Malleus (Kwade Droes)

Zoomfunctie

Moeite met het lezen van de tekst? Vrijwel alle populaire browsers geven u controle over hoe groot websites worden weergegeven.

  • Windows
    Mac OS
  • Zoom in
  • Zoom uit
  • Zoom 100%
  • Muiswiel op / neer
DAP Contact. voor dierenartsen

Malleus (Kwade Droes)

Kwade droes (malleus, glanders) is primair een besmettelijke en fatale bacteriële ziekte bij paarden, ezels en muilezels, veroorzaakt door de bacterie

Burkholderia mallei

. De ziekte veroorzaakt knobbels en zweren in de voorste luchtwegen, de longen, de huid en soms diverse andere organen. De bacterie is ook voor carnivoren en mensen dodelijk, waardoor hij sinds de oudheid beschouwd wordt als een potentieel bioterroristisch agens, evenals de verwante kiem

Burkholderia pseudomalleï

, de veroorzaker van melioïosis. Sinds halverwege de vorige eeuw is de ziekte in de meeste ontwikkelde landen uitgeroeid.

Direct naar:

De kiem

De bacterie Burkholderia mallei was voorheen beter bekend als Pseudomonas malleï. De kiemen worden in uitstrijkjes van verse zweren en zwellingen soms in overvloed aangetoond, maar vaker worden er slechts zeer beperkte aantallen kiemen in laesies gevonden. Deze kunnen worden gekleurd met methyleenblauw en Gramkleurstof. De kiemen bevinden zich voornamelijk extracellulair. Het zijn rechte Gram-negatieve staafjes met afgeronde uiteinden, 2-5 µm lang en 0,3 tot 0,8 µm dik. Zij hebben geen kapsel en vormen geen sporen. Toch worden ze beschermd tegen uitwendige invloeden door een soort hulsje van koolhydraten. De bacteriën zijn onbeweeglijk omdat ze geen flagellen hebben. In weefselcoupes zijn ze moeilijk te vinden. De kweek is aeroob op schapenbloed-agar met - bij voorkeur - toevoeging van glycerol, waarbij na 48 uur bij 37 graden Celsius heel kleine kolonies zichtbaar zijn. De bacterie is goed te typeren middels de biochemische reacties in het API NE-systeem. Tegenwoordig zijn daarnaast goede PCR's beschikbaar, ook om te differentieren tussen B. mallei en B. pseudomallei, de veroorzaker van melioidosis.

Gevoelige diersoorten

Naast paarden, ezels en muilezels kunnen ook honden, katten, geiten, schapen en kamelen worden besmet, evenals wilde diersoorten (onder andere in dierentuinen) als beren, wolven en katachtigen. Carnivoren worden besmet door het eten van besmet vlees. Koeien, varkens en vogels zijn ongevoelig voor de infectie. Van de laboratoriumdieren zijn hamsters en cavia’s het meest gevoelig. Mensen worden besmet door direct contact met zieke dieren of besmette materialen of door aerogene infectie (bioterrorisme).

Burkholderia mallei

is tijdens de Eerste en Tweede Wereldoorlog gebruikt als biologisch wapen tegen legerpaarden en mensen. De voormalige Sovjet Unie zou

Burkholderia mallei

ook als biologisch wapen gebruikt hebben in Afghanistan tussen 1982 en 1984. Vooral verzorgers en dierenartsen van besmette paarden en laboratoriummedewerkers die werken met besmet materiaal lopen risico op infectie. Van de onbehandelde mensen sterft 95% binnen 3 weken.

Volksgezondheid

Materiaal van besmette dieren is zeer besmettelijk voor mensen en mag daarom uitsluitend worden behandeld door laboratoria met een erkenning voor groep 3-pathogenen. Het is een zeer gevaarlijke infectie voor mensen. Alleen met een vroege behandeling met een combinatie van verschillende systemische antibiotica kan (humane) sterfte worden voorkomen, maar ook dan nog kan een chronische infectie met abcessen ontstaan. De ziekte komt nog voor in enkele Aziatische, Afrikaanse en Zuid-Amerikaanse landen en in het Midden-Oosten. Transmissie van mens naar mens treedt overigens nauwelijks op; er zijn slechts enkele gevallen beschreven bij familieleden die patiënten verpleegden. 

