“Snelle verspreiding schmallenbergvirus bepaalde plan van aanpak”

Zoomfunctie

Moeite met het lezen van de tekst? Vrijwel alle populaire browsers geven u controle over hoe groot websites worden weergegeven.

  • Windows
    Mac OS
  • Zoom in
  • Zoom uit
  • Zoom 100%
  • Muiswiel op / neer

Diersoorten

“Snelle verspreiding schmallenbergvirus bepaalde plan van aanpak”

7-9-2016:  Dat het schmallenbergvirus zich in 2011 zo snel had verspreid, was bepalend voor de bestrijdings- en bewakingsstrategie. Dat en meer betoogt GD-onderzoeker Anouk Veldhuis in haar promotieonderzoek over de verspreiding en risicofactoren van de ziekte. Doordat het virus zich snel verspreid had en de impact beperkt bleek, werd duidelijk dat vaccineren niet nodig was.

Al in de zomer van 2011 kwam in Oost-Nederland en in Duitsland veel diarree, melkproductiedaling en koorts bij koeien voor. Duitse onderzoekers gaven de veroorzaker, een virus dat door knutten wordt verspreid, de naam ‘schmallenbergvirus’. Het bleek familie van een virus dat afwijkende lammeren en kalveren veroorzaakt. “De vraag was of dat nu ook ging gebeuren”, zegt Veldhuis. “Dat was best spannend voor veehouders. Je ziet je drachtige dieren in de stal en je weet niet wat eruit komt.”

Nieuw virus

Het schmallenbergvirus verraste de veehouderij, vertelt Anouk Veldhuis. Het was een volledig nieuw virus en de impact ervan was onduidelijk. “De eerste vraag was natuurlijk of het virus schadelijk is voor mensen. Dat werd gelukkig erg onwaarschijnlijk geacht. Daarna komt het in beeld brengen van de impact op de veehouderij. Dat hebben wij bij GD gedaan.” 

“Eerst wilden we weten: hoe ver is het virus al verspreid in Nederland? We hadden bij GD nog veel bloedmonsters van runderen, schapen en geiten uit heel Nederland, afkomstig uit routineonderzoek. Die konden we meteen geanonimiseerd gebruiken om op afweerstoffen tegen schmallenbergvirus te onderzoeken.”

Verspreiding

Het virus bleek zich al over nagenoeg alle Nederlandse bedrijven te hebben verspreid: het percentage bedrijven met afweerstoffen was heel hoog. Bij melkleverende rundveebedrijven 96 procent, bij niet-melkleverende rundveebedrijven 99 procent, bij schapenbedrijven 97 procent en bij geitenbedrijven 81 procent. Veldhuis: “Het virus is dus in enkele maanden overal geweest.” Dat was bepalend voor de bestrijdings- en bewakingsstrategie. “We wisten op dat moment dat het grootste deel van de dieren de infectie al had doorgemaakt. Een vaccinatiecampagne opzetten was mede daardoor niet aan de orde.”

Impact

Het was vervolgens afwachten wat de impact op pasgeboren kalveren en lammeren was. Vanaf december 2011 werden de eerste afwijkende kalveren en lammeren geboren. Er volgde een meldplicht waardoor deze dieren voor sectie werden binnengebracht bij GD. “De pathologen hier hebben overuren gedraaid in de sectiezaal.” Gelukkig werd op de meerderheid van de bedrijven helemaal geen afwijkend dier geboren. Later bleek dat pasgeboren dieren alleen afwijkingen vertonen als het moederdier in een specifiek stadium van de dracht wordt besmet, vertelt de onderzoeker. “Ook de impact op melkproductie en vruchtbaarheid van runderen bleek relatief beperkt. Als je erop terugkijkt had het erger gekund. Maar het was een onzekere periode voor de veehouderij.”  

Fase twee

“Na het onderzoek van de verspreiding zijn we overgegaan naar fase twee van het onderzoek. Want na 2012 hadden ongeveer alle dieren bescherming opgedaan, maar over een paar jaar, als een deel van de dieren vervangen is, is er een nieuwe populatie die gevoelig is voor infectie. Kunnen we dan weer zo’n uitbraak verwachten?” Om die vraag te beantwoorden deed Veldhuis in 2013 onderzoek in het kader van diergezondheidsmonitoring onder jonge kalveren op afweerstoffen. Bij ongeveer 1 procent van de kalveren werden afweerstoffen gevonden. In 2015 is het onderzoek herhaald. “Nu vonden we een iets hoger percentage kalveren met afweerstoffen. In beide onderzoeken had vaak maar één dier uit de steekproef van het bedrijf afweerstoffen. Dat past niet bij het beeld dat we van het virus hebben. Is het virus dus veranderd? Of zorgt de immuniteit van de andere (volwassen) dieren ervoor dat het virus niet door de koppel heen kan gaan? Het antwoord daarop weten we niet.”

