Echinococcose

Zoomfunctie

Moeite met het lezen van de tekst? Vrijwel alle populaire browsers geven u controle over hoe groot websites worden weergegeven.

  • Windows
    Mac OS
  • Zoom in
  • Zoom uit
  • Zoom 100%
  • Muiswiel op / neer
DAP Contact. voor dierenartsen

Echinococcose

Echinococcose of cystycercose is een chronisch verlopende aandoening die wordt veroorzaakt door Echinococcosus granulosis (rund) of Echinococcosus multilocularis (hond). Na orale opname migreren larvale stadia door de buikholte naar enkele voorkeurslocaties zoals de lever en de longen (ook hersenen is mogelijk). Door de vorming van een met vocht gevulde holte (cyste of blaaswormstadium) wordt functioneel orgaanweefsel verdrongen. De klinische symptomen (o.a. vermagering en/of hersenverschijnselen) worden daarbij vooral veroorzaakt door de locatie, de omvang en het aantal blaaswormen. Wanneer er sprake is van een gering aantal blaaswormen of van een blaas van geringe omvang, kan de aandoening ook symptoomloos verlopen. Voor beide blaaswormen zijn vooral carnivoren (honden, vossen) eindgastheer en kan de mens tussengastheer zijn. Bij E. granulosis kan het rund ook tussengastheer zijn, waarbij zich de blaaswormen in met name lever en longen kunnen ontwikkelen. Echinococcose is een meldingsplichtige ziekte volgens artikel 100 van de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren. Een aangetoonde infectie dient te worden gemeld bij de NVWA.

Direct naar:

The Parasite and Its Life Cycle
E. granulosus is a small tapeworm (approximately 2 to 7 mm in length) with typically three segments and other morphological characteristics which allow a species diagnosis (193). In the natural cycle, dogs and other canids are typical definitive hosts and ungulates (sheep, goats, pigs, horses, etc.) intermediate hosts.The latter harbor the metacestode stage. This stage can also develop in a broad range of other mammals, such as marsupials, hares, rabbits, rodents, carnivores, nonhuman primates, and humans. These and other hosts play a role in the transmission cycle (intermediate hosts) or are dead ends of the development (aberrant hosts).
During the past four decades, considerable phenotypic and genetic variability has been observed within the species E. granulosus and several strains have been identified (150,194, 195210). A common feature of all strains (except the lion strain) is the utilization of dogs and other canids as definitive hosts, but the strains exhibit several differences in intermediate host spectrum, geographic distribution, adult and metacestode morphology, maturation time in definitive hosts, organ localization of metacestodes, and protoscolex production (59). It has to be emphasized that at least seven of nine E. granulosus genotypes are infective to humans. Globally, most human cases of CE are caused by the sheep strain (G1) of E. granulosus. Information on the infectivity of the lion strain and the buffalo strain is not available. Currently, there is no evidence that the horse strain is infective rel="noopener noreferrer" to humans (59,195). This strain is widespread and common in Ireland, but to date autochthonous cases of human CE have not been observed. However, definitive conclusions regarding the infectivity of the horse strain should not be drawn unless strain typing has been performed for a larger number of human CE cases. An example in this respect is the camel strain of E. granulosus. Earlier, it was assumed that humans may not be susceptible to the autochthonous camel strain in Kenya since all 42 E. granulosus isolates of human origin were typed by restriction rel="noopener noreferrer" fragment length rel="noopener noreferrer" polymorphism-PCR as the sheep strain (216). However, the camel strain has recently rel="noopener noreferrer" been identified in human rel="noopener noreferrer" CE cases in Argentina, Nepal, and Iran (64,175,195,224). According to Thompson and McManus (195) and Le et al. (128), special features revealed by genetic comparisons and phylogenetic analyses would justify recognition of the horse and the cattle strain of E. granulosus as separate species, namely, E. equinus and E. ortleppi, respectively. See also at the bottom of the page for a figure of the cycle.

De kiem

Echinonococcus behoort tot de parasietenklasse Cestoda en de familie Taeniidae. De Taeniidae zijn als lintworm in de eindgastheer slechts een 0.5-1 cm lang en met het oog nauwelijks te herkennen in de ontlasting. Bij E. granulosus bestaat dit stadium van de worm uit een scolex (=kop) en 3 tot 4 segmenten, waarbij het laatste deel (de helft van de worm) de infectieuze eieren in de vorm van rijstekorrels (500-700 per worm) bevat die met het voer door de runderen kunnen worden opgenomen.
Tegenwoordig kunnen 10 verschillende varianten van E. granulosus worden onderscheiden met behulp van DNA-analysetechnieken. Deze varianten worden ook wel genotypen (G1-G10) genoemd. E. multilocularis is volledig vergelijkbaar met E. granulosus, alleen de lengte van de worm is wat korter in de eindgastheer (hond en kat). E. oligarthrus en E. vogeli met 10 versch. genotypen zijn andere voorkomende typen 

Gevoelige diersoorten

Voor 1945 kwam E. granulosus in Nederland endemisch voor bij schapen, runderen, paarden en varkens (Tenhaef, 1937). Andere diersoorten die als tussengastheer kunnen optreden zijn het kameel, de buffel, het hert en de leeuw.