Overleving

Hoewel de bacterie wordt afgedood door hitte en zonlicht, kan de overleving onder gunstige omstandigheden (koel, vochtig) maanden en volgens sommigen zelfs een jaar zijn. Onder voor de bacterie ongunstige omstandigheden is de overleving maximaal twee weken. 


Desinfectie

De bacterie is gevoelig voor de meeste gebruikelijke ontsmettingsmiddelen zoals benzalkoniumchloride, 1% natriumhypochloriet, 70% alcohol, 2% glutaaraldehyde, jodium, kwikchloride in alcohol en kaliumpermagnaat. Fenolen werken minder goed. Verhitting gedurende 10 minuten bij 55 graden Celsius of meer en UV-bestraling zijn ook effectief om de bacterie te doden.


Terug naar het begin van dit artikel

Verschijnselen van Malleus


Klinisch beeld

Kwade droes wordt gekenmerkt door de vorming van knobbelvormige laesies in de longen en zweren in de slijmvliezen van de voorste luchtwegen. De acute vorm van Kwade droes geeft hoesten, koorts en neusuitvloeiing. Daarna volgt binnen enkele dagen sepsis en sterfte. Deze acute vorm wordt vooral gezien bij ezels en muildieren. De chronische vorm geeft nasale en subcutane knobbels die doorbreken tot zweren. Sterfte kan nog na maanden optreden, maar ook kunnen dieren de infectie overleven en dragers worden. Deze chronische vorm wordt vooral gezien bij paarden. Naast paarden, ezels en muildieren zijn vooral katachtigen en mensen gevoelig.


Paarden en paardachtigen

Bij equiden (paard, ezel, muilezel) onderscheiden we een nasale, een pulmonaire en een cutane vorm. Bij de nasale vorm zien we diepe zweren en knobbels in de neusholten met een dikke purulente witgele neusuitvloeiing met soms bloed erin. Deze uitvloeiing kan eenzijdig of beiderzijds zijn. De submaxillaire lymfeklieren zijn vergroot, verhard en breken soms door. Bij de pulmonaire vorm ontwikkelen zich knobbels en abcessen in de longen met soms geringe benauwdheid en soms ernstige respiratoire verschijnselen zoals hoesten, benauwdheid en periodieke koortspieken. Bij de cutane vorm (farcy) zitten er knobbels in de huid in het verloop van de lymfebanen die doorbreken en waaruit een olieachtig stinkend geel purulent exsudaat komt. In de chronische fase is sprake van een geleidelijke uitmergeling met hoestklachten, benauwdheid en intermitterende koortsperiodes. Gezwollen lymfeklieren, chronische neusuitvloeiing en zweren, knobbels en stervormige littekens op het neusslijmvlies zijn de uitwendige symptomen. Door progressie van de chronische vorm sterft het dier meestal binnen 5 jaar. Daarnaast komt een latente vorm voor met alleen maar neusuitvloeiing en geforceerde ademhaling met uitsluitend longlaesies. Bij paarden kunnen ook atypische vormen van kwade droes voorkomen. Verdegaal et al. (proceedings Xth EIDC, 2016) beschreven 22 seropositieve paarden die alleen verschijnselen lieten zien als koorts of enige neusuitvloeiing of een gezwollen achterbeen of een huidzweer, of die positief getest werden voor export. Vijf atypische gevallen die in meer detail gevolgd en beschreven werden, ontwikkelden uiteindelijk allemaal na maanden tot jaren duidelijke ziekteverschijnselen. Herkenbare verschijnselen van kwade droes en daarmee samenhangend een definitieve diagnose kunnen lang op zich laten wachten, afhankelijk van toediening antibiotica, virulentie van de betreffende stam, lage prevalentie, eigenaren en veterinairen die onbekend zijn met deze aandoening, fluctuerende antistoftiters en matige sensitiviteit van serologische testen.


