Aviaire Influenza (vogelgriep)

Zoomfunctie

Moeite met het lezen van de tekst? Vrijwel alle populaire browsers geven u controle over hoe groot websites worden weergegeven.

  • Windows
    Mac OS
  • Zoom in
  • Zoom uit
  • Zoom 100%
  • Muiswiel op / neer
DAP Contact. voor dierenartsen

Aviaire Influenza (vogelgriep)

Aviaire Influenza (vogelgriep)

Aviaire Influenza (AI) is een virusziekte die meestal zeer acuut verloopt; met algemene ziekteverschijnselen en hoge sterfte bij hoenderachtigen en vele andere vogelsoorten. Vooral (wilde) watervogels worden gezien als virusreservoir. AI is een meldingsplichtige aandoening volgens artikel 15 van de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren (GWWD) en  wordt bestreden volgens de Europese Richtlijn 2005/94/EG.



Direct naar:

Het virus

AI wordt veroorzaakt door het Influenzavirus type A, behorend tot de Orthomyxovirussen. Het genoom bestaat uit 8 RNA-segmenten, omringd door een nucleocapside, op zijn beurt omringd door een envelop. Antigene subtypes worden onderscheiden op basis van de 18 haemagglutinine (H) en 11 neuraminidase (N) “spikes” op het oppervlak. Stammen met eenzelfde HN-code kunnen klinisch compleet verschillende ziektebeelden geven. De H-typen 1 tot en met 16, komen, in combinatie met de N-typen t tot en met 9, voor bij verschillende zoogdieren maar ook bij vogels, waaronder pluimvee. De H-typen 17 en 18, in combinatie met N-typen 10 en 11 komen voor bij vleermuizen.

Vaak wordt het virus ingedeeld in pathotypes: HPAI (hoog pathogene AI) en LPAI (laag pathogene AI). Tot nu toe zijn enkel HPAI’s gevonden met H5 en H7. Een aviair influenzavirus wordt pas als HPAI beschouwd als:

  • Het behoort tot influenza type A en een IVPI > 1,2 heeft bij 6 weken oude kuikens.
    Of;
  • Het gaat om een influenza A virus met H5 of H7 waarbij door middel van nucleotide sequentiebepaling aangetoond is dat er zich meerdere basische aminozuren op de splitsingsplaats van het haemagglutinine-precursor-eiwit bevinden die overeenkomen met een sequentie die al eerder bij vastgesteld hoogpathogene AIV isolaten is gevonden. 

De pathogeniteit wordt bepaald door de mogelijkheid van de gastheer door middel van aanwezige enzymen (proteasen) het haemagglutinine-O te splitsen in een haemagglutinine-1 en haemagglutinine-2.

Binnen de AI virussen kennen we 2 typen van verandering van de genetische samenstelling van het virus. De eerste is antigene drift. Hierdoor treden bij de replicatie van het virus mutaties op waardoor het virus kan veranderen. Mutaties treden bij Orthomyxovirussen veel op. In de beschrijving van virussen wordt ook wel een genetische verwantschap (in %) vermeld met een eerder geïsoleerd virus.

Het andere type verandering is re-assortment, ook wel antigene shift genoemd. Hierbij wordt een deel van de genetische informatie van AI virus “X” uitgewisseld met AI virus “Y”. Hierdoor ontstaat een nieuw AI virus met mogelijk andere ziekteverwekkende eigenschappen voor zowel mens als dier.

Door mutaties kunnen LPAI virussen HPAI virussen worden. Op basis van genetische verwantschap worden AI virussen onderverdeeld in Clades, waarbij onderscheid gemaakt wordt op basis van het Haemagglutinine. 


Gevoelige diersoorten

AI-virus is bij vogels onder meer aangetoond in bijna alle vogelsoorten. We mogen er waarschijnlijk van uitgaan dat AI algemeen voorkomt in de (wilde) vogelpopulatie, ook bij species waarbij het nog niet vastgesteld is. Watervogels vormen het natuurlijk reservoir voor AIV. Onderzoek van de Erasmus Universiteit heeft aangetoond dat virustypen die bij meeuwen in Nederland voorkomen van een ander type zijn dan bij pluimvee.

Ook zoogdieren kunnen geïnfecteerd raken met AI stammen die afkomstig zijn van vogels, hierbij moet met name gedacht worden aan zoogdieren die in het bezit zijn van N-acetylneuraminezuur-alpha 2,3-galactose receptoren, zoals fretten (fretten worden gebruikt als modeldier bij AI onderzoek), zeehonden en varkens. Speciale punt van zorg zijn de infecties van H5N1-virus in katachtigen (transmissie in huiskatten is aangetoond), in honden (in Oostenrijk en Thailand) en in marterachtigen (het virus is aangetoond in een steenmarter in Duitsland). Er wordt gesproken over een mogelijke verdere adaptatie van het virus door meerdere typen zoogdieren.

Volksgezondheid

Mensen zijn weinig gevoelig voor AI-virus van vogels. Het respiratoir/intestinaal epitheel van vogels bevat vooral N-acetylneuraminezuur-alpha 2,3-galactoseverbinding op de sialoligosaccharide receptoren, terwijl mensen met name de alpha 2,6-receptoren bezitten. Diep in de longen (ter hoogte van de alveoli) hebben mensen wel enkele alpha 2,3-receptoren. Dit verklaart de gevoeligheid van mensen voor een zeer hoge infectiedruk met AI. Er komen steeds meer aanwijzingen voor een genetische predilectie met betrekking tot de receptor van AI in de longen. Personen die in contact komen met AI van vogels kunnen seroconverteren. Het percentage mensen dat sero converteert is sterk afhankelijk van de diagnostische test die wordt gebruikt, maar zal tussen de 7 en 30% liggen. Bij besmetting met het HPAI-virus H5N1, na direct contact met besmet pluimvee/vogels, (A/goose/Guangdong/1996 H5N1-virus) is het sterftepercentage in westerse landen tegen de 60%. Tot op heden is de transmissie van AI virussen afkomstig van vogels van persoon tot persoon slechts zelden vastgesteld. De WHO gaat er nog steeds vanuit dat mens-op-mens-infecties niet veroorzaakt worden door een äerosol-infectie maar door direct intiem contact. Tot op heden treden bijna alle eerste-generatie-infecties binnen een huishouden op waar een geïnfecteerde aanwezig is die direct contact heeft gehad met geïnfecteerd pluimvee. Een tweede-generatie-infectie is tot op heden nog niet opgetreden.