Volksgezondheid

Het belang van echinococcose is gelegen in het gegeven dat naast bovengenoemde diersoorten ook de mens op kan treden als tussengastheer. Dus ook bij de mens kunnen zich in met name de viscerale organen (longen, lever) blaaswormen vormen, hetgeen kan leiden tot disfunctie van die organen enerzijds en een overgevoeligheid anderzijds.

Overleving

De door honden uitgescheiden eieren van het lintwormstadium Taeniidae zijn zeer resistent en kunnen jaren in een omgeving overleven. Ze blijven daarbij infectieus na opname door bijvoorbeeld runderen en mensen (bekend is de besmetting via het eten van bramen, bosbessen etc.).

Desinfectie

Infectieuze stadia voor rund en mens bevinden zich met name op het gras en/of grassilage en vruchten uit de natuur. Ontsmetting is hier natuurlijk niet aan de orde.

Terug naar het begin van dit artikel

Verschijnselen van echinococcose


 

De incubatieperiode van echinococcose varieert van 6-12 maanden. De hydatide cyste heeft die tijd nodig om te matureren en te ontwikkelen tot een steeds groter wordende met vocht gevulde cyste. De diameter van de cyste kan variëren van 2-20 cm doorsnede en soms zelfs groter.

De klinische verschijnselen

De klinische symptomen worden bepaald door de organen waar de blaaswormen zich nestelen en zullen bij het overgrote deel van de dieren gering zijn. Aanwezige klachten zullen variëren van vooral klachten van het respiratie apparaat tot een leverdysfunctie. Soms kunnen de klachten zich uiten in de vorm van “het minder goed doen” tot chronisch vermageren.

Morbiditeit/mortaliteit

De morbiditeit (zo men hierover kan spreken) is sterk afhankelijk van de besmettingsgraad van de omgeving van de dieren. Zo hebben bepaalde streken in Roemenië (zie onder 'prevalentie') een dusdanig hoge besmettingsdruk (honden en runderen lopen daar vrij over het erf en mogelijk zijn er veel huisslachtingen) dat de morbiditeit op die bedrijven ongeveer 100% zal zijn.
De mortaliteit is zeer gering en hangt sterk af van factoren als conditie, voeding (deficiënties), huisvesting en andere secundaire infecties (geringe betekenis).

Uitscheiding van de kiem

Behalve dan via het slachten van besmette dieren en het eten van rauw orgaanmateriaal bestaat er geen risico voor transmissie van de kiem naar de eindgastheer (carnivoor). Een inschatting hiervan is gemaakt door Berends et al. (zie bijlage 1). Het grootste risico is dus Barf (Bones And Raw Food), bestaan uit bevleesde botten, spiervlees, orgaan en vers fruit en groenten en de eventuele toevoeging van tafelrestjes en supplementen.
  • Brucella suis
  • Cysticercose

Differentiaaldiagnose

Voor de differentiaaldiagnose komen in aanmerking alle aandoeningen die gepaard gaan met chronisch vermageren en een verminderde functie van vooral longen en lever (dus chronische ontstekingen). 

Terug naar het begin van dit artikel

Diagnose van echinococcose


Pathologie

Bij de pathologie kunnen met helder vocht gevulde stuitergrote (doorsnede tot max. 30 cm) blazen worden aangetroffen en cysten aan de oppervlakte van met name longen en/of lever. De cysten variëren in diameter van 5 tot 30 cm.
Er kan hydatidenzand in de cystevloeistof aanwezig zijn en bij microscopisch onderzoek kunnen protoscolices aangetroffen worden. In dat geval is er sprake van zogenaamde fertiele blazen. Oudere cysten kunnen ingevallen zijn en een geelgroene slijmerige inhoud en kalkneerslagen in de wand bevatten. Bij histologisch onderzoek bestaat de cystewand uit een concentrisch gelamelleerd parasitair membraan. Deze is omgeven door een straf bindweefselkapsel met ontstekingsinfiltraten in het omgevende lever- of longparenchym. Het bindweefselkapsel bestaat uit lymfocyten, plasmacellen en eosinofiele granulocyten. Kennelijk afgestorven blaaswormen zijn omgeven door een granulomateuze ontstekingsreactie met parallel gerangschikte macrofagen en reuscellen rond het soms verfrommelde parasitaire membraan. Daarbuiten bevindt zich een ontstekingsinfiltraat met veel eosinofiele granulocyten.