Katten en katachtigen

Bij katten en katachtigen komen knobbels en zweren voor in de neusholten en op de slijmvliezen, maar ook in de diepere luchtwegen. De dieren hebben een typische purulente witgele neusuitvloeiing met bloedbijmenging. De lymfeklieren zijn gezwollen, de dieren zijn benauwd en sterven binnen 1 tot 2 weken.


Mensen

Bij mensen kan de ziekte zich in vier vormen voordoen: septikemie, longontsteking, acute - en chronische gelokaliseerde infectie. De septikemische vorm met koorts, rillingen, spierpijn, en pijn in de borst ontwikkelt zich snel met een dodelijke afloop na 24 tot 48 uur door een algemeen orgaanfalen. De pulmonale vorm, door inhalatie van de kiem, geeft longabcessen en longontsteking met koorts, hoesten, pijn in de borst en benauwdheid. Zonder behandeling gaat deze vorm over in de septikemische vorm. De gelokaliseerde infectie wordt gekenmerkt door knobbels, abcessen en zweren in slijmvliezen, huid, lymfevaten en onderhuids bindweefsel, vergezeld van koorts, zweten, malaise, zwelling van de lymfeklieren en purulente uitvloeiing uit de laesies. Bij veel humane patienten wordt een korte periode van ogenschijnlijk herstel gerapporteerd, waarna de tweede fase van de ziekte intreedt. Na 1 tot 4 weken verspreiden de abcessen zich verder naar de inwendige organen met de septicemische vorm als gevolg. In de chronische vorm kan de ziekte wel 25 jaar duren met vermagering, lymfeklierontstekingen en overal in het lichaam verspreide abcessen. Veel organen kunnen hierbij aangetast zijn, zoals de huid, de subcutane weefsels, de lever, de nier, de milt, het maagdarmkanaal, de luchtwegen, de longen en de skeletspieren. In het kader van biologische oorlogsvoering (waarschijnlijk aerogene verspreiding) is de pulmonale vorm het meest waarschijnlijk.


Morbiditeit/mortaliteit

De ziekte kan zich snel verspreiden als grote aantallen paarden nauw contact met elkaar hebben. De morbiditeit bleek bij experimenten 30% te zijn. De mortaliteit is 95%. Acute infecties zijn vrijwel altijd op korte termijn dodelijk. Dieren met de chronische vorm kunnen echter nog jaren overleven en daarmee een risico vormen voor overdracht van de infectie.


Uitscheiding van de kiem

De uitscheiding van de kiem kan levenslang duren, dus alle besmette dieren dienen te worden opgespoord en geëuthanaseerd, en de kadavers vernietigd.


Differentiaaldiagnostiek

De differentiaaldiagnostiek omvat de volgende aandoeningen:
  • ‘Gewone’ droes (Streptococcus equi subsp. equi)
  • Ulceratieve Lymphangitis (Corynebacterium pseudotuberculosis)
  • Pseudotuberculose (Yersinia pseudotuberculosis)
  • Sporotrichose (Sporotrichum spp)Alle chronische infecties van het neusslijmvlies en de sinussen

