen. Deze uitscheiding kan enkele dagen voordat de abortus optreedt al beginnen en kan tot twaalf dagen na de abortus doorgaan. Ooien die hebben geaborteerd kunnen tijdens de bronst weer Chlamydia abortus uitscheiden. Het is niet bekend hoe lang dit het geval blijft. Verwerpers zijn meestal niet of slechts heel kort ziek. Een enkele keer blijft een dier aan de nageboorte staan.

 

Oorzaak

Chlamydiose wordt veroorzaakt door de bacterie C. abortus. Dit is een bacterie met een afwijkende vermeerderingscyclus. De bacteriën vermeerderen zich uitsluitend in levende cellen en vormen daar elementairlichaampjes, de infectieuze vorm van deze verwekker.
Buiten het lichaam zijn de elementairlichaampjes bij lage temperaturen enkele dagen infectieus. De incubatietijd bedraagt in de regel minimaal vijf à zes weken. Bij dieren die aan het begin van de dracht worden geïnfecteerd, treedt abortus op in het laatste deel van de dracht.
Veranderingen aan de placenta treden niet op voor de negentigste dag van de dracht. Vindt de infectie later tijdens de dracht plaats, dan blijft deze vaak verborgen in het dier aanwezig en kan tijdens de volgende dracht leiden tot abortus.
Chlamydia abortus komt in de regel op een bedrijf binnen met de aankoop van besmette dieren. Daarbij gaat het vooral om de aankoop van ooilammeren die in een besmette omgeving zijn geboren. Deze dieren kunnen de infectie bij zich dragen zonder dat aan de ooilammeren iets is te zien. Zodra deze ooilammeren zelf drachtig worden kan abortus optreden.

 

Gevolgen

Abortus treedt in de regel op na de negentigste dag van de dracht. Op een bedrijf kan meer dan helft van de dieren aborteren. Na een aantal jaren treedt abortus bijna alleen op bij schapen die voor de eerste keer werpen en bij aangekochte dieren. De infectie blijft in het koppel bestaan maar leidt bij dieren die geaborteerd hebben tot een zodanige immuniteit dat hetzelfde dier in de regel niet weer aborteert.

Terug naar het begin van dit artikel

Diagnose van Chlamydiose


De waarschijnlijkheidsdiagnose wordt gesteld op grond van de verschijnselen en het bestaan van afwijkingen aan de nageboorte. De diagnose wordt bevestigd bij pathologisch onderzoek. Daarvoor is niet alleen de verworpen vrucht nodig, maar ook de nageboorte (klik hier voor het inzendformulier).

Met bloedonderzoek kan worden aangetoond of een infectie heeft plaatsgevonden op het bedrijf. Dit wordt gedaan met behulp van een ELISA, waarbij antistoffen gericht tegen Chlamydia abortus worden aangetoond. Omdat het enige tijd duurt voordat antistoffen meetbaar zijn met de ELISA, is deze test niet geschikt voor het aantonen van acute infecties.

Ongeveer drie weken na een opgetreden abortus zijn de eerste antistoffen tegen Chlamydia abortus met de ELISA aantoonbaar. Inzenden van bloedmonsters voor die tijd is niet zinvol. Het beste tijdstip voor onderzoek is tussen drie weken en drie maanden na een abortus (klik hier voor het inzendformulier).

Terug naar het begin van dit artikel

Risicofactoren voor Chlamydiose


De infectie wordt in de regel op een bedrijf geïntroduceerd met de aanvoer van besmette dieren. Hoe een abortusuitbraak op een bedrijf direct na introductie verloopt, hangt af van het tijdstip waarop de infectie wordt geïntroduceerd. Als dat in een zodanig vroeg stadium van de dracht plaatsvindt dat het eerste aborterende dier de drachtige koppelgenoten nog kan besmetten met abortus als gevolg, dan kan er sprake zijn van een abortusstorm waarbij meer dan vijftig procent van de dieren aborteert. Als het eerste abortusgeval veroorzaakt door een infectie met Chlamydia abortus laat in het aflamseizoen optreedt, dan blijft het aantal abortusgevallen in het jaar van introductie in de regel beperkt. Verkeert een aantal schapen of geiten in het gevoelige stadium van de dracht, dan kunnen deze hetzelfde jaar nog aborteren. Is dat niet het geval, dan kunnen de geïnfecteerde dieren het jaar daarop in grote aantallen aborteren. In de jaren daarna aborteert in de regel een deel van de dieren die voor de eerste keer drachtig zijn.