Isolatie van de kiem

Feitelijke isolatie van de kiem is niet mogelijk, maar nadere determinatie kan plaatsvinden op basis van histologie en PCR (Polymerase Chain Reaction)-onderzoek. Hierbij kan ook worden vastgesteld of het om zogenaamde steriele dan wel fertiele blazen gaat en wat het risico is voor de eindgastheer. Naar dit laatste wordt nu onderzoek gedaan bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).

Serologie

Er zijn geen serologische testen voor onderzoek naar echinococcose aan levende dieren beschikbaar. Voor zover bekend vindt ook geen ontwikkeling van zo’n test plaats. In verre landen zijn er wel verschillende testen, alleen voor de betrouwbaarheid kan GD op dit moment6 niet voor in staan.

Terug naar het begin van dit artikel

Prevalentie van echinococcose


Nederland en Europa

Tot eind jaren ‘70 kwam E. granulosis in Nederland regelmatig voor, echter met (vooral) de afschaffing van de zogenaamde huisslachtingen was Nederland sinds begin jaren ‘80 nagenoeg vrij. In landen van de Balkan en in Roemenië in het bijzonder komt E. granulosus nog endemisch voor bij koeien, schapen en varkens. Uit verschillende rapportages uit die landen blijkt de prevalentie te variëren van 30-100% (Romig et al., 2005).
Ook landen rondom de Middellandse Zee blijken niet vrij, alhoewel de prevalentie daar duidelijk lager is. Na de toelating van een aantal landen tot de EU (mei 2007) is er een hausse van veetransport op gang gekomen, waarbij er een herintroductie van E. granulosis in Nederland heeft plaatsgevonden (zie bijlage 2). Daarnaast is er door de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD) een analyse uitgevoerd met betrekking tot het risico voor de volksgezondheid (zie bijlage 1).

Voor wat betreft de prevalentie van E. multilocularis  kan gesteld worden dat deze steeds laag (<20%) is in de Alpen, de Vogezen, de Ardennen en langs de grens van Nederland en Duitsland. Aangenomen wordt dat de prevalentie gerelateerd is aan de grootte van de populatie wilde honden en vossen in die gebieden. Alleen IJsland en Cyprus zijn echinococcus-vrij.

Een recente studie uit Italie heeft aangetoond dat de het percentage faeces monsters van vossen met een aangetoonde E. Multilocularisinfectie in Noord-Nederland (Oost Groningen) ongeveer 10% is en in Zuid-Limburg zelfs bijna 20% en daarnaast werd in deze studie gewezen op de rol van andere wilde dieren als wasbeertjes, wilde knaagdieren (als ratten en muizen) en ook wolfachtigen, die ook niet onbelangrijk zijn in de transmissie van E. Multilocularisin hun leefgebied. Er vanuit gaande dat deze cijfers juist zijn, is ter preventie van de Volksgezondheid goede monitoring van deze aandoening in m.n. een wandelgebied als Limburg is, aan te bevelen. Monitoring zou daarbij kunnen via gepoold onderzoek van vossen ontlasting (Oksanen et al., 2016). 

Andere landen

E. granulosis komt wereldwijd streekgebonden voor daar waar honden gebruikt worden om het vee te hoeden en ook in nauw contact staan tot mensen: Azië, het zuiden van Zuid-Amerika, West-Canada, Alaska, het zuiden van Australië en delen van Afrika. In Turkije zijn bijvoorbeeld 16-80% van de schapen geïnfecteerd. De schatting over het aantal nieuwe humane gevallen per jaar wereldwijd loopt uiteen van duizend tot tweeduizend. Dit komt overeen met 2,1 - 4,2 gevallen per 100.000 inwoners. In een recente Iraanse studie van ruim 30.000 geslachte herkauwers werd een incidentie van 6.4% besmette runderen vastgesteld, met de hoogste incidentie bij runderen en de laagste bij geiten Onder de humane populatie waren vaker vrouwen (54%) dan mannen (46%) geinfecteerd en de verdeling stad vs. platteland was 46 en 54% resp., met een enorme leeftijdvariatie van 7 – 87 jaar en de hoogste incidentie in de groep 21-40 jaar (Chalechale A, 2016).

Terug naar het begin van dit artikel

Aanpak van besmette bedrijven


Meldingsplichtig

Echinococcose is een meldingsplichtige ziekte volgens artikel 100 van de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren. Een aangetoonde infectie dient te worden gemeld bij de NVWA.

Vaccinatie

Wereldwijd is geen vaccin beschikbaar. 

Anthelmintica

Geen enkel middel heeft een registratie voor E. granulosis. Er zijn enkele experimentele studies bekend, maar de moeilijkheid begint al bij de diagnostiek aan het levende dier.