Terug naar het begin van dit artikel

Diagnostiek van Malleus


Pathologie

Zweren, knobbels en/of stervormige littekens kunnen worden gevonden in de neusholten, sinussen, trachea, pharynx en larynx. Ook kunnen grijze knobbels aangetroffen worden in andere weefsels, vooral in de longen, lever, milt en nieren. Knobbels zijn stevig, rond, ongeveer 1 centimeter groot en bevatten in het centrum een verkaasde of verkalkte inhoud. Ze worden omgeven door een ontstekingszone. In de acute fase kan ook een catarrhale bronchopneumonie met vergrootte lymfeklieren worden gezien. Experimenteel werd door de infectie ook ernstig diffuus longoedeem opgewekt met longbloedingen, longatelectase en pneumonie. De lymfeklieren kunnen gezwollen zijn met abcessen erin. Gezwollen lymfevaten met ketens van knobbels, al dan niet geulcereerd, kunnen in de huid voorkomen. Bij hengsten kan orchitis worden gezien worden. Bij katten kunnen knobbels en zweren worden aangetroffen in de neusholte, slijmvliezen, larynx, trachea en bronchi.


Isolatie van de kiem

B. malleï

kan worden gekweekt uit verse zweren en/of respiratoire uitvloeiing. De bacterie kan gekweekt worden op normale media met bloed-agar, maar groeit langzaam. Een kweekduur van 48 uur wordt aanbevolen. Met de PCR (Bauernfeind A et al., 1998) is onderscheid te maken tussen

B. malleï

en

B. pseudomalleï

. Recent zijn ook diverse real-time PCR’s beschreven voor detectie en differentiatie van deze species (zie verder de referenties).

Serologie

De meest accurate serologische testen bij paarden zijn de Complement Bindings Reactie (CBR/CFT) en de ELISA. De CFT werd al in 1909 ontwikkeld. Met deze serologische test kan geen betrouwbaar onderscheid worden gemaakt tussen

B. malleï

en

B. pseudomalleï

. Western blot wordt daarom wel als confirmatietest gebruikt. Ook zijn cELISA’s ontwikkeld (Wernery et al.) die betrouwbaarder zouden zijn dan de CBR/CFT, die nog wel eens fout-positieve reacties geeft. De CFT kan een goede sensitiviteit en specificiteit hebben, maar dit is sterk afhankelijk van de gebruikte reagentia, met name het antigeen en de positieve en negatieve referentie sera, en het protocol. Bovendien kunnen paarden – en met name ezels en muildieren – een anticomplementaire reactie vertonen in de CFT, waardoor het testresultaat niet af te lezen valt. Momenteel wordt een door de OIE betaald project uitgevoerd, waarbij door een internationaal consortium referentiesera verzameld worden en een volledige validatie volgens OIE normen wordt uitgevoerd van CFT, cELISA en Western Blot. Hierbij wordt ook aandacht besteed aan harmonisatie en standaardisatie van CFT protocollen. In 2019 werden de resultaten van deze studie gepubliceerd, waarbij de CFT, Western Blot en vijf verschillende ELISAs geevalueerd werden met behulp van sera afkomstig van 3000 glanders negatieve en 254 glanders positieve paarden. Hierbij bleek de sensitiviteit en specificiteit van de CFT respectievelijk 98% en 96.4% te zijn, van de Western Blot 96.8% en 99.4%, van de Hcp1-ELISA 95.3% en 99.6% en van de IDVet-ELISA 92.5% en 99.5%. De gevoeligheid van de andere ELISAs was te laag. De genoemde testen zouden verder gevalideerd moeten worden om aan de OIE eisen te voldoen. Acceptatie van nieuwe testen in het officiële handelsverkeer kan echter lang op zich laten wachten.

Allergietest

De malleïnetest, een huidtest om een vertraagd type overgevoeligheid tegen

B. malleï 

te meten, wordt ook gebruikt om besmette paarden te identificeren. Deze test werd overigens al in 1890 ontwikkeld door Helman in Sint Petersburg, die daarbij dezelfde methoden gebruikte die door Koch waren ontwikkeld om tuberculine te produceren. Aan het einde van de negentiende eeuw werd deze test in Europa al grootschalig ingezet bij de bestrijding en uitroeiing van kwade droes. De intrapalpebrale injectie van een proteïnefractie van

B. malleï

in het ooglid geeft na 1 tot 2 dagen een duidelijke zwelling van het ooglid. Ook toepassing via oogdruppels met conjunctivitis als gevolg of subcutane injectie met een stevige pijnlijke zwelling als reactie, zijn mogelijk om besmette dieren te detecteren. De malleïne test geeft echter een serologische respons en kan daarom interfereren met serosurveillance en export. Tevens kan de malleïnetest onbetrouwbare/moeilijk te interpreteren resultaten geven zowel in acute als in chronische stadia van de ziekte. Malleïne is verkrijgbaar bij het CVI in Lelystad.