Humaan speelt naast een HPAI H5N1- en H7N9-dreiging sinds maart 2013 ook een LPAI H7N2 dreiging. Deze virustypen worden met name in het Verre Oosten aangetoond. Tot juli 2013 was er sprake van 633 humane gevallen van H5N1 met 377 doden in 15 landen en 138 humane gevallen van H7N2 waarvan 37 met fatale afloop. H7N9 veroorzaakte in 2013/2014 een golf van besmettingen in China met 338 bevestigde patiënten en 66 doden. Andere humane gevallen met een AI-virus dat binnen de pluimveepopulatie circuleert is H6N1 (Taiwan).

Verontrustend is de bevinding dat bij geïnfecteerde mensen H5N1-virussen zijn geïsoleerd die door een simpele mutatie infectieus geworden zijn voor de mens. Tot op heden is men ervan uitgegaan dat voor het ontstaan van een pandemie een nieuw virus, ontstaan uit een humaan en een aviair virus (mogelijk in een mixing vessel; re-assortment), de basis zou zijn van een pandemische uitbraak. Nu is gebleken dat een mutatie op de positie 129 en 134 van het hemagglutinine de gevoeligheid van de mens voor het virus verhoogt. Door deze mutatie kan het virus zich binden aan zowel de celreceptoren van vogels als van de mens. Ook zonder re-assortment blijkt het mogelijk dat een virus ontstaat dat een infectie kan veroorzaken bij de mens. In minimaal één geval is een dergelijk virus uit een door met H5N1-virus gestorven persoon geïsoleerd. Verdere verspreiding van zo’n virus vormt een bedreiging voor mens en vogels.

Zie 'Prevalentie' voor meer informatie over circulerende AI types.

Overleving

Buiten de gastheer is het AI-virus vrij gevoelig voor de inwerking van omgevingsfactoren. Hitte, hoge of lage zuurgraad en droogte kunnen het virus onschadelijk maken. Doordat AI zijn envelop nodig heeft om infectieus te blijven, zal elke stof die deze envelop kapotmaakt het virus onschadelijk maken. Dit zijn bijvoorbeeld detergentia en organische oplosmiddelen. Het virus kan enige maanden overleven in de mest, maar dit is sterk afhankelijk van de temperatuur. Over het algemeen wordt gesteld dat door middel van compostering waarbij de mest een temperatuur bereikt van 60⁰C de mest na 90 uur vrij is van virus. Bij een temperatuur van 4⁰C is dit 30 tot 35 dagen en 7 dagen bij 20⁰C. In vloeibare mest zou, gedurende de winter, de overleving 105 dagen bedragen.

Desinfectie

In mest of ander organisch materiaal is AI gevoelig voor aldehydes (zoals formaldehyde) en beta-propiolactone. Als het organisch materiaal verwijderd is, kan het virus vernietigd worden door desinfectantia zoals phenolen, ammonium-ionen, oxiderende stoffen en hydroxylamine. Zoals onder het hoofdstuk “Overleving” vermeld werd, werken stoffen die de lipiden-envelop aantasten ook tegen AI. De FAO beschrijft een aantal middelen die in verschillende situaties kunnen worden toegepast http://www.fao.org/avianflu/en/disinfection.html. Daarnaast  heeft AVINED een actuele lijst van door de ctgb toegelaten desinfectiemiddelen op de website: https://www.avined.nl/sites/avined/files/lijst_toegelaten_ontsmettingsmiddelen_hpai_22-10-2020.pdf

 

Epidemiologie

Transmissie van het virus bij pluimvee (secundaire introducties) vindt voornamelijk plaats door direct contact (binnen een koppel) of door contact met besmette mest, hoewel airborn transmissies niet mogen worden uitgesloten. De infectie kan op bedrijven achterblijven door restanten van pluimvee-excreta maar ook door besmet ongedierte (insecten en muizen).

Besmette dieren zullen besmette eieren produceren waarbij de overleving in het ei langer is dan op het ei. Het virus zal het broedproces van 21 dagen bij de broedtemperatuur niet overleven zodat verticale transmissie niet aan de orde is. Uit de verwantschap van virussen gevonden in de verschillende landen blijkt steeds duidelijker dat migrerende vogels een belangrijke rol spelen bij de verspreiding van het H5N1-virus en andere hoog- men laagpathogene AI-virussen. Van wilde vogels wordt algemeen aangenomen dat zij een belangrijke rol spelen in de verspreiding van het H5N1-virus. Voorwaarde voor verspreiding is dat de dieren virus uitscheiden zonder klinische verschijnselen te vertonen, hoewel bij de uitbraak van 2016 en 2020 (H5N8) ook sterfte optrad in de wilde populatie. Met name watervogels worden genoemd als een factor voor de verspreiding. Bij experimentele infecties is gebleken dat er binnen de familie van de  “eenden” verschillen aanwezig zijn in kliniek en virusuitscheiding. Uit onderzoek van de Erasmus Universiteit blijkt dat de Wilde Eend (Anas platyrhynchos) de eendensoort is die het meeste virus uitscheidt, zonder verdere klinische verschijnselen, en verantwoordelijk kan zijn voor verspreiding van het virus over grote afstand. Verdere verspreiding vindt plaats door vectoren, zoals de mens, voorwerpen als gereedschap en eierentrays en vervoersmiddelen.

