Zoomfunctie

Moeite met het lezen van de tekst? Vrijwel alle populaire browsers geven u controle over hoe groot websites worden weergegeven.

  • Windows
    Mac OS
  • Zoom in
  • Zoom uit
  • Zoom 100%
  • Muiswiel op / neer
Samen werken aan diergezondheid

BVD

Bovine Virus Diarree (BVD) is een wereldwijd veel voorkomende infectie onder rundvee en het BVD-virus kan op rundveebedrijven grote economische schade veroorzaken. De bestrijding van BVD is in 1998 van start gegaan met een vrijwillig programma BVD-vrij programma. Vanaf 1 april 2018 gaat de BVD-aanpak over naar een nieuwe, landelijke, fase.

Direct naar:

Het virus

Het virus dat BVD veroorzaakt, behoort tot de familie Flaviviridae en het genus Pestivirus. Het Border Disease Virus, dat bij schapen voorkomt, en het Klassieke Varkenspestvirus behoren eveneens tot het genus der Pestivirussen. Het BVD-virus (BVDV) wordt op basis van genetische verschillen opgesplitst in 2 typen: BVDV-1 en BVDV-2. Deze 2 types zijn weer onder te verdelen in verschillende subtypes. In Nederland is BVDV-type 1 het meest voorkomende type.

Besmettingsroute

BVD-virus kan op vele verschillende manieren worden binnengebracht op een bedrijf (zie onder ‘risicofactoren’). Als het virus op een bedrijf wordt geïntroduceerd waar dieren worden gehuisvest die nog niet eerder in contact zijn geweest met BVDV, dan zullen deze dieren de infectie doormaken en gaan vervolgens afweerstoffen aanmaken. Dit noemen we een transïente infectie. Als een drachtig dier wordt besmet met BVDV gedurende de eerste 4 maanden van de dracht, dan wordt het kalf geboren als BVD-drager (zie onder voor verdere uitleg). BVD-virusdragers zijn de voornaamste bron van verspreiding van BVD-virus binnen de rundveepopulatie, omdat zij levenslang en continu grote hoeveelheden virus uitscheiden. BVD-dragers worden ook wel persistent geïnfecteerde dieren (PI) genoemd.

BVD-infectie

Als het BVD-virus op een bedrijf binnenkomt kan een dier worden geïnfecteerd door opname van het virus met de mond of via de neus. Na opname gaat het virus zich vermeerderen in verschillende organen in het lichaam. Ongeveer 3 dagen na de infectie gaat het dier, gedurende een korte tijd, BVD-virus uitscheiden totdat de BVD-infectie door het dier is overwonnen en er antistoffen zijn aangemaakt. Het aanmaken van antistoffen door een dier duurt ongeveer 2 tot 3 weken.
Afhankelijk van de ernst van het BVDV-type, kunnen de verschijnselen variëren van mild tot ernstig. Bij een (transïente) infectie worden altijd de witte bloedcellen geïnfecteerd door het BVD-virus. Het BVD-virus heeft een negatief effect op de witte bloedcellen, waardoor de weerstand van het dier daalt en het dier vatbaar wordt voor andere (neven)infecties. Daarom is er vaak sprake van ‘vage’ klachten bij een BVD-uitbraak, doordat er bijvoorbeeld meer dieren worden gezien met mastitis en luchtwegproblemen.   

Hoe ontstaat een drager?

Tijdens een infectie met BVD wordt de baarmoeder makkelijk geïnfecteerd. Afhankelijk van de drachtlengte resulteert een BVD-infectie in (zie schema onder): 
  • vroeg embryonale sterfte
  • abortus 
  • kalveren met aangeboren afwijkingen
  • geboorte van een BVD-drager kalf 
  • geboorte van een gezond kalf
Indien een infectie van de vrucht in de baarmoeder plaatsvindt tussen dag 30 en 125 van de dracht, dan worden virusdeeltjes door de vrucht gezien als lichaamseigen. De oorzaak hiervoor is dat het immuunsysteem van de vrucht pas na 125 dagen in de dracht goed is aangelegd en functioneel is. Een infectie tussen dag 30 en 125 van de dracht resulteert dan ook in de geboorte van een BVD-drager. Deze BVD-dragers kunnen ogenschijnlijk gezond ter wereld komen, echter zullen levenslang grote hoeveelheden virus uitscheiden. Van de dragers die geboren worden sterft vijftig procent binnen het eerste levensjaar. Negentig procent van de dragers sterft vóór het tweede levensjaar. Mocht een BVD drager toch ouder worden en zorgen voor nakomelingen, dan zullen dit ook altijd BVD-dragers zijn. Het is daarom te adviseren om moederdieren van BVD-dragers te onderzoeken op BVD-virus. Binnen de Nederlandse rundveepopulatie is naar verwachting één procent van de runderen, op niet BVD-vrije bedrijven, een BVD-drager.