Terug naar het begin van dit artikel

Prevalentie van Malleus


Nederland

Kwade droes komt niet voor in Nederland.


Andere landen

Europa

Kwade droes kwam vele jaren niet voor in landen van de EU. In januari 2015 werd echter een geïsoleerd geval van kwade droes vastgesteld in Duitsland, het eerste geval in dat land sinds 1955. Kwade droes werd vastgesteld bij een klinisch gezond paard tijdens een routine-'pre-export'-onderzoek. Het paard was CFT-positief, hetgeen bevestigd werd door Western Blot. Het paard werd geëuthanaseerd en zeer grondig onderzocht, waarbij alle inwendige organen PCR-negatief scoorden, maar een zwak positief PCR-resultaat gevonden werd in enkele “farcy”-achtige huidlaesies. Dit paard had het land nooit verlaten, al bleken er wel indirecte contacten mogelijk geweest te zijn via verzorgers van andere paarden die teruggekomen waren uit Zuid Amerika. Screening van 398 contact paarden verliep volledig negatief. Duitsland heeft in 2014 en 2015 in het kader van export ongeveer 5000 sera per jaar getest, allemaal met een negatief resultaat. Het land is inmiddels weer vrij verklaard.



Landen buiten Europa

In Turkije en in de vroegere Sovjet Unie is malleus gerapporteerd in de afgelopen 10 jaar. Kwade droes is endemisch in delen van het Midden-Oosten, Azië, Afrika, Centraal-Amerika en Zuid-Amerika. In Brazilië, Eritrea, Ethiopië, Iran, Irak, de Verenigde Arabische Emiraten en Mongolië zijn de afgelopen 10 jaar gevallen van malleus gerapporteerd. In India zijn na de periode 2006 – 2011 waarin diverse uitbraken gerapporteerd warden  gevolgd door een aantal jaren zonder uitbraken in 2017 opnieuw diverse uitbraken in de Noord-Oostelijke staten opgetreden. Kruisreacties met 

B. pseudomalleï

bemoeilijken het vaststellen van de geografische verspreiding met serologische overzichten. In de USA kwam de ziekte in 2000 voor bij een veterinair onderzoeker die met het agens werkte. Voor gedetailleerde informatie over de verspreiding zie: OIE: World Animal Health Situation en OIE bulletin (

www.oie.int

)

Glanders mondiaal 2014 - 2016

Terug naar het begin van dit artikel

Aanpak besmette bedrijven


Vaccinatie

Er zijn geen vaccins beschikbaar.

Antibiotica

Humane gevallen van kwade droes kunnen behandeld worden met antibiotica na een gevoeligheidstest. Geadviseerd wordt een langdurig gebruik en/of afwisseling of combinaties van antibiotica (zie hieronder tabel 2 uit Van Zandt et al. Glanders: an overview of infection in humans). Abcessen kunnen worden gedraineerd. Dieren die besmet zijn met kwade droes worden geëuthanaseerd in alle landen waar de ziekte niet endemisch is.

Glanders treatment recommendations humans 

Overige maatregelen

Bescherming van paarden
Bij een uitbraak worden besmette dieren geëuthanaseerd en de kadavers verbrand. De bedrijven worden geblokkeerd en grondig gereinigd en ontsmet. Alle strooisel en voeders worden verbrand. Alle stalgereedschappen en dergelijke worden grondig ontsmet. Gevoelige dieren moeten enkele maanden worden weggehouden van deze bedrijven. Door regelmatig testen en euthanasie van testpositieve dieren kan de ziekte weer worden uitgeroeid. 