Terug naar het begin van dit artikel

Verschijnselen van Aviaire Influenza


De incubatietijd van AI bedraagt enkele uren tot 3 dagen in een individuele vogel, maar kan enkele dagen tot wel 2 weken zijn in een koppel kippen. Dosis, inoculatieroute en diersoort hebben hier een groot effect op. Binnen een koppel is de morbiditeit zeer hoog, meestal tegen de 100%.

De klinische verschijnselen

De klinische verschijnselen zijn afhankelijk van de AI-stam maar ook van de pluimvee species. Hierbij moet worden opgemerkt dat kalkoenen over het algemeen gevoeliger zijn voor infectie dan kippen. In casu zijn er minder virusdeeltjes (viral units) nodig om de dieren te infecteren. Daarnaast zijn de klinische verschijnselen afhankelijk van de secundaire bacteriële infecties.

In het geval van HPAI-stammen beginnen de klinische symptomen vaak met plotselinge stijging van de uitval die in enkele uren tot dagen kan oplopen tot 100%. In zeer acuut verlopende gevallen kunnen dieren zelfs sterven voordat ze specifieke klinische symptomen laten zien. Een belangrijk verschijnsel is de sufheid, die erg vaak gezien wordt in aangetaste koppels, en veroorzaakt wordt door uitgebreide cytokine-release in geïnfecteerde vogels. De versufte dieren zullen minder eten en drinken en minder geluid maken. Opvallend is ook dat het virus binnen korte tijd na introductie in het koppel een hoge morbiditeit geeft.

HPAI kan zich op veel verschillende manieren uiten. De belangrijkste klassieke beelden worden hier opgenoemd.

  • acute sterfte
  • sufheid, stilte in de stal (‘cathedral silence’)
  • cyanose en zwelling van kam en lellen
  • subcutane bloedingen, met name H5N1 stammen
  • conjunctivitis,
  • gezwollen kop,
  • ademhalingsproblemen,
  • eiproductiedaling en ei-afwijkingen,
  • diarree,
  • (soms) nerveuze verschijnselen.

De ervaring met de recente HPAI AI uitbraken (H5N7, H7N7 en H5N8) is echter dat het klinische beeld sterk van variëren en dat mogelijk geen van de bovenstaande beelden, behoudens sterfte, aanwezig hoeft te zijn.

Bij LPAI-stammen kan de infectie vrijwel subklinisch verlopen maar er kunnen wel degelijk ook ziektesymptomen waarneembaar zijn: eiproductiedaling, luchtwegproblemen, sinusitis, minder voeropname, sloomheid en (gering) verhoogde uitval, mede door secundaire bacteriële infecties.. De H6 uitbraak in 2010 en 2019 heeft aangetoond dat ernstige productiedaling (van 90 tot 30%) zonder dat de productie terugkomt op het oude niveau een reeël gevaar is van LPAI.

Morbiditeit /mortaliteit

De morbiditeit is hoog, de mortaliteit hangt sterk af van de stam en kan variëren van 0% tot 100%.

Uitscheiding van de kiem

Geïnfecteerde vogels scheiden virus uit via neusuitvloeiing, ooguitvloeiing en vanuit het darmkanaal. Dit is het gevolg van virusvermeerdering in het ademhalingsstelsel en het spijsverteringsstelsel.
Binnen een koppel is met name verspreiding via aerosol van belang. Tussen verschillende koppels is versleping van mest (bijvoorbeeld aan laarzen) en stof belangrijk. Onder gunstige klimaatomstandigheden is virusoverdracht via de lucht naar dichtbij gelegen boerderijen niet uit te sluiten.   

Differentiaaldiagnose

Met name NCD, ILT, TRT en vogelcholera (Pasteurella multocida) kunnen soortgelijke letsels geven. Bij acute sterfte van hoge aantallen dieren met een beeld van septicaemie moet ook gedacht worden aan bijvoorbeeld Salmonella gallinarum. Door de grote verscheidenheid aan klinische beelden, is een sluitende differentiaaldiagnose voor AI moeilijk te maken.

Terug naar het begin van dit artikel

Diagnose van Aviaire influenza 


Meldingsplichtig

AI is een meldingsplichtige ziekte. Daarnaast is het bestrijdingsplichtig wanneer er sprake is van een HPAI AI virus of een LPAI AI virus van het type H5 of H7. De afhandeling van verdenkingen en de bestrijding gaan volgens de geldende regelgeving en de instructie van de NVWA. 

Klinische symptomen

Bij HPAI valt vooral het acuut verlopende karakter van de ziekte op. Plots optredende sterfte die snel oploopt is een belangrijk kenmerk.  Het klinische beeld kan echter sterk variëren; zelfs bij infectie met hetzelfde virustype.

Sectie

Het in de literatuur beschreven typische beeld van AI omvat:

  • subcutaan oedeem,
  • subcutaan bloedingen,
  • petechiën en grotere bloedingen in het hele lichaam, met name van kliermaag en ovarium,
  • geelwitte haardjes in lever, milt, nieren en longen.

Naast de bovengenoemde klassieke vorm van influenza kunnen ook andere klinische verschijnselen gevonden worden en kan het beeld zich beperken tot alleen acute sterfte. Infecties met LPAI kenmerken zich de afgelopen jaren door een negatief sectiebeeld of door een beeld dat past bij beginnende sepsis met buikvliesontsteking.

