Salmonellose

Zoomfunctie

Moeite met het lezen van de tekst? Vrijwel alle populaire browsers geven u controle over hoe groot websites worden weergegeven.

  • Windows
    Mac OS
  • Zoom in
  • Zoom uit
  • Zoom 100%
  • Muiswiel op / neer

Salmonellose

Salmonellose is een aandoening bij met name jonge dieren en bij mensen met (nog) onvoldoende of verminderde weerstand. Deze aandoening wordt veroorzaakt door salmonellabacteriën en leidt tot ziekte en mogelijk sterfte, vooral door enteritis, koorts en uitdroging. De mate van ziekte is afhankelijk van diersoort, serotype, besmettingsdruk en gezondheidstoestand. Veel salmonella-infecties verlopen subklinisch.

Direct naar:

De kiem

Salmonella’s zijn facultatief anaerobe, Gram-negatieve, staafvormige bacteriën. Ze worden ingedeeld naar aanleiding van species, subspecies, serotype en biotype. In de meeste teksten, zo ook hier, wordt de naam afgekort tot het serotype of biotype omdat de bacterie hieronder bekend staat.

Salmonella’s komen voor bij vrijwel alle (ook koudbloedige) gewervelde diersoorten en de mens. De mate waarin salmonella ziekte veroorzaakt, dieren infecteert of dieren koloniseert is sterk afhankelijk van het serotype en de diersoort. Er bestaan grofweg drie mogelijkheden: infectie met ernstige bloedvergiftiging (typhoidale salmonella), kolonisatie van inwendige organen of darmen zonder dat de gastheer ziek wordt (non-typhoidale salmonella) en salmonella’s die slecht of niet koloniseren (passanten). Daarnaast kan er onderscheid gemaakt worden tussen serotypen die wel of geen ziekte veroorzaken bij de mens (de zoönotische en non-zoönotische salmonella).

De belangrijkste typhoidale salmonellae voor pluimvee zijn Salmonella Pullorum, Salmonella Gallinarum en Salmonella arizonae. Omdat deze behoudens uitzonderingsgevallen geen salmonellose bij mensen veroorzaken worden dit ook wel de non-zoönotische salmonella genoemd. Deze serotypen worden hier verder niet besproken.

De belangrijkste zoönotische serotypes zijn Salmonella Enteritidis en (monofasische) Salmonella Typhimurium. Producten (vlees en eieren) van Salmonella Enteritidis of (monofasische) Salmonella Typhimurium besmette koppels mogen niet vers verkocht worden maar moeten worden verhit. Deze serotypen worden binnen de vermeerdering actief bestreden net als Salmonella Hadar, Salmonella Infantis, Salmonella Virchov en Salmonella Java. Bij leghennen wordt vooral Salmonella Enteritidis gevonden en incidenteel (monofasische) Salmonella Typhimurium. Bij vleeskuikens zijn Salmonella Java en Salmonella Infantis de meest voorkomende serotypen.

Het belang van Salmonella Hadar en Salmonella Virchow staat ter discussie omdat deze serotypen de afgelopen jaren nauwelijks bij (vermeerderings)pluimvee werden gevonden. Vanuit het EFSA Panel on Biological Hazards wordt voorgesteld om in plaats van deze serotypen Salmonella Kentucky, Salmonella Thompson, Salmonella Heidelberg en/of een serotype naar keuze per lidstaat aan te wijzen als target serovar binnen het Europese salmonellabestrijdingsprogramma. Salmonella Kentucky en in mindere mate Salmonella Thompson worden in enkele lidstaten bij vermeerderingspluimvee en hun nakomelingen gevonden. Salmonella Heidelberg is een voor de volksgezondheid belangrijk serotype op de Amerikaanse continenten en is een potentieel risico voor de Europese pluimveehouderij omdat het op importvlees wordt gevonden.

Overleving

Groei vindt plaats bij een temperatuur tussen 5 en 45°C, optimale groeitemperatuur ligt rond de 37°C. De bacteriën worden niet gedood door bevriezen. Bij een pH tussen 4,0 en 9,0 kunnen salmonella’s groeien, het optimum ligt bij 7,0. Bij extreme pH worden geen flagellen en fimbriae gevormd.

De mate waarin isolaten biofilms kunnen vormen verschilt per serotype. Van sommige serotypen waaronder S. Gallinarum en S. Mbandaka kunnen de meeste onderzochten isolaten biofilms vormen. Van andere serotypen waaronder S. Enteritidis,  S. Typhimurium en S. Infantis is een deel van de isolaten biofilm vormend en bij sommige serotypen waaronder S. Virchow lijken nauwelijks biofilms te vormen.

Salmonella’s zijn normaal gevoelig voor ontsmettingsmiddelen, maar overleven goed indien beschermd door organisch materiaal, zoals mest en eiwitten. Ook in voerresten en ongedierte kunnen ze wekenlang overleven. Zorgvuldig reinigen en ontsmetten van de stal en inventaris is erg belangrijk, evenals goede doorlopende ongediertebestrijding. Zonder reiniging en ontsmetting kan een stalomgeving wel twee jaar besmet blijven.

Effectieve desinfectiemiddelen zijn: chloorhoudende middelen, quaternaire ammoniumverbindingen en formaldehyde/formaline. Ook alcohol (70%) en natriumhypochloriet (0,025%) zijn effectief voor het doden van salmonella’s. Salmonella inactiveren in de stal kan door verwarming tot minimaal 60°C bij 100% RV gedurende 24 uur.