Algemene maatregelen
Algemene maatregelen zijn: quarantainemaatregelen, eventueel transportverboden en screening (malleïnetest en serologisch) om geïnfecteerde paarden op te sporen en de uitbraak snel tot stilstand te brengen.

Maatregelen in kader volksgezondheid

Zie eerder beschreven mogelijkheden voor behandeling. Alle personen die in contact gekomen zijn met besmette dieren, en mogelijk hun directe humane contacten, zullen serologisch gescreend en regelmatig geobserveerd moeten worden. Röntgenfoto’s van de thorax zijn nuttig bij de pulmonale vorm, waarbij beiderzijdse bronchopneumonie, kleine knobbeltjes en cavitaties (laesies met holtevorming) gezien kunnen worden.

Terug naar het begin van dit artikel

Preventie van Malleus


Bedrijfshygiëne/insleeppreventie

Om introductie op een bedrijf of in een regio te voorkomen, zijn er strenge importbepalingen voor derde landen of landen waar kwade droes voorkomt.

Vaccinatie

Er zijn geen vaccins tegen kwade droes beschikbaar.
Nederland is vrij van malleus. Importbepalingen moeten introductie voorkomen. Doordat kwade droes aangifteplichtig en bestrijdingsplichtig is volgens artikel 15 van de GWWD, moet een eventuele introductie worden gevolgd door euthanasie van besmette dieren, een strenge isolatie, een uitgebreid testregime en eliminatie van testpositieven.

Terug naar het begin van dit artikel

Regelgeving


Nederlands recht

Kwade droes is in Nederland volgens art. 15 GWWD een aangifteplichtige en bestrijdingsplichtige ziekte en een aangifteplichtige ziekte bij de OIE. Verdenkingen van kwade droes moeten direct worden gemeld bij de NVWA. Monsters dienen pas na de melding te worden genomen. Monstername dient zeer secuur en met de nodige voorzorgen te geschieden. Monsters dienen direct naar het CVI in Lelystad te worden gebracht.

Europees recht

Burkholderia mallei komt voor op de lijst van ‘goederen’ die zijn opgenomen in bijlage I bij Besluit 1999/193/GBVB van de Raad van 9 maart 1999 tot wijziging van Besluit 94/942/GBVB betreffende het Gemeenschappelijk optreden. Dit is door de Raad vastgesteld op grond van artikel J.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ten aanzien van de controle op de uitvoer van goederen voor tweeërlei gebruik. 

Internationaal

Het verkeer van paarden binnen de EU en de invoer van paarden vanuit derde landen is geregeld in Richtlijn 90/426/EEG van de Raad van 26 juni 1990 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het verkeer van paardachtigen en de invoer van paardachtigen uit derde landen. Hierin staan alleen specifieke bepalingen voor Afrikaanse paardenpest, VEE, dourine en kwade droes genoemd, zoals hieronder aangegeven. Wel kunnen volgens artikel 13 lid 2b aanvullende waarborgen geëist worden voor ziekten die in de Gemeenschap exotisch zijn.
Artikel 13
1. De paardachtigen moeten afkomstig zijn uit derde landen:
a) welke vrij zijn van paardenpest;
b) welke sedert twee jaar vrij zijn van Venezolaanse paardenencefalomyelitis (VEE);
c) welke sedert zes maanden vrij zijn van dourine en van kwade droes.
2. Volgens de procedure van artikel 24 kan de Commissie
a) beslissen dat lid 1 slechts voor een gedeelte van het grondgebied van een derde land geldt. In geval van regionalisering van de vereisten ten aanzien van paardenpest dienen ten minste de in artikel 5, leden 2 en 3, genoemde maatregelen in acht te worden genomen;
b) aanvullende waarborgen eisen voor ziekten die in de Gemeenschap exotisch zijn. 