Laboratorium

  • PCR: Voor het aantonen van AI virus (niet serotype specifiek) wordt gebruik gemaakt van een matrix-PCR waarbij  gekeken wordt naar een specifiek deel van het matrix segment van Influenza A virus. Indien de M-PCR positief is kan met behulp van een reverse transcriptase-PCR (RT-PCR) specifiek voor delen van het H5 en H7 gen verder gespecificeerd worden. Dit kan onder andere het fragment 164–176 bp van de HA0 cleavage site van het influenza A virus zijn. Sommige afnemers eisen dat de leverancier aantoont dat de koppels vrij zijn van het AI- virus. Voor dit doel kan  (M) AI-PCR ingezet worden op luchtpijp- en cloacaswabs.
  • Viruskweek: virus kan geïsoleerd worden uit trachea, long, lever, milt en darm. De kweek vindt plaats in kippeneieren.
  • Serologie:

na infectie worden de dieren, na enkele dagen, positief in de Agar Gel Precipitatie (AGP)-test voor AI-virus. Na verloop van een aantal weken (9) zullen positieve dieren weer negatief testen. Niet alle vogelsoorten produceren precipiterende afweerstoffen. Groepsspecifiek (AI type A), niet sero-specifiek. Aflezen na 24 uur.

Als routine screening voor AI kan gebruik gemaakt worden van een AI ELISA. Deze test scoort na infectie na enige dagen (5) de eerste positieve dieren en deze dieren blijven, in de commerciële pluimveehouderij, gedurende de rest van hun leven positief. GD maakt gebruik van de IDEXX AI MultiS-Screen Ab Test,een multispecie test met een gemiddelde specificiteit van 99.7%. Aantoonbaar geschikt voor pluimvee, kalkoenen, eenden, ganzen en struisvogels. 

Voor het vaststellen van antilichamen tegen de verschillende subtypen (zoals H5 of H7) is de Haemagglutinie Remmingstest (HAR) beschikbaar. Gebruik van SPF of SAN rode bloedcellen wordt door de OIE voorgeschreven. A-specifieke reactie treden zelden op. Betreffende AI antigeen moet aansluiten met het circulerende antigeen type.

Bepalen van de Intraveneuze pathogeniteitsindex (IVPI)

  1. Besmettelijk allantoïsvocht van de laagste passage die beschikbaar is, bij voorkeur van de oorspronkelijke isolatie zonder dat enige selectie heeft plaatsgevonden, wordt tot op 1:10 verdund in een steriele isotonische zoutoplossing tot een oplossing met > 4 HAU..
  2. Bij tien zes weken oude SPF-kuikens wordt 0,1 ml verdunde virusoplossing intraveneus ingespoten.
  3. De dieren worden gedurende tien dagen om de 24 uur gecontroleerd.
  4. Bij iedere waarneming wordt voor elk dier één van de volgende aantekeningen gemaakt: normaal (0), ziek (1), ernstig ziek (2) of dood (3).
  5. Het registreren van de resultaten en het berekenen van de index vindt plaats overeenkomstig het volgende voorbeeld:
De index is het gemiddelde van het totale aantal punten per dier en per waarneming = 246/100 = 2,46.


* Dit is uiteraard een subjectief klinisch oordeel, maar normaal betreft het hier dieren die meer dan één van de volgende symptomen vertonen: ademhalingsstoornissen, depressie, diarree, cyanose van onbevederde huid of lellen, oedeem in het gezicht en/of op het hoofd, zenuwsymptomen.
Bron: www.favv-afsca.fgov.be/sp/pa-sa/doc/leg-vet/1994-11-28_D_KB.pdf

Terug naar het begin van dit artikel

Prevalentie van Aviaire influenza 


De AI situatie in de wereld wordt bij gehouden door de OIE. Op haar internet site wordt wekelijks in het World Animal Health Information Database (WAHIS) aangegeven welke uitbraken van aangiftige aandoeningen die week aan de OIE zijn gemeld. https://www.oie.int/wahis_2/public/wahid.php/Diseaseinformation/WI

Vanaf 1996 speelt wereldwijd met name een H5N1 type. Dit type leidt tot sterfte bij pluimvee (niet bij watervogels) maar ook bij de mens. In een aantal landen o.a. Indonesië, Vietnam, Thailand China maar ook Egypte is de mortaliteit onder de mens duidelijk hoger dan in andere landen, hoewel we nog steeds maar spreken over sterfte cijfers van enkele tientallen tot 150.

In 2016 en 2017 spelen met name uitbraken door H5N1 en H5N8 (en H5 typen met onbekende N typen) een belangrijke rol. Voor de AI  situatie bij pluimvee in de wereld wordt verwezen naar  https://www.oie.int/animal-health-in-the-world/avian-influenza-portal/. De Europese situatie is te vonden op de website van de Europese Commissie, DG SANTE: https://ec.europa.eu/food/animals/animal-diseases/control-measures/avian-influenza_en

In Nederland zijn we in 2003 voor het eerst geconfronteerd met HPAI (H7N7) waarbij tijdens de crisis 2/3 van de Nederlandse pluimveehouderij was verdwenen. In 2014 was er sprake van een uitbraak als gevolg van H5N8 evenals in 2016 en 2020. Deze uitbraken waren gesitueerd in pluimvee arme gebieden en zijn relatief beperkt gebleven.

De aanwezigheid van AI virus in de wilde fauna wordt jaarlijks gemonitord door de Erasmus Universiteit. Zij rapporteren aan het ministerie van LNV. De interval tussen het aantonen van het virus in de wilde fauna en de introductie in de commerciële pluimveehouderij varieert echter zeer sterk en kan oplopen tot bijna 2 jaar.

Terug naar het begin van dit artikel

Aanpak besmette bedrijven


Meldingsplichtig

AI is een meldingsplichtige ziekte ingevolge artikel 15 van de Gezondheids- en welzijnswet voor Dieren. Indien er een klinische verdenking bestaat op AI, dient dit gemeld te worden bij het centrale meldpunt van de NVWA (tel:04 55 46 31 88).