Infectie tijdens de dracht

Vindt een BVD-infectie plaats bij een drachtig dier dat geen antistoffen tegen BVD heeft, dan kan dit leiden tot:

  1. Afsterven van de vrucht, gevolgd resorptie van de vrucht of verwerpen. Dit kan gedurende de hele dracht optreden.
  2. Vroeg embryonale sterfte tot dag 45 na conceptie, dit wordt vaak niet opgemerkt.
  3. De geboorte van een dragerkalf. Dit gebeurt als de vrucht tussen dag 30 en 125 van de dracht geïnfecteerd wordt. Omdat infectie plaatsvindt op het moment dat het immuunapparaat van het kalf nog niet is ontwikkeld, wordt het BVD-virus als lichaamseigen beschouwd. Het kalf zal dan ook geen antistoffen produceren. 
  4. Geboorte van kalveren met waarneembare afwijkingen zoals oog-, vacht- en hersenafwijkingen. Deze dieren worden meestal besmet tussen dag 100 en 150 van de dracht.
  5. Geboorte van kalveren met antistoffen. Bij infectie tijdens de laatste drie maanden van de dacht is het afweerapparaat zodanig ontwikkeld, dat het kalf een BVD-infectie kan elimineren en antistoffen vormt. Abortus en geboorte van afwijkende of kleine zwakke kalveren is echter nog steeds mogelijk.

Nederlandse situatie

Uit de zogenaamde specifieke monitoring 2015, die GD tweejaarlijks uitvoert als onderdeel van de diergezondheidsmonitoring, blijkt dat de prevalentie van BVD daalt. Het onderzoek naar BVD op melkveebedrijven bestaat hierbij uit bloedonderzoek bij jongvee en tankmelkonderzoek. Hieruit komt naar voren dat op circa 9% van de melkveebedrijven een indicatie is voor BVD-viruscirculatie. Bij de vorige meting in 2013 lag dit percentage op 14% en in 2011 op 13%. Uit het BVD-tankmelkonderzoek, op tankmelk afkomstig van niet BVD-vrije bedrijven, blijkt dat op 62% van de bedrijven BVD-antistoffen worden aangetoond. Dit ligt een stuk lager dan in 2013 (72%). Op niet-melkleverende bedrijven is voor de monitoring bloedonderzoek uitgevoerd bij jongvee. Hieruit blijkt dat er voor de gehele niet-melkleverende sector een indicatie voor BVD-viruscirculatie is op 14,5% van de bedrijven (kleinschalige bedrijven 11,4%, jongvee-opfokbedrijven 16,9% en zoogkoebedrijven 17,1%).

Terug naar het begin van dit artikel

Verschijnselen van BVD


Het BVD-virus kan zeer wisselende klinische verschijnselen veroorzaken, waardoor het lastig is om de ziekte te herkennen op basis van klinische verschijnselen. De klinische verschijnselen van BVD zijn afhankelijk van:
  • De weerstand van het dier tegen BVD (is het dier gevaccineerd of al eens eerder geïnfecteerd met BVD-virus)
  • De vruchtbaarheidsstatus (is het dier drachtig en hoe lang)
  • Het type BVD-virus
  • Aanwezigheid van andere infecties tegelijkertijd
Dit heeft toch gevolg dat de klinische verschijnselen kunnen variëren van matig tot zeer ernstig en dit maakt het lastig om BVD te herkennen op basis van de klinische verschijnselen.