Terug naar het begin van dit artikel

Websites en literatuur


Websites 

Literatuur

  1. Bauernfeind A, Roller C, Meyer D, Jungwirth R, Schneider I. 1998. Molecular procedure for rapid detection of Burkholderia mallei and Burkholderia pseudomallei. Clin. Microbiol. 36: 2737-2741.
  2. Biberstein EL, Holzworth J. In: Holzworth J, editor. Diseases of the cat. Philadelphia: WB Saunders; 1987. Bacterial diseases: Glanders; p. 296.
  3. Bossi P, Tegnell A, Baka A, Van Loock F, Hendriks J, Werner A, Maidhof H, Gouvras G; Task Force on Biological and Chemical Agent Threats, Public Health Directorate, European Commission, Luxembourg. Bichat guidelines for the clinical management of glanders and melioidosis and bioterrorism-related glanders and melioidosis. Euro Surveill. 2004;9:E17-8.
  4. Bowers JR, Engelthaler DM, Ginther JL, Pearson T, Peacock SJ, Tuanyok A, Wagner DM, Currie BJ, Keim PS. BurkDiff: a real-time PCR allelic discrimination assay for Burkholderia pseudomallei and B. mallei. PLoS One. 2010 Nov 12;5(11).
  5. Derbyshire JB. The eradication of glanders in Canada. Can Vet J. 2002;43:722-726.
  6. Elschner MC, Laroucau K, Singha H, Tripathi BN, Saqib M, Gardner I, Saini S, Kumar S, El-Adawy H, Melzer F, Khan I, Malik P, Sauter-Louis C, Neubauer H.
    Evaluation of the comparative accuracy of the complement fixation test, Western blot and five enzyme-linked immunosorbent assays for serodiagnosis of glanders. PLoS One. 2019 Apr 5;14(4)
  7. Fritz DL, Vogel P, Brown DR, Waag DM: The hamster model of intraperitoneal Burkholderia mallei (glanders). Vet Pathol 36:276-291, 1999.
  8. Gonzalez-Medina S, Toth B, Mawhinney I. Surveillance focus: glanders. Vet Rec. 2015 Jul 8;177(3):68-9.
  9. Janse I, Hamidjaja RA, Hendriks AC, van Rotterdam BJ. Multiplex qPCR for reliable detection and differentiation of Burkholderia mallei and Burkholderia pseudomallei. BMC Infect Dis. 2013 Feb 14;13:86.
  10. Jones BV. Glanders and history. Vet Rec. 2016 Jun 25;178(26):664.Khaki P, Mosavari N, Khajeh NS, Emam M, Ahouran M, Hashemi S, Taheri MM, Jahanpeyma D, Nikkhah S. Glanders outbreak at Tehran Zoo, Iran. Iran J Microbiol. 2012 Mar;4(1):3-7.
  11. Khan I, Wieler LH, Melzer F, Elschner MC, Muhammad G, Ali S, Sprague LD, Neubauer H, Saqib M. Glanders in animals: a review on epidemiology, clinical presentation, diagnosis and countermeasures. Transbound Emerg Dis. 2013 Jun;60(3):204-21.
  12. Kettle AN, Wernery U. Glanders and the risk for its introduction through the international movement of horses. Equine Vet J. 2016 Sep;48(5):654-8.
  13. Laroucau K, Colaneri C, Jaÿ M, Corde Y, Drapeau A, Durand B, Zientara S, Beck C; European Union laboratories involved in glanders serodiagnosis. Interlaboratory ring trial to evaluate CFT proficiency of European laboratories for diagnosis of glanders in equids. Vet Rec. 2016 Jun 18;178(25):632.
  14. Lee MA, Wang D, Yap EH. Detection and differentiation of Burkholderia pseudomallei, Burkholderia mallei and Burkholderia thailandensis by multiplex PCR. FEMS Immunol Med Microbiol. 2005;43:413-417.