Overige maatregelen

Transmissie gaat via de opname van infectieus materiaal na het slachten. Als dit voorkomen wordt, is er geen risico. Er zijn voor zover bekend geen nadere wettelijke bepalingen. 

Terug naar het begin van dit artikel

Preventie van echinococcose


Het niet importeren van besmet vee uit gebieden met een verhoogd risico, in combinatie met het niet voeren van rauw vlees is de beste preventieve maatregel. De importbeperking kan niet opgelegd worden gezien de toetreding van een aantal landen met een verhoogd risico tot de EU. Het afkeuren van alle organen van die runderen zou een andere maatregel kunnen zijn. In alle andere gevallen is er een verhoogd risico op herintroductie van E. granulosis  in Nederland. De beste preventie voor E. multilocularis is het op peil houden van de populatie vossen in West-Europa en voorlichting over de risico's.

Regelgeving


Nederlands recht

E. granulosis is een meldingsplichtige ziekte volgens artikel 100 van de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren. Een aangetoonde infectie dient te worden gemeld bij de NVWA.

Europees recht

De EU heeft richtlijnen opgesteld voor bestrijdingsplichtige dierziekten. Deze maatregelen zijn opgenomen in de nationale wetgeving van de aangesloten landen. Deze richtlijnen zijn te vinden op de website EUR-Lex van de Europese Unie.

Internationaal

Door rel="noopener noreferrer" het OIE zijn de regels vastgelegd om als land of regio vrij verklaard te kunnen worden.

Terug naar het begin van dit artikel

Websites en literatuur


Websites

Center rel="noopener noreferrer" for Food Security and Public Health:
http://www.cfsph.iastate.edu/DiseaseInfo/factsheets.htm

Literatuur

RIVM website, direct contact Dr. Joke van der Giessen

Romig et al., 2005. The present situation of Echinococcosis in Europe. Parasitology International 55, S187­191.

Aalten M, Züchner L, Bruinier E, Holzhauer M, Wouda W, Borgsteede F, Sprong H, van der Giessen J. 2008. Herintroductie van Echinococcose via importrunderen in Nederland. TvD, 133: 898­902.

Berends IM, Holzhauer M, van der Giessen JW, van Schaik G. 2009. Risk of Echinococcus granulosus becoming endemic in Dutch cattle. Tijdschr Diergeneeskd.134: 104­109.

Chalechale A, Hashemnia M, Rezaei F, Sayadpour M. 2016. Echinococcus granulosus in humans associated with disease incidence in domestic animals in Kermanshah, west of Iran. J Parasit Dis. 40:1322-1329.

Karamon J, Sroka J, Cencek T. 2011. The first detection of Echinococcus multilocularis in slaughtered pigs in Poland. Vet Parasitol. Oct 3. [Epub ahead of print]

E Osterman Lind, M Juremalm, D Christensson, S Widgren, G Hallgren, E O Ågren, H Uhlhorn, A Lindberg, M Cedersmyg, H Wahlström. 2011. First detection of Echinococcus multilocularis in Sweden, February to March 2011. Eurosurveillance, Vol. 16, Issue 14.

Dakkak A. 2010 Echinococcosis/hydatidosis: a severe threat in Mediterranean countries. Vet Parasitol. 174(1­2):2­11. Epub 2010 Aug 20.

Neghina R, Neghina AM, Marincu I, Iacobiciu I. 2010. Epidemiology and epizootology of cystic echinococcosis in Romania 1862­  2007. Foodborne Pathog Dis. 7:613­8. Review.

Oksanen A, Siles-Lucas M, Karamon J, Possenti A, Conraths FJ, Romig T, Wysocki P, Mannocci A, Mipatrini D, La Torre G, Boufana B, Casulli A. 2016.The geographical distribution and prevalence of Echinococcus multilocularis in animals in the European Union and adjacent countries: a systematic review and meta-analysis. Parasit Vectors. 9: 519.

Rahman WA, Elmajdoub LE, Noor SAM and Wajidi MF. 2015. Present Status on the Taxonomy and Morphology of Echinococcus Granulosus: A Review. Austin J Vet Sci & Anim Husb. 2,1013.

Spierenburg MAH, Valkenburgh SM, Franssen FFJ en van der Giessen, 2017. Echinococcus granulosus Tijdschr. Diergeneeskd. 142,30-31.

Bijlagen


Terug naar het begin van dit artikel

Oude browser

We zien dat u gebruik maakt van een verouderde browser. Niet alle onderdelen van de website zullen daardoor goed functioneren. Download nu de laatste versie van uw browser om veilig te kunnen surfen.

GD maakt gebruik van cookies om onze website te analyseren en de functionaliteit te verbeteren. Meer info vind je in ons cookiebeleid.