Acute infectie

Er wordt geschat dat ongeveer 70-90 procent van de acute infecties met BVD gepaard gaan met beperkte klinische verschijnselen. Daarom wordt een BVD-infectie op een bedrijf lang niet altijd (direct) opgemerkt.
Een gedeelte van de acute BVD-infecties zal wel gepaard gaan met klinische verschijnselen in meer of mindere mate. De volgende klinische verschijnselen kunnen worden gezien: 
  • Productiedaling
  • Ontstekingen van de slijmvliezen wat leidt tot diarree, speekselen, verminderde eetlust en/of uitdroging
  • Koorts
  • Abortus en fertiliteitsstoornissen (zie schema H. Algemeen)
  • Geboorte van afwijkende en zwakke kalveren
  • Geboorte van BVD-virus dragers
  • BVD-virus zorgt voor weerstandsverlaging waardoor andere kiemen eenvoudig kunnen toeslaan, waardoor bv. luchtwegproblemen, diarree en mastitis
  • Sterfte
In meer zeldzame gevallen kunnen BVD-infecties leiden tot zeer snel en ernstig verlopende acute uitbraken, gepaard gaande met koorts, longontsteking, ‘haemorrhagisch syndroom’ (HD) en hoog sterftepercentage. Het haemorrhagisch syndroom wordt gekenmerkt door een verhoogde bloedingsneiging, ten gevolge van een sterke verlaging van het aantal bloedplaatjes in het bloed, waardoor zwarte of bloederige diarree en puntbloedingen (op mond- en tongslijmvlies) kunnen worden gezien. Dieren met dit beeld sterven veelal binnen 48 uur. De meeste HD uitbraken worden veroorzaakt door BVDV-2. Acute uitbraken gepaard met ernstige klinische verschijnselen zijn echter ook beschreven voor infecties met BVDV-1.

Weerstandsverlaging
Ondanks het feit dat BVD-infecties regelmatig gepaard gaan met weinig tot geen klinische verschijnselen, treedt er bij alle geïnfecteerde dieren een weerstandsverlaging op doordat BVD-viruscellen van het immuunsysteem infecteert. Het BVD-virus heeft een direct negatief effect op de cellen van het immuunsysteem, hierdoor kunnen dieren makkelijker geïnfecteerd worden door andere (secundaire) kiemen (bacteriën en virussen). Deze neveninfecties met andere kiemen kunnen leiden tot bijvoorbeeld longontsteking en mastitis.
Kalveren
Door de weerstandsverlagende eigenschappen van het BVD-virus kunnen ook bij kalveren neveninfecties met andere kiemen eenvoudig toeslaan. Hierdoor gaan BVD-infecties bij kalveren vaak gepaard met diarree- en luchtwegproblemen.

BVD-dragers

Indien een BVD-infectie van de vrucht in de baarmoeder plaatsvindt tussen dag 30 en 125 van de dracht, dan worden virusdeeltjes door de vrucht gezien als lichaamseigen. De oorzaak hiervoor is dat het immuunsysteem van de vrucht pas na 125 dagen in de dracht goed is aangelegd en functioneel is. Een infectie tussen dag 30 en 125 van de dracht resulteert dan ook in de geboorte van een BVD-drager en dit dier zal  levenslang grote hoeveelheden virus uitscheiden. Het immuunsysteem van BVD-dragers herkend het BVD-virus in het lichaam niet, echter het immuunsysteem is wel effectief tegen andere kiemen. Het blijkt uit onderzoek wel dat de immuunrespons tegen andere kiemen minder effectief is dan bij gezonde kalveren. Vijftig procent van de BVD-dragers sterft dan ook binnen het eerste levensjaar. Negentig procent van de dragers sterft vóór het tweede levensjaar.
BVD-dragers kunnen ogenschijnlijk gezond ter wereld komen, echter kunnen ze ook klinisch afwijkend zijn bij de geboorte. Veel voorkomende afwijkingen die worden gezien zijn: 
  • Neurologische problemen ten gevolge van hersenafwijkingen (trilkalveren, sterrenkijkers)
  • Oogafwijkingen (blindheid)
  • Huidafwijkingen (te lang krullend haar)
  • Groeivertraging