  15. Lopez J, Copps J, Wilhelmsen C, Moore R, Kubay J, St-Jacques M, Halayko S, Kranendonk C, Toback S, DeShazer D, Fritz DL, Tom M, Woods DE. Characterization of experimental equine glanders. Microbes Infect. 2003;5:1125-1131.
  16. Lowe W, March JK, Bunnell AJ, O'Neill KL, Robison RA. PCR-based Methodologies Used to Detect and Differentiate the Burkholderia pseudomallei complex: B. pseudomallei, B. mallei, and B. thailandensis. Curr Issues Mol Biol. 2013 Aug22;16(2):23-54.
  17. Malik P. Harmonising diagnostic testing for glanders in equids. Vet Rec. 2016 Jun 18;178(25):630-1.
  18. Neubauer H, Sprague LD, Zacharia R, Tomaso H, Al Dahouk S, Wernery R, Wernery U, Scholz HC. Serodiagnosis of Burkholderia mallei infections in horses: state-of-the-art and perspectives. J Vet Med B Infect Dis Vet Public Health. 2005;52:201-5.
  19. Public Health Agency of Canada. Material Safety Data Sheet – Burkholderia (Pseudomonas) mallei. Office of Laboratory Security; 1999 Nov. Accessed 27 Aug 2007.
  20. Redfearn MS, Palleroni NJ: Glanders and melioidosis. In: Hubbert WT, McCulloch WF, Schnurrenberger PR, editors. Diseases transmitted from animals to man. 6th ed. Springfield, IL: Charles C. Thomas; 1975. p. 110-128.
  21. Sprague LD, Zachariah R, Neubauer H, Wernery R, Joseph M, Scholz HC, Wernery U. Prevalence-dependent use of serological tests for diagnosing glanders in horses. BMC Vet Res. 2009 Sep 1;5:32.
  22. Thibault FM, Hernandez E, Vidal DR, Girardet M, Cavallo JD. Antibiotic susceptibility of 65 isolates of Burkholderia pseudomallei and Burkholderia mallei to 35 antimicrobial agents. J Antimicrob Chemother. 2004;54:1134-8.
  23. Ulrich MP, Norwood DA, Christensen DR, Ulrich RL. Using real-time PCR to specifically detect Burkholderia mallei. J Med Microbiol. 2006 May;55(Pt5):551-9.
  24. Ulrich RL, Ulrich MP, Schell MA, Kim HS, DeShazer D. Development of a polymerase chain reaction assay for the specific identification of Burkholderia mallei and differentiation from Burkholderia pseudomallei and other closely related Burkholderiaceae. Diagn Microbiol Infect Dis. 2006;55:37-45.
  25. Van Zandt KE, Greer MT, Gelhaus HC. Glanders: an overview of infection in humans. Orphanet Journal of Rare Diseases 2013; 8: 131 – 137.
  26. Wernery U, Wernery R, Joseph M, Al-Salloom F, Johnson B, Kinne J, Jose S, Jose S, Tappendorf B, Hornstra H, Scholz HC. Natural Burkholderia mallei infection in Dromedary, Bahrain. Emerg Infect Dis. 2011 Jul;17(7):1277-9.
  27.      World Organization for Animal Health [OIE] . Manual of diagnostic tests and vaccines for terrestrial animals [online]. Paris: OIE; 2004. Glanders. Available at: http://www.oie.int/en/manual-of-diagnostic-tests-and-vaccines-for-terrestrial-animals/
  28. World Organization for Animal Health [OIE] Handistatus II [database online]. OIE; 2004. Available at: http://www.oie.int/hs2/report.asp?lang=en.

Terug naar het begin van dit artikel

Oude browser

We zien dat u gebruik maakt van een verouderde browser. Niet alle onderdelen van de website zullen daardoor goed functioneren. Download nu de laatste versie van uw browser om veilig te kunnen surfen.

GD maakt gebruik van cookies om onze website te analyseren en de functionaliteit te verbeteren. Meer info vind je in ons cookiebeleid.