Blauwtong

Uitbraken van exotische virussen zijn er wel eerder geweest, zoals in 2006 en 2007 met blauwtong. Maar iedere ziekte vraagt om een andere strategie. “Het verschil met blauwtong is dat daar al het een en ander over bekend was, het virus kwam in andere delen van de wereld al langer voor. Er volgde een vaccinatiecampagne. Dat was bij het schmallenbergvirus gelukkig niet nodig. De uitbraak van het schmallenbergvirus was een complete verrassing. “Dat zal bij een eventuele nieuwe uitbraak weer zo zijn. Het nadeel van ziekten die door knutten worden verspreid is dat je ze niet kunt voorkomen. Het zijn insecten, die kun je niet controleren.”

Veekijker

Het enige wat je kunt doen bij dit soort plots opduikende dierziekten is zorgen dat je ze zo snel mogelijk oppikt. “Hoe eerder we in de gaten hebben dat er iets gaande is, hoe eerder je in actie kunt komen.” De signalen die bij de Veekijker binnenkwamen zijn dan ook enorm waardevol. “Er kwamen in een week tijd veel vragen binnen van veehouders en dierenartsen die klaagden over diarree bij de koeien en melkproductiedaling. Door die informatie konden we snel schakelen.” Bedrijven moesten zo snel mogelijk bezocht worden om monsters te verzamelen voor diagnostiek. “Je moet je voorstellen dat een virus maar een dag of vier à vijf aanwezig blijft in het bloed van een koe. Als je te lang wacht met zieke dieren bemonsteren heb je kans dat je niets zult vinden.”

Anouk Veldhuis: “Er kwamen in een week tijd veel vragen binnen van veehouders en dierenartsen die klaagden over diarree bij de koeien en melkproductiedaling.”

De Veekijker is een belangrijk instrument van de Diergezondheidsmonitoring, vertelt Veldhuis. “Zo’n signaleringssysteem is heel belangrijk en is in veel andere landen niet zo vanzelfsprekend. De monitoring is van onschatbare waarde. Ons systeem moet uitbraken van virussen zoals het schmallenbergvirus oppikken, en het blijkt dat het dat doet: het functioneert.”

Slim gebruik van gegevens

In haar onderzoek maakte Veldhuis ook gebruik van de gegevens die ze van FrieslandCampina, PartiCo, CRV en Rendac kreeg. “Terugkijkend kunnen we aan de melkproductie- en vruchtbaarheidsgegevens van koeien zien dat er wat aan de hand was. Door de gegevens van vrijwel alle melkveehouderijen samen te nemen was er in augustus 2011 een duidelijke dip in de melkproductie te zien. Ook bleken de koeien net iets eerder af te kalven dan normaal.” Die gegevens gebruikte ze ook om te kijken of ze kunnen bijdragen aan de vroege detectie van ziekte-uitbraken. “De gedachte was dat we misschien wel een algoritme kunnen ontwikkelen dat die signalen kan oppikken, ter ondersteuning van de monitoring”.

Het blijkt inderdaad zo te werken, maar er is één kanttekening bij: het signaal dat uit het algoritme voortkomt is er niet eerder dan het signaal uit de Veekijker. Hoogstens tegelijk. “Het blijkt dus dat we de Veekijker niet kunnen vervangen door een slim algoritme.” Maar Veldhuis onderkent de waarde ervan: “Als we zo’n systeem hadden gehad tijdens de schmallenbergvirusuitbraak dan had het zeker bijgedragen aan het idee dat er écht iets aan de hand was bij de koeien”. 

Schade in de sector

“Natuurlijk is een uitbraak van welke dierziekte dan ook slecht voor dier én veehouder”, besluit Veldhuis. Gelukkig bleef het totale effect van de uitbraak op de melkproductie en vruchtbaarheid beperkt en bleek het totaal aantal misvormde kalveren en lammeren minder groot dan verwacht. Dat neemt niet weg dat het virus de veehouderij veel geld heeft gekost, vanwege de handelsbeperkingen die door landen buiten Europa werden opgelegd, legt de onderzoeker uit.

Momenteel circuleert het virus nog steeds, maar op een lager niveau. “Je kunt je afvragen of dat erg is. Natuurlijk wil je vrij zijn van zoveel mogelijk ziekten, en het vervelende aan virussen is dat ze van eigenschappen kunnen veranderen. Maar aan de andere kant: zolang het schmallenbergvirus rond blijft gaan, bouwen dieren immuniteit op en blijft een grote uitbraak zoals in 2011 waarschijnlijk uit.”

Anouk Veldhuis promoveerde op dinsdag 6 september in Utrecht op haar onderzoek.

Oude browser

We zien dat u gebruik maakt van een verouderde browser. Niet alle onderdelen van de website zullen daardoor goed functioneren. Download nu de laatste versie van uw browser om veilig te kunnen surfen.

GD maakt gebruik van cookies om onze website te analyseren en de functionaliteit te verbeteren. Meer info vind je in ons cookiebeleid.