Zoomfunctie

Moeite met het lezen van de tekst? Vrijwel alle populaire browsers geven u controle over hoe groot websites worden weergegeven.

  • Windows
    Mac OS
  • Zoom in
  • Zoom uit
  • Zoom 100%
  • Muiswiel op / neer
Samen werken aan diergezondheid

Informatie over Bovine Spongiform Encephalopathy

Bovine Spongiform Encephalopathy (BSE) is een langzaam verlopende aandoening van het centrale zenuwstelsel bij runderen, die uiteindelijk tot de dood leidt.

Direct naar:

Verschijnselen

De verschijnselen van BSE treden meestal op vanaf de leeftijd van drie jaar. De dieren zijn bij aanvang van de verschijnselen gemiddeld vier jaar oud en kunnen in een periode van 2 weken tot enkele maanden de volgende verschijnselen gaan vertonen: 
  • Stadium 1: gedragsverandering (angst, zeer alert, slaan, ontwijken veehouder, anders dan voorheen reageren op bedrijfsroutine);
  • Stadium 2: neurologische verschijnselen (spiertrillingen, afwijkende gang, spontaan vallen);
  • Stadium 3: verandering in reactie op prikkels (aanraken, geluid en licht);
  • Stadium 4: steeds moeilijker overeind komen, totdat de dieren niet meer kunnen staan (vijftig procent van de dieren wordt pas in dit stadium opgemerkt).

Oorzaak

De verwekker van BSE is een prion. Dit prioneiwit is zeer resistent tegen verhitting en de meeste desinfectiemiddelen.

 

Besmettingsroute

Bij het rund wordt diermeel in voer als voornaamste besmettingsbron beschouwd. Waarschijnlijk is een éénmalige opname op jonge leeftijd van vijftig tot tweehonderd gram besmet diermeel voldoende voor besmetting.

 

Schade

De ziekte is voor het eerst geconstateerd in 1986 in Engeland. Na een aanvankelijke scherpe stijging, neemt het aantal gevallen van BSE nu jaarlijks af. In 2006 zijn er in Nederland slechts twee gevallen van BSE geconstateerd. Deze dieren zijn opgespoord in het slachthuis via de snelle test. Ook zijn de runderen waarbij BSE wordt geconstateerd steeds ouder. In de rest van Europa lijkt BSE ook op z'n retour.

 

Gevolgen voor de mens

De verdenking is groot dat de BSE-epidemie in Groot-Brittannië aanleiding is geweest voor het ontstaan van een nieuwe variant van de ziekte van Creutzfeld Jacob bij de mens (vCJD). De eventuele relatie tussen de ziektes BSE en vCJD wordt op dit moment verder onderzocht. Om elk risico van overdracht uit te sluiten, moeten slachthuizen hersenen, ruggenmerg, milt en ogen uit de karkassen van schapen, geiten en runderen ouder dan één jaar verwijderen en laten vernietigen als specifiek risicomateriaal.

Terug naar het begin van dit artikel

Diagnose van BSE


Diagnostische testen voor het vaststellen van BSE aan het levende dier zijn niet beschikbaar. De waarschijnlijkheidsdiagnose bij het levende dier wordt daarom vastgesteld op basis van de klinische verschijnselen. De definitieve diagnose kan alleen aan het dode dier worden gesteld. 


Risicofactoren voor BSE


Het gebruik van diermeel in rundveevoeders in het verleden wordt gezien als de veroorzaker van BSE. Dit is dan ook sinds maart 1999 verboden voor rundvee en vanaf december 2000 voor alle landbouwhuisdieren. 

Aanpak van BSE


BSE is aangifteplichtig. Dit betekent dat bij een verdenking NVWA (Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit) moet worden ingeschakeld. Verdachte dieren worden overgenomen door de overheid en bij een aangetoonde besmetting worden ook dieren met een verhoogd risico overgenomen en vernietigd. De NVWA is belast met de uitvoering.

 

Slachtlijn- en destructieonderzoek

Eerder werden alle geslachte dieren ouder dan 72 maanden via een snelle test gecontroleerd op BSE. Bovendien werden alle voor destructie aangeboden dieren ouder dan 48 maanden aan deze test onderworpen.
Sinds 1 februari 2013 worden in Europa-25 (excl. Roemenie en Bulgarije) nog slechts de risicogroepen (gestorven dieren en klinische verdenkingen) onderzocht en geen geslachte gezonde runderen meer.

 

Verdachte dieren

Klinisch verdachte dieren moeten worden gemeld bij het Centraal Meldpunt Dierziekten (0800-0488). Vervolgens worden deze dieren beoordeeld door een zogenaamd specialistenteam, bestaande uit een dierenarts van NVWA en de practicus. Als BSE niet kan worden uitgesloten, wordt het dier overgenomen door de NVWA en voor onderzoek aangeboden aan het WBVR in Lelystad. Het betreffende bedrijf wordt ‘op slot’ gezet tot de uitslag bekend is.

 

Besmet dier

Blijkt uit onderzoek van het WBVR in Lelystad dat het dier besmet is, dan worden alle dieren met een verhoogd BSE-risico op gebruikswaarde getaxeerd en door NVWA overgenomen. Van al deze geruimde dieren wordt hersenmateriaal onderzocht op BSE en de karkassen worden adequaat vernietigd (verbrand). De overige op het bedrijf aanwezige dieren worden door EL&I in het I&R-systeem gemerkt. Deze dieren komen niet in aanmerking voor levende export naar specifieke landen. Melk- en vleesproducten van gedeeltelijk geruimde bedrijven worden door het bedrijfsleven afgenomen. Eventuele extra kosten worden door het bedrijfsleven gedragen. Tot nu toe zijn op geen enkel bedrijf in Nederland waar BSE bij een rund is vastgesteld, andere met BSE besmette dieren gevonden.

Terug naar het begin van dit artikel

Oude browser

We zien dat u gebruik maakt van een verouderde browser. Niet alle onderdelen van de website zullen daardoor goed functioneren. Download nu de laatste versie van uw browser om veilig te kunnen surfen.