Terug naar het begin van dit artikel

Diagnose van BVD


Het stellen van de diagnose BVD op basis van klinische verschijnselen is lastig en niet betrouwbaar en zal moeten worden bevestigd met aanvullend diagnostisch onderzoek. GD heeft meerdere testen beschikbaar voor het aantonen van BVD. Deze testen kunnen in 2 groepen worden ingedeeld: 

  • Testen die zijn gericht op het aantonen van het BVD-virus. Hiervoor heeft GD de volgende testen beschikbaar:
             o BVD Ag-ELISA op bloed (vanaf 31 dagen oud) of oorbiopten
             o BVD virus PCR op tankmelk en bloed
             o BVD virus isolatie op bloed en sperma  
  • Testen die zijn gericht op het aantonen van de afweerreactie, door middel van het aantonen van  afweerstoffen. Hiervoor heeft GD de volgende testen beschikbaar:
             o BVD antistoffen ELISA op serum en tankmelk
             o BVD antistoffen ELISA titratie op serum

Aantonen van BVD-virus

Antigen Enzyme Linked ImmunoSorbent Assays (Ag-ELISA)
Met de Ag-ELISA kan BVD-virus worden aangetoond in bloed of in oorbiopten. De Ag-ELISA is betrouwbaar en relatief goedkoop, echter valsnegatieve resultaten kunnen optreden door de aanwezigheid van ‘maternale’ antistoffen. Dit zijn antistoffen die een kalf via de biest heeft binnengekregen van de moeder. Maternale antistoffen kunnen het virus wegvangen, waardoor deze niet beschikbaar is voor de test. Dit is de reden dat bloed pas kan worden onderzocht vanaf een leeftijd vanaf 31 dagen oud. De Ag-ELISA kan ook worden toegepast op oorbiopten. Aangezien er geen contact met bloed plaats vindt bij het nemen van het oorbiopt, heeft de aanwezigheid van maternale antistoffen geen invloed op de uitslag van deze test. De oorbiopten kunnen daarom op zeer jonge leeftijd (direct na geboorte) worden genomen en onderzocht. Voor het nemen van een oorbiopt zijn speciale oormerken nodig. Oormerkleveranciers hebben deze bioptoormerken in hun assortiment. Meer informatie over BVD Oorbiopten

Reverse-Transcription Polymerase Chain Reaction (RT-PCR)
Met de PCR-test kan BVD-virus worden aangetoond in tankmelk en in bloed. Deze zeer gevoelige test kan het virus in tankmelkmonsters ontdekken tot maximaal 300 melkgevende dieren in de tank. Wanneer meer dan 300 melkgevende dieren via tankmelk moeten worden onderzocht, geldt een afwijkend protocol.

Virusisolatie
Deze test wordt gebruikt om BVD-virusstammen te isoleren uit bloed of organen. De test wordt niet routinematig toegepast. 

Aantonen van BVD-antistoffen

Afweerstoffen-ELISA (Ab-ELISA)
Met de Ab-ELISA kunnen antistoffen tegen BVD worden aangetoond in bloed of tankmelk. Bij het tankmelkonderzoek ligt het omslagpunt van gunstig naar ongunstig bij gemiddeld 30 procent melkgevende runderen met antistoffen.
Bij verdenking van een BVD-infectie in een koppel kan met deze test gepaard bloedonderzoek gedaan worden (twee onderzoeken met minimaal 3 weken tussentijd), waarbij wordt gelet op een stijging van de hoeveelheid afweerstoffen (titratie).

QuickScan BVD

De BVD-situatie op een melkveebedrijf kan snel en relatief eenvoudig worden vastgesteld met de GD QuickScan BVD. De GD QuickScan BVD bestaat uit een combinatie testen. De gecombineerde resultaten hiervan geven een indicatie over de BVD-status van de koppel en de mogelijke aanwezigheid van BVD-dragers. De QuickScan BVD voor melkvee bestaat uit 3 testen:
  • RT-PCR tankmelk
  • Ab-ELISA tankmelk
  • Ab-ELISA op bloed van 5 niet-gevaccineerde dieren in de leeftijdscategorie 8-12 maanden oud

Aandachtspunten bij BVD-onderzoek

Voor het aantonen van BVD-virus bij jonge kalveren zijn er de volgende onderzoeksmogelijkheden: 
  • nuka: oorbiopt onderzoek door middel van Ag-ELISA of RT-PCR onderzoek op bloed. Het oorbiopt wordt afgenomen bij het aanbrengen van het oormerk. 
  • ouder dan 31 dagen: bloedonderzoek door middel van antigeen-ELISA of RT-PCR. 