Aanpak besmette bedrijven

Bij afhandeling van verdenkingen en bij de bestrijding zijn de betreffende draaiboeken uitgangspunt en zijn de dan geldende regelgeving en de instructie van de NVWA leidend. Zie hiervoor het draaiboek AI

https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/dierziekten/documenten/
rapporten/2013/09/24/beleidsdraaiboek-aviaire-influenza-versie-2-0-september-2013

Terug naar het begin van dit artikel

Preventie en monitoring


Preventie Humaan

Persoonlijke beschermingsmiddelen:

  • overalls
  • haarnet, veiligheidsbril, mondneuskapje
  • handschoenen
  • laarzen
  • medicatie:
    • vaccinatie met humane influenza stammen
    • oraal Tamiflu 5 tot 8 dagen na contact met besmet koppel
      (antiviraal middel, neuraminidase-remmer)

Management en hygiëne

  • vermijd contact met (mest van) watervogels
  • vermijd contact met wilde vogels
  • Implementeer hoog niveau van biosecurity

Bedrijfsbezoeken

Afspraak

Pluimveehouder bij het maken van de afspraak instrueren gewassen bedrijfskleding of wegwerpoveralls, bedrijfsschoeisel en stalkleding met stalgebonden schoeisel ter beschikking te stellen. Daarnaast dient naast elke ingang van de stal een vers aangemaakte oplossing met een desinfectants aanwezig te zijn in een afgedekte bak.

 

Indeling auto

In de laadruimte van de auto dient een scheiding aanwezig te zijn tussen een vuil en schoon gedeelte, bijvoorbeeld in de vorm van (minimaal 2) afsluitbare bakken, compartimenten of zakken.

        

Advies benodigde materialen in geval van verplichte monstername in kader van monitoring bij uitbraken:

Wegwerpoverschoentjes (de grotere uitvoering)

Wegwerpsokken (hiervoor kunnen de kleinere (blauwe) overschoentjes gebruikt worden)

Wegwerp handschoenen

Mondkapjes

Wegwerpoveralls

Haarnetjes

Veiligheidsbril

Monstermateriaal en zakken.

  • Per stal: één papieren monstertransport envelop (A), deze bevat 20 zwarte swabs, 20 witte swabs, 2 kleine safetybags (B) en één grote plastic zak (C).
  • Per bedrijf: Per stal één grote safetybag (D) waarin na bemonstering de bovenstaande safetybags per stal kunnen worden vervoerd en één grote plastic zak (E) waarin de grote safetybag in de auto kan worden vervoerd.

 

Hygiëne protocol screeningsbezoeken op bedrijven met pluimvee.

Bij het bezoek dient de monsternemer zich te houden aan aanvullende regels die de veehouder als standaard voor het bedrijf heeft vastgesteld en aan de onderstaande minimum eisen.

 

Voor het bedrijfsbezoek

  • Auto op de openbare weg of op aangegeven parkeerplaats, maar in ieder geval niet binnen de ruimte van het bedrijfsterrein.
  • Eigenaar mbv mobiele telefoon bellen dat de monsternemer gearriveerd is. Geen handsieraden, horloges en mobiele telefoon meenemen bij het betreden van het bedrijfsterrein.
  • Nadrukkelijk vragen om bedrijfsoverall of wegwerpoverall per stal. Indien de pluimveehouder geen overalls ter beschikking heeft extra wegwerpoveralls en overschoentjes meenemen.
  • Meenemen in grote plastic zak (C) (afkomstig uit één van de monstertransport enveloppen (A)) naar het woonhuis of bedrijfshygiënesluis: monstertransport enveloppen (A) met in elke envelop monstermateriaal voor één stal, materiaal om bloed te tappen (voor eenden: 2 injectiespuiten en 2 naalden per stal), mondkapjes, extra werpwerpoveralls (indien geen stalgebonden overall per stal aanwezig is), overschoentjes, haarnetjes en veiligheidsbril.
  • Daarnaast één grote safetybag (D) per stal voor vervoer de kleine safetybags (B) met de monsters. Bij het woonhuis dan wel de bedrijfshygiënesluis worden de grote safetybags achtergelaten om de monsters, na bemonstering, te vervoeren naar de auto en de praktijk.
  • Melden op het huisadres gekleed in wegwerpoverall, haarnetje, laarzen met overschoenen. (Overschoenen gebruiken om de laarzen na de werkzaamheden veilig mee terug te kunnen nemen.)
  • Het heeft de voorkeur zich op het bedrijf te douchen en dan te verkleden in ter beschikking gestelde kleding, of anders wegwerpoverall, met haarnet en wegwerpsokken. (Eigen kleding achterlaten in de doucheruimte). In ieder geval handen wassen met zeep.
  • Schoeisel wisselen in het woonhuis, dan wel de bedrijfshygiënesluis, waarbij wegwerpsokken worden gebruikt voordat het bedrijfsschoeisel wordt aangetrokken.
  • Voor het betreden van de stal laarzen (eventueel met wegwerpoverschoenen) desinfecteren in de naast de toegangsdeur aanwezige desinfectiebak.
  • In de stal wordt overgestapt in bedrijfslaarzen (wegwerpsokken aanhouden) en wordt, over de ter beschikking gestelde kleding of wegwerpoverall een bedrijfsoverall aangetrokken (pijpen van de overall over de laarzen). Haarnet, mondkapje, wegwerphandschoenen en bril gebruiken bij het betreden van de stal.
  • Geen materialen de voorruimte in nemen anders dan benodigde materialen: monstermateriaal (enveloppe A met daarin de plastic zakken voor verpakking monstername materiaal (B en C)), monstername materiaal, handschoenen, mondkapje en wegwerpkleding.
  • Geen formulieren of pennen meenemen de stal in.
  • Per stal wordt alleen monstername materiaal voor de betreffende stal meegenomen. Grote plasticzak (C) uit de papieren monstertransport envelop voor de bemonstering achterlaten in de voorruimte en de papieren monstertransport envelop meenemen de stal in. Monstermateriaal en verpakkingen dat in de stal is geweest dient niet naar een andere stal meegenomen te worden.
  • Monstername uitvoeren: voor de cloaca  swabs gebruiken. Voor de keel/trachea de  swabs (eventueel oranje dunne swabs) gebruiken. Neem hiervoor minder ontwikkelde dieren (in geval van kleine eendjes mag de oropharynx geswabt worden en niet noodzakelijkerwijs de trachea). In geval van klinische verschijnelen: melden.
  • Alle swabs (wit en zwart) mogen verzameld worden in dezelfde safetybag. De bloedmonsters in een aparte safetybag. Safetybag (B) duidelijk identificeren met UBN en stalnummer). Alle Safetybags (B) met de monsters in de voorruimte sluiten en in de aparte plastic zak (C, die niet in de stal geweest is) deponeren voor transport over het bedrijfsterrein.
  • Bij het verlaten van de voorruimte, het, in de stal gebruikte, monsterverpakkingmateriaal (A) en handschoenen achterlaten en stalgebonden overall en schoeisel uittrekken. Indien mogelijk handen wassen.
  • Bij elke volgende stal bij de ingang wederom laarzen/overschoeisel desinfecteren, en in de voorruimte van schoeisel wisselen en stalgebonden overall over de wegwerpoverall aantrekken. Procedure monstername en handelingen herhalen. Tenslotte alle plastic zakken (C) meenemen naar het woonhuis of de bedrijfshygiënesluis.
  • De, bij aankomst in het het woonhuis dan wel in de bedrijfshygiënesluis achtergelaten, safetybags (D) vullen met de 2 safetybags (B) van een bemonsterde stal en deze identificeren met UBN en stalnummer. Elke stal een aparte grote safetybag (D). Alle andere zakken achterlaten. De grote safetybags (D) naar de auto vervoeren en daar in één grote plastic zak (E) doen.