 

Preventie

Preventie begint met het vermijden van contact met koppels waar problemen met Chlamydia abortus spelen. Bij aankoop weet de koper vaak niet dat de ziekte op het verkopende bedrijf aanwezig is. Een jaar na aankoop is vaak moeilijk te bewijzen dat de problemen met aankoop zijn binnengehaald.

Terug naar het begin van dit artikel

Aanpak besmette bedrijven


Op basis van een in 2005 uitgevoerd onderzoek heeft GD een protocol opgesteld voor de aanpak van Chlamydia abortus op een besmet bedrijf. Het doel van dit protocol is tweeledig:
  • Schade veroorzaakt door Chlamydia abortus op een besmet bedrijf zo veel mogelijk beperken door het aantal abortusgevallen zo laag mogelijk te houden.
  • Het risico voor de volksgezondheid zo veel mogelijk beperken, niet alleen op schapen- en geitenbedrijven, maar vooral op bedrijven met veel mens-dier contacten zoals kinderboerderijen. Het protocol heeft ook als doel, indien mogelijk, om Chlamydia abortus op het bedrijf uit te bannen.  

Uitgangspunt protocol

Het schapen- of geitenbedrijf of het bedrijf met veel mens-dier contacten heeft te maken (gehad) met abortusgevallen en de diagnose is bevestigd middels pathologisch onderzoek (met specifiek vervolgonderzoek op nageboorte of vrucht) of serologisch onderzoek. Het protocol is dus niet bedoeld om op basis van uitslagen van serologisch onderzoek alleen, dus zonder klinische abortusproblemen, tot actie over te gaan. Daarvoor is nader onderzoek nodig. Deelnemers aan het GD Keurmerk Zoönosen kunnen GD vragen om een specifiek op hun situatie toegesneden advies. Indien op een bedrijf alleen sprake is van serologisch onderzoek met voor Chlamydia abortus seropositieve uitslagen is het aan te bevelen eerst de diagnose te bevestigen door heel gericht vruchten èn nageboortes in te sturen. De diagnose op basis van placentaveranderingen en bevestiging met specifiek vervolgonderzoek wordt gezien als de definitieve diagnose.

 

Protocol besmet bedrijf

• Direct volgend op een bevestiging van een eerste uitbraak, alle nog drachtige dieren tot het einde van de dracht – indien van toepassing herhaaldelijk – behandelen met oxytetracycline (20 mg/kg, parenteraal) met een interval van 10 tot 14 dagen;
• een strikte scheiding en hygiëne toepassen: tijdens de aflamperiode moeten drachtige dieren en dieren die hebben geaborteerd van elkaar worden gescheiden. Het gaat hierbij niet alleen om direct diercontact maar ook om indirect contact;
• vóór de dekperiode volgend op een abortusuitbraak alle dieren vaccineren volgens het entschema van de fabrikant; zeker als de eerste abortusgevallen laat in het aflamseizoen optreden zal een deel van de drachtige dieren wel worden geïnfecteerd maar niet aborteren. Bij geiten zijn minder gegevens bekend met betrekking tot de effectiviteit van dit vaccin, maar het kan volgens dezelfde vaccinatieschema’s worden toegepast onder de 'off label use' voorwaarden;
• bij voorkeur gedurende minimaal één jaar geen ooi- of geitenlammeren aanhouden die geboren zijn in het jaar dat de eerste abortusuitbraak zich voordeed. Hetzelfde geldt voor eenjarigen die niet hebben afgelamd (overlopers). Indien de eerste uitbraak optreedt aan het einde van de aflamperiode kunnen het jaar daarop de ooien of geiten die tijdens de eerste uitbraak niet hebben geaborteerd, alsnog verwerpen;
• aan te kopen dieren eerst vaccineren voordat zij aan het koppel worden toegevoegd; geen aankoop is de beste preventieve maatregel;
• ooien of geiten die hebben geaborteerd, het dekseizoen daarop volgend apart weiden of huisvesten en laten dekken door een ram of bok die geen andere ooien of geiten dekt; een deel van deze ooien of geiten kan namelijk tijdens de bronst opnieuw Chlamydia abortus uitscheiden en de kans is aanwezig dat rammen of bokken deze infectie overbrengen;
• tijdens de aflamperiode volgend op de eerste abortusuitbraak kan het zinvol zijn drachtige dieren vanaf 90 dagen dracht tot het einde van de dracht met een interval van 10 tot 14 dagen te behandelen met oxytetracycline (20 mg/kg, parenteraal). Op melkleverende bedrijven kan dit een probleem zijn in verband met wachttijden. Zowel voor de toepassing van vaccinatie als voor het inzetten van oxytetracycline geldt dat het resultaat niet is gegarandeerd. Toepassing van antibiotica vermindert het aantal abortusgevallen en verlaagt de infectiedruk. Het inzetten van antibiotica geeft geen herstel van beschadigingen die al zijn opgetreden.

