Zoomfunctie

Moeite met het lezen van de tekst? Vrijwel alle populaire browsers geven u controle over hoe groot websites worden weergegeven.

  • Windows
    Mac OS
  • Zoom in
  • Zoom uit
  • Zoom 100%
  • Muiswiel op / neer

Diersoorten

Diagnostiek van insulineresistentie bij paarden

1-8-2014: 

Insulineresistentie is een onderdeel van het Equine Metabolic Syndrome, dat gekenmerkt wordt door een abnormale vetverdeling over het lichaam (onder andere 'cresty neck’) en een verhoogde gevoeligheid voor hoefbevangenheid. Dit komt onder meer doordat bij insulineresistentie de suikerstofwisseling ernstig verstoord is: de afname van glucose in het bloed is vertraagd en/of niet volledig, terwijl het insulinegehalte wel (sterk) verhoogd is. Om erachter te komen of een paard insulineresistent is, dienen de basaalwaarden van glucose en insuline gemeten te worden vòòr het voeren van krachtvoer of gras (=voer dat een significante stijging van de bloedglucosewaarde kan geven).

Op basis van de gemeten bloedwaardes worden drie parameters berekend die het mogelijk maken om iets te zeggen over de mate van insulineresistentie: zowel de ernst van de insulineresistentie als de mate waarin de insulineresistentie wel of niet gecompenseerd is.

  • De RISQI (reciprocal of insulin square-root index) zegt iets over de gevoeligheid van cellen voor insuline. De RISQI moet groter zijn dan 0,32.
  • De HOMA (homeostatis model) zegt iets over de verhouding glucose/insuline. Boven de 2,8 is er sprake van verminderde insulinegevoeligheid.
  • De MIRG (pancreas beta-cel response) is alleen van belang als de insulinewaarde normaal en de glucosewaarde afwijkend is of als de verhouding glucose/insuline afwijkend is. De MIRG is een maat voor de insulinerespons ten gevolge van glucoseverhoging. De MIRG moet tussen de 0 en 100 liggen.

In onderstaande tabel zijn meer dan 1200 bloedresultaten van de laatste twee jaar ingedeeld in vijf categorieën. Er is geen sprake van insulineresistentie als zowel de glucosewaarde als de insulinewaarde normaal zijn. Indien het insulinegehalte tussen 10 en 20 mU/L zit, dan is sprake van een geringe insulineresistentie (mits het bloed afkomstig is van een nuchter paard). Wanneer het insulinegehalte matig verhoogd is maar het glucosegehalte nog normaal is, is er sprake van een gecompenseerde insulineresistentie. Het paard heeft een ernstige tot zeer ernstige insulineresistentie als het insulinegehalte sterk verhoogd is en als het insulinegehalte verhoogd is in combinatie met een verhoogd glucosegehalte.

Mate van insulineresistentie

Aantal bevindingen

Geen insulineresistentie

46,6 %

Geringe insulineresistentie (indien bloed ’s ochtends is genomen)

11,8 %

Gecompenseerde insulineresistentie

4,7 %

Twijfelgeval (mogelijk niet nuchter; onderzoek later herhalen)

4,1 %

Ernstige insulineresistentie (niet meer gecompenseerd) (grote kans op hoefbevangenheid)

32,8 %

 

Bij aanvraag van P480 worden deze bepalingen en berekeningen uitgevoerd. U vindt dit pakket in de GD Webshop (artikelcode VDGEB06). Instructies voor het correct afnemen en verzenden van de bloedmonsters vindt u hier.

Oude browser

We zien dat u gebruik maakt van een verouderde browser. Niet alle onderdelen van de website zullen daardoor goed functioneren. Download nu de laatste versie van uw browser om veilig te kunnen surfen.