Na het bedrijf-stal bezoek

  • Alvorens de monsters naar de auto te vervoeren:
  • De begeleidende formulieren in overleg met de eendenhouder invullen en koppelen aan de monsters.
  • Bij het verlaten van het bedrijf wordt bij voorkeur gedoucht. De wegwerpoverall en het haarnet worden dan achtergelaten in de doucheruimte.
  • Bril wordt bij het verlaten van het bedrijf gereinigd met zeep.
  • Bedrijf verlaten, met de safetybags (D) in eigen kleding met daarover een wegwerpoverall (eventueel overall van aankomst) en laarzen met overschoentjes.
  • Monstermateriaal in de plastic zak voorzien van een identificatie (UBN en stalnummers) en in de vuile ruimte van de auto vervoeren.
  • Laat de wegwerpoverall en de overschoentjes achter bij de auto.

Monitoring en Early Warning

Sinds 2003 zijn van overheidswege monitorings- en Early Warning-systemen ingevoerd om in een zo vroeg mogelijk stadium HPAI- en LPAI-uitbraken en -verdenkingen op te sporen:

  • Serologische monitoring op AI-antistoffen van alle bedrijfsmatig gehouden pluimvee en wel in een frequentie van 1x per jaar of 1x per koppel. Uitloopbedrijven moeten 1x per kwartaal worden bemonsterd.
  • AI-monitoring “Melding klinische problemen” verplicht de pluimveehouder om, bij dieren ouder dan 10 dagen, sterfte van 0,5% of meer gedurende 2 opeenvolgende dagen, dit door te geven aan het centrale dierziekten alarmnummer. Bij kalkoenen is deze drempelwaarde minstens 2 dagen achtereen 1% sterfte. Bij eenden ouder dan een week is melding van 0,15% of meer uitval gedurende 2 opeenvolgende dagen of 0,5% uitval met een voeropnamedaling van 5% verplicht. Voor alle pluimvee geldt dat uitval van meer dan 3% per week gemeld dient te worden. Indien er sprake is van tenminste 5% daling van voer- en wateropname of de eiproductie moet de pluimveehouder zijn dierenarts bellen.
  • Programma 'Onderzoek sectiemateriaal op AI’:
  • Sinds 1 oktober 2006 kan de praktizerend dierenarts in die gevallen waarin sectie de oorzaak van de aandoening niet (volledig) kan verklaren, kosteloos monsters insturen voor uitsluitingsdiagnostiek AI. Daarmee kan worden uitgesloten dat er een variant van het (laag pathogene) AI-virus in het spel is. Zie "Aviaire influenza monitoring en Early Warning" voor details aangaande deze regelingen.

Primair blijft natuurlijk dat een verdenking verplicht gemeld dient te worden aan het dierziekte-alarmnummer NVWA (telefoonnummer 045- 548 31 88). Onder leiding van de NVWA zal een specialistenteam de verdachte locatie binnen drie uur na de melding bezoeken om de situatie ter plekke te beoordelen, monsters te verzamelen en vast te stellen of er daadwerkelijk sprake is van een verdenking.