Voor het aantonen van een BVD-infectie bij ouder jongvee en volwassen dieren zijn de volgende punten van belang:

  • Een BVD-infectie bij (volwassen) runderen kan worden aangetoond door middel van gepaard  onderzoek (Ab-ELISA-titratie), met tenminste drie weken tussentijd. 
  • Mogelijke BVD-dragers kunnen worden opgespoord door middel van bloedonderzoek (Ag-ELISA).

Als er BVD-virus wordt aangetoond in bloed of oorbiopten, dan kan dat betekenen dat het dier op dat moment een infectie doormaakt of dat het dier een BVD-drager is. Om het verschil hiertussen te maken, is heronderzoek op BVD-virus noodzakelijk drie weken tussentijd). Afhankelijk van de uitslag van het heronderzoek zijn er 2 opties mogelijk:
                o Bij heronderzoek wederom virus aangetoond: het      
                   betreffende dieren is een BVD-drager. In > 90 procent van 
                   de heronderzoeken is dit het geval. 
                o Bij heronderzoek geen virus aangetoond: het
                   betreffende rund heeft een BVD-infectie doorgemaakt.  
                   Het dier is dus onlangs in aanraking geweest met het
                   BVD-virus, maar heeft de BVD infectie overwonnen en 
                   afweerstoffen aangemaakt.    

Onderzoek bij abortus

Bij abortus kan de diagnose worden gesteld door middel van onderzoek van de vrucht en/of het moederdier op virus of antistoffen. 
De uitslag van het bloedonderzoek op antistoffen van het moederdier moet als volgt worden beoordeeld:
  • geen antistoffen aangetoond: dit sluit BVD als oorzaak van het verwerpen uit. Een moederdier zonder BVD-afweerstoffen in het bloed kan wel BVD-virusdrager zijn. In geval van abortus is dat echter meer uitzondering dan regel.
  • afweerstoffen aangetoond: dit is moeilijk te interpreteren aangezien het tijdstip van het ontstaan van de antistoffen niet bekend is. Gepaard onderzoek op antistoffen van het moederdier is weinig zinvol aangezien de infectie in de meeste gevallen al een tijd geleden heeft  plaatsgevonden en de dieren al antistoffen hebben op het moment van verwerpen.

Beoordeling van het virus-onderzoek van de verworpen vrucht met de Ag-ELISA is als volgt:

  • BVD-virus aangetoond: dit duidt op een infectie van de vrucht in de baarmoeder.
  • Geen BVD-virus aangetoond: dit kan betekenen dat BVD geen rol speelt, dat de vrucht de infectie heeft overwonnen en het virus is geëlimineerd (in dit geval heeft het kalf antistoffen als gevolg van een actieve infectie die in de tweede helft van de dracht heeft plaatsgevonden, meestal is bij een verworpen vrucht het bloed ongeschikt voor dit onderzoek ten gevolge van hemolyse) óf dat het BVD-virus kan niet worden aangetoond door bijvoorbeeld rotting van de vrucht.

Vaccinatie in relatie tot BVD-diagnostiek

Voor het antistoffenonderzoek (Ab-ELISA) geldt dat de test na vaccinatie antistoffen kan aantonen. Advies is dan ook om voor dit onderzoek altijd ongevaccineerde dieren te selecteren. Bewaking van de BVD-vrij status, middels antistoffenonderzoek bij jongvee, kan goed gecombineerd worden met vaccinatie, mits de ritmiek van het bewakingsonderzoek en de vaccinatie op elkaar worden afgestemd. Bij gebruik van een levend BVD-vaccin moet hier rekening mee worden gehouden bij het BVD virusonderzoek. Na vaccinatie met een levend vaccin kan tot 23 dagen BVD virus in bloed en melk worden aangetoond.

Terug naar het begin van dit artikel

Risicofactoren voor BVD


De risicofactoren met betrekking tot BVD zijn te verdelen in factoren van belang voor insleep van BVD-virus op een bedrijf en factoren van belang voor versleep van BVD binnen het bedrijf.