 

Herbevolken

Als alternatief voor het ‘protocol besmet bedrijf’ kan de dierhouder alle dieren ruimen (slachten) en het bedrijf herbevolken met dieren afkomstig van bedrijven zonder abortusproblematiek en met uitsluitend seronegatieve dieren, ofwel dieren afkomstig van onverdachte bedrijven. Dit kan zeker in overweging worden genomen worden als er naast Chlamydia abortus ook nog andere aandoeningen spelen zoals zwoegerziekte, CL, CAE of scrapie.

 

Aandachtspunten

Het is voor een besmet bedrijf niet eenvoudig om de besmetting definitief kwijt te raken. Een behandeling bestaat daarom uit een combinatie van maatregelen. Bij het communiceren over het protocol is het goed ook de aandacht te vestigen op het volgende:
  • Als een eerste abortusuitbraak begint aan het eind van de aflamperiode, dat wil zeggen in de periode dat er dieren zijn die minder dan 5 tot 6 weken hebben te gaan tot het einde van de dracht, zal een infectie bij die dieren in de regel niet meer leiden tot een abortus. Dergelijke dieren kunnen het jaar daarop alsnog aborteren.
  • Infectie van de ram of bok kan leiden tot een testikelontsteking en in de acute fase van de infectie kan Chlamydia abortus aanwezig zijn in het sperma. Een ooi of geit die heeft geaborteerd kan tijdens de bronst ook Chlamydia abortus uitscheiden. Op basis hiervan raden wij aan om rammen of bokken die geaborteerde ooien of geiten hebben gedekt geen andere groepen dieren te laten dekken.
  • Het is niet wenselijk dat een schapen- of geitenhouder die Chlamydia abortus op zijn bedrijf heeft mannelijke dieren verkoopt voor de dekdienst. Hoewel in de literatuur wordt aangegeven dat mannelijke dieren een ondergeschikte rol spelen in de epidemiologie en verspreiding van de infectie tussen bedrijven, lijken hieraan toch risico’s te kleven, zeker als het gaat om oudere rammen of bokken die op het herkomstbedrijf hebben gedekt.

Volksgezondheid

Aanwezigheid van Chlamydia abortus op een bedrijf is een risico voor zwangere vrouwen. Zij dienen direct en indirect contact met verwerpende dieren te vermijden. Infectie van een zwangere vrouw kan namelijk leiden tot verlies van de vrucht en ernstig ziek zijn en in enkele gevallen zelfs tot het overlijden van de vrouw. Mensen die assistentie verlenen bij de geboorte van een lam op een bedrijf met abortusproblemen doen er goed aan om nadien de handen goed te wassen en te ontsmetten. Het beschikbare vaccin is een zogenaamd levend vaccin. Het is niet verstandig dat zwangere vrouwen en vrouwen die zwanger willen worden dit vaccin toedienen.

NB Een toegenomen aantal abortusgevallen bij kleine herkauwers is meldingsplichtig (www.nvwa.nl)

Relevante links:
Voor vragen of een afspraak over de aanpak van Chlamydia abortus op uw bedrijf kunt u GD bereiken via 0900-1770, keuzenummer 3.

Oude browser

We zien dat u gebruik maakt van een verouderde browser. Niet alle onderdelen van de website zullen daardoor goed functioneren. Download nu de laatste versie van uw browser om veilig te kunnen surfen.