Vaccinatie

Vaccinatie tegen AI, in algemene zin, is niet toegestaan. Voor vaccinatie dient altijd toestemming gevraagd te worden van de autoriteiten. Na de H7N7-uitbraak is in Nederland korte tijd gevaccineerd tegen H7N7. Slechts enkele commerciële bedrijven hebben van deze mogelijkheid gebruikgemaakt. Eieren van gevaccineerde koppels mochten niet worden geëxporteerd en ook de dieren moesten in Nederland geslacht worden. Controle vond plaats door middel van serologisch onderzoek van sentinels (aanwezige, niet gevaccineerde gevoelige dieren). Ook een aantal hobbypluimveehouder hebben hun dieren (jaarlijks) laten vaccineren. Gevaccineerde dieren werden geringd en moesten jaarlijks serologisch onderzocht worden. De opgewekte titers waren na deze vaccinatie nogal teleurstellend. De mogelijkheid tot vaccinatie is na enkele jaren ingetrokken en is niet meer van kracht.

Download alle voorzorgsmaatregelen(PDF)

Terug naar het begin van dit artikel

Regelgeving 


Nederlands en Europees recht

  1. De internationale (EU)  meldingsplicht van AI en NCD is vastgelegd in Council Directive 82/894/EEC (laatst geamended door Commission Implementing Decision 2012/737/EU. ADNS is het Europese meldingssysteem gemaakt om te registeren en documenteert het vervolg van de dierziekte situatie van de genoemde dierziekten. Council Directive 82/894/EEC (laatst geamendeerd door Commission Implementing Decision 2012/737/EU ) is de legale basis voor het ADNS.
  2. Vaccination programma tegen AI vaccination programma tegen AI was gebaseerd op EC decision 2007/590/EC en geimplementeerd in de Nederlandse  “Regeling van Min. LNV 27 juli 2007, nr. TRCJZ/2007/2530”. Deze tijdelijke vrijstellingsregeling vaccinatie hobbypluimvee, biologische legkippen en legkippen met vrije uitloop is vervallen per 01-01-2013. Dit houdt in dat vaccinatie van vogels in Nederland niet is toegestaan. Het is wel mogelijk gevaccineerde tegen te komen die in de periode 2004 - 2013 zijn gevaccineerd.
  3. Het AI Monitoringsprogramma is gebaseerd op Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/24444, 2004/111/EG, 2004/615/EG en 2007/268/EG en geïmplemented in de “Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE's”.
  4. 2006/437/EC: Commission Beschikking 4 August 2006 tot goedkeuring van een diagnosehandboek voor AI.overeenkomstig Richtlijn 2005/94/EG
  5. In de Nederlandse regelgeving zijn een aantal criteria opgenomen om aan te geven bij welke symptomen een vermoeden/verdenking van AI gemeld moet worden aan het Landelijk dierziekten meldnummer. De criteria staan in artikel 84 van de Regeling preventie, bestrijding en  monitoring van besmettelijke dierziekte en zoönosen en TSE’s:

Een verhoogde sterfte van leghennen, reproductiedieren en vleeskuikens ouder dan 10 dagen van 0,5% (of meer) per dag op twee opeenvolgende dagen moet worden gemeld aan het Landelijk dierziekten meldnummer. Dit geldt eveneens voor een verhoogde sterfte van vleeskalkoenen van 1% per dag op twee opeenvolgende dagen. Bij eenden ouder dan een week is melding van 0,15% of meer uitval gedurende 2 opeenvolgende dagen of 0,5% uitval met een voeropnamedaling van 5% verplicht. Voor andere commercieel gehouden vogels dienen ondernemers een verhoogde sterfte van 3% of meer per week te melden. Aangezien legproductiedaling en verminderde voeropname een aanwijzing kunnen zijn voor de aanwezigheid van AI, zijn ondernemers verplicht een dierenarts te consulteren indien er een klinisch probleem zichtbaar is, of er sprake is van een reductie van de voer- of wateropname (en in geval van leg- of reproductiepluimvee van de legproductie) van 5% of meer per dag, op twee opeenvolgende dagen

Het volgende Europese rechtskader vormt de basis voor de Nederlandse regels en maatregelen voor de bestrijding van AI

  • Richtlijn 2005/94/EG (de bestrijdingsrichtlijn aviaire influenza);
  • Verordening (EU) 2017/625
  • Richtlijn 92/65/EEG (handelsrichtlijn; daarvan voornamelijk de vrijwaringbepalingen);
  • Verordening 2009/1099/EG, artikel 18 – regels ten aanzien van de doding van dieren in geval van dierziekten;
  • Verordening 616/2009/EG (uitvoeringsbepalingen van Richtlijn 2005/94/EG wat betreft de goedkeuring van compartimenten)

EU-beschikkingen, als aanvulling op de EU-bestrijdingsrichtlijn 2005/94/EG. Met name:

  • 2006/563/EG; maatregelen in verband met HPAI H5N1 bij wilde vogels;
  •  
  • 2007/598/EG; maatregelen en vaccinatie in dierentuinen, erkende instellingen, instituten en centra.
  • 2006/437/EG; diagnosehandboek voor aviaire influenza.

Terug naar het begin van dit artikel

Websites


Nederlands beleidsdraaiboek:
Actuele AI-situatie:

http://www.rijksoverheid.nl/nieuws

Terug naar het begin van dit artikel

Monitoring en Early Warning van Aviaire influenza 


De verplichte serologische monitoring op AI-antistoffen

Bij de verplichte landelijke monitoring worden beschreven in de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE's. De volgende uitgangspunten worden gehanteerd:

  • Bij vleeskuikens wordt per bedrijf jaarlijks een onderzoek uitgevoerd van 30 dieren van minimaal 4 weken oud, de monsters dienen op het bedrijf genomen te worden.
  • Bij vleeseenden wordt per bedrijf jaarlijks een onderzoek uitgevoerd van 40 dieren van minimaal 4 weken oud, de monsters dienen op het bedrijf genomen te worden.
  • Bij vleeskalkoenen wordt per bedrijf bij elke productieronde een onderzoek uitgevoerd bij 30 hanen van tenminste 18 weken oud. Indien geen hanen aanwezig zijn dan worden per productieronde 30 hennen met een minimale leeftijd van 13 weken onderzocht.
  • Bij opfokvermeerderingsdieren vindt per koppel onderzoek plaats van bloedmonsters van 30 dieren met een leeftijd van ten minste 15 weken.
  • Bij vermeerderingsdieren vindt een jaarlijks onderzoek plaats van bloedmonsters van 30 dieren met een leeftijd van ten minste 45 weken.
  • Bij opfoklegdieren vindt per koppel onderzoek van bloedmonsters van 30 dieren met een leeftijd van tenminste 8 weken.
  • Bij leghennen op bedrijven zonder uitloop wordt per aanwezige stal op een bedrijf jaarlijks een onderzoek uitgevoerd op bloedmonsters van minimaal 30 dieren van ten minste 45 weken.
  • Bij leghennen op bedrijven met kippen met uitloop ter beschikking wordt per kwartaal een onderzoek uitgevoerd bij bloedmonsters afkomstig van 30 dieren, onafhankelijk van de leeftijd.
  • Indien meerdere stallen aanwezig zijn op het bedrijf moeten de bloedmonsters afkomstig zijn uit alle stallen, met een minimum van 5 monsters per stal.
De aansturing van de monstername vindt plaats door de GD. Alle bloedmonsters worden door de GD onderzocht met behulp van een ELISA-test, behoudens de vleeskuikens (AGP). Met het WBVR zijn afspraken gemaakt over het confirmeren van de, in de ELISA niet-negatief reagerende, bloedmonsters.
Alle in de screening niet-negatieve monsters worden doorgestuurd voor het uitvoeren van twee verschillende (antigeen) H5-HAR testen en één H7-HAR-test. In de gevallen dat meer dan 30% van de monsters van één inzending niet negatief (“positief”) reageert in de screening bij de GD, worden alle bloedmonsters van de inzending aangeboden aan het WBVR en zal de GD deze informatie melden aan de NVWA-piketdienst.

AI-monitoringsgrenzen

Op 24 oktober 2005 is de regeling “AI monitoring pluimvee” gewijzigd met als doel eerder een mogelijke infectie met een hoogpathogene AI-stam te kunnen onderkennen. De nieuwe regeling is nu vastgelegd in de ‘Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten, zoönosen en TSE’s’.
Artikel 84 van deze regeling luidt als volgt:
De ondernemer meldt onverwijld aan het landelijk telefoonnummer voor dierziekten (045- 548 31 88) elke verhoogde sterfte:
  • van leghennen, reproductiedieren of vleeskuikens, die ouder zijn dan 10 dagen op 2 opeenvolgende dagen van 0,5 % of meer per koppel per dag;
  • van vleeskalkoenen op 2 opeenvolgende dagen van 1 % of meer per koppel per dag, en
  • van AI-gevoelige dieren van meer dan 3% per koppel per week.

De ondernemer consulteert een dierenarts indien bij AI-gevoelige dieren:

  • een klinisch probleem zichtbaar is;
  • er op 2 opeenvolgende dagen een reductie van voer- of drinkwateropname is van meer dan 5% per dag, en
  • voor zover het leghennen of reproductiedieren betreft, er op 2 opeenvolgende dagen een reductie van de eiproductie is van 5% of meer per dag.
Indien er geen sprake is van Aviaire Influenza of Newcastle Disease doet de dierenarts binnen 8 uur melding van het klinische probleem van de desbetreffende dieren of van de omstandigheden, bedoeld in de het tweede lid, onderdelen b en c, en van naam- en adresgegevens van het bedrijf aan de Gezondheidsdienst voor Dieren.

Programma 'Onderzoek sectiemateriaal op AI’, ook wel 'AI uitsluitingsswabs' genoemd.

Met dit programma, ontwikkeld door de overheid samen met de GD, het WBVR en de sector, kan de kans op een verspreiding van een AI-stam (na introductie) verder worden verkleind. Het was onmogelijk voor pluimveedierenartsen om koppels pluimvee routinematig op de aanwezigheid van AI-virus te laten onderzoeken. Dat kon alleen als het koppel eerst als 'verdacht' wordt gemeld bij de overheid. En dat heeft de nodige consequenties, zoals bedrijfsblokkade en vervoersbeperkingen. Soms echter wenst de dierenarts de zekerheid dat het echt geen AI betreft. Met dit programma is dat nu mogelijk geworden; in die gevallen waarin sectie de oorzaak van de aandoening niet (volledig) kan verklaren, kunnen monsters (cloaca- en/of tracheaswabs) worden ingestuurd. Daarmee kan worden uitgesloten dat er een variant van het (laag pathogene) AI-virus in het spel is.
Het programma is op 1 oktober 2006 gestart en vanaf die datum kunnen monsters bij het WBVR worden aangeboden voor onderzoek. Het Diergezondheidsfonds vergoedt de kosten voor het onderzoek door het WBVR en het transport ernaartoe, mits gebruik wordt gemaakt van de vervoersservice van de GD.
Bij een verdenking van AI blijft uiteraard de bestaande route gelden en moet de verdenking worden gemeld, zodat reeds in een eerder stadium beschermende maatregelen genomen kunnen worden.
Swabs bedoeld ter uitsluiting van AI dienen te worden vergezeld met het correcte formulier van het WBVR, te vinden op de website:

http://www.wur.nl/nl/Expertises-Dienstverlening/Onderzoeksinstituten/Bioveterinary-Research/diagnostiek/Inzendformulieren.htm

Terug naar het begin dit artikel

Oude browser

We zien dat u gebruik maakt van een verouderde browser. Niet alle onderdelen van de website zullen daardoor goed functioneren. Download nu de laatste versie van uw browser om veilig te kunnen surfen.

GD maakt gebruik van cookies om onze website te analyseren en de functionaliteit te verbeteren. Meer info vind je in ons cookiebeleid.