Insleep

De risicofactoren voor insleep geven aan waar zich een risico bevindt voor het binnenhalen van de BVD-infectie op het bedrijf. De risicofactoren voor insleep kunnen weer verder worden onderverdeeld in directe en indirecte contacten. De risicofactoren met betrekking tot directe contacten:  

  • Aanvoer van dieren van bedrijven met een lagere BVD-status (zonder onderzoek).
  • Aankoop van dieren die drachtig zijn van PI dier (Trojaans rund)
  • Gezamenlijke jongvee-opfok/uitschaar eenheid
  • Over-de-draadcontacten met (niet vrije) buurtbedrijven
  • Bezoek aan (niet-vrije) keuringen en shows
De risicofactoren met betrekking tot indirecte contacten:
  • Erfbetreders (zonder bedrijfskleding)
  • Het gebruik van gezamenlijke veetransportmiddelen en materialen met andere (niet-vrije) bedrijven.
  • Het inslepen van BVD met medicijnflesjes, naalden, spuiten, handschoenen, kleding, laarzen etc.
  • Het gebruik van besmet sperma en besmette embryo’s 
  • Niet-gecertificeerde buurtbedrijven 
Het contact met wild zoals reeën, wordt ingeschat als een zeer geringe tot onbetekenende risicofactor. De rol van schapen is onder Nederlandse omstandigheden ook verwaarloosbaar.

Versleep

De factoren met betrekking tot versleep zijn zowel op niet-vrije als BVD-vrije bedrijven van belang. Het is immers niet uitgesloten dat op een
BVD-vrij bedrijf toch weer BVD wordt geïntroduceerd. De risicofactoren met betrekking tot versleep zijn ook weer onder te verdelen in direct en indirect contact.
De risicofactoren met betrekking tot direct contact:
  • Contact tussen kalveren en drachtig (jong)vee
  • Afkalfmanagement
          o  Gescheiden afkalfhokken
          o  Contact kalveren onderling
  • Huisvesting (leeftijdsgroepen, zieke dieren apart)
  • All-in, all-out

De risicofactoren met betrekking tot indirect contact:

  • Looplijnen (van jong naar oud)
  • Hygiëne van handen en kleding bij contact verschillende leeftijdsgroepen
  • Huisvesting (reinigen en desinfectie van hokken na verplaatsen dieren):
          o  Bij de geboorte van een PI-dier worden met het vruchtwater
              grote hoeveelheden BVDV uitgescheiden, waardoor 
              besmetting van het afkalfhok. 
          o  Hokken en stallen waar PI dieren zijn gehuisvest kunnen voor
              een bepaalde periode een bron van BVDV zijn.

Checklist BVD-preventie

Met de Checklist BVD-preventie kan worden nagegaan in hoeverre een bedrijf kans loopt op insleep en verspreiding van BVD op het bedrijf. Door invulling van de checklist krijgt men een risicoprofiel voor BVD op het bedrijf, met adviezen om de kans op insleep en verspreiding verder te verkleinen. Hiermee is de checklist een waardevol hulpmiddel bij het bepalen van de aanpak van BVD op het bedrijf.

Klik hier voor de BVD-preventie Checklist

Terug naar het begin van dit artikel

Aanpak BVD


Voor een succesvolle aanpak van BVD op een bedrijf is het belangrijk te richten op een aantal maatregelen. Een algemeen model voor een succesvolle BVD-bestrijding is gebaseerd op drie pijlers:
  • Biosecurity en preventie
  • Opsporen en afvoeren van BVD-dragers
  • Monitoring van de vrije status
Als vierde element kan vaccinatie daaraan worden toegevoegd, indien aan de eerste drie pijlers is voldaan. Hieronder zijn de vier pijlers schematisch weergegeven.

Biosecurity en preventie

Biosecurity omvat alle procedures en (preventieve) maatregelen die worden genomen om een koppel te beschermen tegen infectieuze aandoeningen, in dit geval BVD-virus. Hiervoor is het belangrijk om de risicofactoren met betrekking tot insleep en verspreiding van BVD-infecties op een bedrijf in kaart te brengen. Een hulpmiddel hierbij is de GD Checklist BVD-preventie  
Met de Checklist BVD-preventie kan worden nagegaan in hoeverre een bedrijf kans loopt op insleep en verspreiding van BVD op het bedrijf. Door invulling van de checklist krijgt men een risicoprofiel voor BVD op het bedrijf, met adviezen om de kans op insleep en verspreiding verder te verkleinen. De risicofactoren zijn te verdelen in factoren van belang voor insleep van BVD-virus op een bedrijf en factoren van belang voor versleep van BVD binnen het bedrijf.
 

Insleep

De risicofactoren voor insleep geven aan waar zich een risico bevindt voor het binnenhalen van de BVD-infectie op het bedrijf. De risicofactoren voor insleep kunnen weer verder worden onderverdeeld in directe en indirecte contacten. De risicofactoren met betrekking tot directe contacten:
  • Aanvoer van dieren van bedrijven met een lagere BVD-status (zonder onderzoek).
  • Aankoop van dieren die drachtig zijn van een BVD-drager (Trojaans rund)
  • Gezamenlijke jongvee-opfok/uitschaar eenheid
  • Over-de-draadcontacten met (niet vrije) buurtbedrijven
  • Bezoek aan (niet-vrije) keuringen en shows

De risicofactoren met betrekking tot indirecte contacten:

  • Erfbetreders (zonder bedrijfskleding)
  • Het gebruik van gezamenlijke veetransportmiddelen en materialen met andere (niet-vrije) bedrijven.
  • Het inslepen van BVD met medicijnflesjes, naalden, spuiten, handschoenen, kleding, laarzen etc.
  • Het gebruik van besmet sperma en besmette embryo’s
  • Niet-gecertificeerde buurtbedrijven 
Het contact met wild zoals reeën, wordt ingeschat als een zeer geringe tot onbetekenende risicofactor. Schapen zullen in een incidenteel geval een risicofactor kunnen vormen (b.v. bij gezamenlijke huisvesting).

Versleep

De factoren met betrekking tot versleep zijn zowel op niet-vrije als BVD-vrije bedrijven van belang. Het is immers niet uitgesloten dat op een BVD-vrij bedrijf toch weer BVD wordt geïntroduceerd.
De risicofactoren met betrekking tot versleep zijn ook weer onder te verdelen in direct en indirect contact. De risicofactoren met betrekking tot direct contact:
  • Contact tussen kalveren en drachtig (jong)vee
  • Afkalfmanagement
    o Gescheiden afkalfhokken
    o Contact kalveren onderling
  • Huisvesting (leeftijdsgroepen, zieke dieren apart)
  • All-in, all-out
De risicofactoren met betrekking tot indirect contact:
  • Looplijnen (van jong naar oud)
  • Hygiëne van handen en kleding bij contact verschillende leeftijdsgroepen
  • Huisvesting (reinigen en desinfectie van hokken na verplaatsen dieren):
    o Bij de geboorte van een BVD-drager worden met het vruchtwater grote hoeveelheden BVD uitgescheiden, waardoor besmetting van het afkalfhok.
    o Hokken en stallen waar BVD-dragers zijn gehuisvest kunnen voor een bepaalde periode een bron van BVD zijn.

Opsporen en afvoeren BVD-dragers

Een belangrijke maatregel in het BVD plan van aanpak is het opsporen van BVD-dragers op het bedrijf. BVD-dragers scheiden continue grote hoeveelheden BVD-virus uit en doen dit gedurende hun hele leven. Dieren die een BVD-infectie doormaken scheiden veel minder virus uit en doen dit tevens over een beperkte periode. BVD-dragers spelen daarmee een cruciale rol in de verspreiding van BVD. Voor een succesvolle BVD bestrijding moeten deze dieren worden opgespoord en afgevoerd.

Om effectief en efficiënt PI-dieren op te sporen op een bedrijf is kan het programma BVD-vrij (route intake virus, bewaking jongvee antistoffen) worden gevolgd. Als de BVD-situatie op een bedrijf onbekend is, kan middels een BVD QuickScan op een snelle en relatief eenvoudige manier eerst een indicatie worden verkregen van de BVD-seroprevalentie op het bedrijf en mogelijke aanwezigheid van PI’s. Mochten er aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van PI-dieren dan kan vervolgens worden gestart met het programma BVD-vrij (route intake virus, bewaking jongvee antistoffen). Indien er geen aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van PI-dieren op een bedrijf dan kan de veehouder ook kiezen voor het volgen van andere programma's, zie:

Monitoring

Bewaking BVD-vrijstatus
Als een bedrijf de BVD-vrij status heeft behaald, dan kan de deze status op verschillende manieren worden bewaakt. De veehouder kan zelf een keuze maken uit één van devolgende opties:

Bewaking via BVD-virusonderzoek: zie BVD-vrij (route oorbiopten)

Bewaking via antistoffenonderzoek: zie BVD-vrij (route jongvee antistoffen bewaking) of BVD-vrij (route tankmelk)

 

Bewaking gunstige BVD-status

Indien een bedrijf nog geen BVD-vrije status heeft behaald, echter er zijn geen aanwijzingen voor BVD-virus circulatie (bv. door middel van en gunstige BVD-Quickscan uitslag), dan kan de gunstige situatie bewaakt worden middels de volgende programma's:

Voor alle drie bovenstaande routes geldt dat deze uiteindelijk de BVD-vrije status voor een bedrijf oplevert.

 

Vaccinatie
Naast de bovenstaande genoemde pijlers biosecurity, opsporen en afvoeren van BVD-dragers en monitoring, kan vaccinatie als vierde element worden ingezet bij een effectieve BVD-bestrijding. Uit de zogenaamde specifieke monitoring 2015, die GD tweejaarlijks uitvoert als onderdeel van de diergezondheidsmonitoring, blijkt dat de landelijke prevalente van melkveebedrijven met een indicatie voor BVD-viruscirculatie 8,7 procent bedraagt. De prevalentie in de niet-melkleverende sector in zijn geheel bedraagt 14,5 procent. Gezien de besmettingsgraad van BVD in Nederland kan geen garantie worden gegeven tegen (her)introductie van BVD-virus op (vrije) bedrijven. Vooral op bedrijven met een reëel of groot besmettingsrisico (zie Checklist BVD-preventie) kan bedrijfsvaccinatie de gevolgen van insleep beperken.

Terug naar het begin van dit artikel

Tips voor het insturen van oorbiopten


Het nemen van een oorbiopt is een relatief eenvoudig en gaat in één handeling met het aanbrengen van een oormerk. Hieronder enkele aandachtspunten die van belang zijn om het biopt op juiste wijze te nemen, te bewaren en te versturen:

  • Het metalen buisje waar het biopt in zit heeft scherpe randen en kan voor verwondingen zorgen bij het openen van de envelop. Let er dus op dat dit metalen buisje met het bijbehorende plastic buisje goed wordt afgesloten;
  • Een biopt van een BVD-drager bevat zeer veel virus, voorkom dat de monsters elkaar 'besmetten'. Stop het buisje in het bijgevoegde plastic zakje en plak de retourenvelop goed dicht;
  • Als er per ongeluk een bloedvat geraakt is en er bloed bij het biopt gekomen is, is het onderzoek minder betrouwbaar en moet er een bloedmonster onderzocht worden wanneer het kalf een maand oud geworden is.

Een oorbiopt nemen in 6 stappen:

  1. Bestel bij uw leverancier de speciale tang en de speciale oormerken. Voor de kalveren die u niet aanhoudt, kunt u normale oormerken gebruiken.
  2. Plaats de beide helften van het oormerk in de tang.
  3. Breng het oormerk op de vertrouwde manier aan.
  4. Het biopt zit nu zichtbaar in de bioptnaald.
  5. Duw de biopt – zonder deze met de handen aan te raken – in het buisje. Sluit het buisje goed.
  6. Stuur het buisje op naar de GD. U kunt ook meerdere buisjes tegelijk insturen. U kunt de biopten twee weken in de koelkast bewaren.

Meer informatie over BVD oorbiopten

Terug naar het begin van dit artikel

Oude browser

We zien dat u gebruik maakt van een verouderde browser. Niet alle onderdelen van de website zullen daardoor goed functioneren. Download nu de laatste versie van uw browser om veilig te kunnen surfen.