Salmonella in vlees wordt bij een kerntemperatuur van 74°C gedood, voor eiproducten is pasteuriseren voldoende (minimaal 60°C gedurende 3,5 minuut). In voer kan salmonella worden bestreden door de korrels te persen (hierbij wordt >80°C bereikt). In broeiende mest (als de temperatuur oploopt boven 56°C) worden salmonella’s na relatief korte tijd (weken) afgedood.

Verspreiding

Besmetting treedt meestal oraal op, door het oppikken van besmet materiaal. Salmonella’s kunnen op veel manieren de stal binnenkomen. Belangrijkste besmettingsbronnen voor insleep en versleep zijn mensen, ongedierte (zowel door een infectie als mechanische verspreiding), voer, gebruiksmaterialen en stofdeeltjes.

Meestal raakt slechts een laag percentage van de dieren in het koppel blijvend besmet. De meeste salmonella’s komen alleen in de (blinde) darm voor en zijn te vinden in de mest van besmette dieren. Sommige typen, waaronder Salmonella Enteritidis, Salmonella Typhimurium en Salmonella Heidelberg, kunnen via de darmwand verder doordringen in het lichaam en dan inwendige organen (waaronder de eierstokken) infecteren, waarna ze de eieren kunnen besmetten (=transovariële besmetting). Na uitkomst van het besmette ei kan salmonella zich vervolgens horizontaal verspreiden. Dat kan op ieder tijdstip na gebeuren, maar de belangrijkste risicomomenten liggen op de broederij, transport en direct na opzetten.

Naast transovariële besmetting van het ei (Salmonella Enteritidis, Salmonella Typhimurium en Salmonella Heidelberg) kan er uitwendige besmetting van de eischaal plaatsvinden, bijvoorbeeld door besmette mest in of rondom de cloaca tijdens het leggen. Meestal vindt besmetting plaats in het legnest of strooisel, waar het afkoelende (en iets krimpende) ei allerlei bacteriën aanzuigt uit de omgeving. In de broederij kunnen verticaal besmette kuikens tijdens het uitkomen de andere kuikens in dezelfde uitkomstkast besmetten. Ook bij het afrapen, sexen, sorteren en transporteren kan (kruis)besmetting optreden.

Uitscheiding van de kiem gebeurt vooral met de feces. Besmetting van oudere dieren vindt vooral plaats door besmette mest of stof afkomstig van die mest, ook van andere diersoorten. De infectie kan via direct of indirect contact op andere dieren en ook op mensen overgebracht worden. Uitrijden van besmette mest is een risico voor pluimvee in de omgeving.

Volksgezondheid

Infecties bij mensen kunnen optreden door het eten van besmet voedsel of direct contact. Het aantal gevallen wordt geschat op 32.210, de ziektelast op 1239 DALY’s en de economische schade (Cost of Illness, COI) op € 19 miljoen (gegevens 2017). Salmonellose is hiermee na Campylobacter de belangrijkste via voedsel overgedragen zoönose.

Hoewel salmonellose bij mensen vaak geassocieerd wordt met het eten van kip- of vleesproducten is dit niet de enige route. Ook groenten kunnen Salmonella besmet zijn of besmet raken tijdens het bereiden. Daarnaast wordt er een toename gezien van het aantal salmonella besmettingen door direct contact met reptielen en ontstaat een belangrijk deel van humane gevallen tijdens reizen.

Desondanks blijft pluimvee een belangrijke bron voor salmonellose. Geschat wordt dat ongeveer 15% van de humane gevallen afkomstig is van eieren of leghennen en 13% van vleeskuikens en pluimveevlees (2017, exclusief voedselexplosies). Salmonella Enteritidis en (monofasische) Salmonella Typhimurium zijn de belangrijkste serotypen voor de mens. Via eieren wordt met name Salmonella Enteritidis overgedragen. Via fecale bezoedeling van vlees kunnen vrijwel alle salmonella serotypen overgedragen worden.

Verschijnselen van salmonellose


De incubatietijd is afhankelijk van het type salmonella, de opgenomen dosis en de weerstand van het besmette dier. Bij weerstand speelt de kwaliteit van de darmflora een grote rol. Met een goed functionerende darmflora zal in veel gevallen geen (blijvende) kolonisatie optreden.

Tijdens een uitbraak bij kuikens die verticaal of kort na uitkomen besmet zijn, kan een hoog percentage van de dieren ziekteverschijnselen vertonen. Vooral bij Salmonella Enteritidis zijn de verschijnselen soms zeer ernstig: algemeen ziek, diarree, gewrichtsontstekingen en sterfte tot 10 procent in de eerste levensweek. Overlevende dieren kunnen symptoomloos drager zijn, evenals op oudere leeftijd besmette dieren (subklinische infectie). Zonder bijkomende stress (zoals geforceerde rui) doen zich bij oudere dieren doorgaans geen ziekteverschijnselen voor. Soms komt bij volwassen leghennen echter verhoogde uitval voor door S. Enteritidis (circa 2 procent per maand gedurende langere tijd).

Bij andere serotypes die tot de zoönotische salmonella worden gerekend is in het algemeen weinig ziekte en sterfte te verwachten.

Sectie

Jonge kuikens: catarrhaal-hemorrhagische, in de blinde darm soms necrotiserende enteritis, bij Salmonella Enteritidis soms polyartritis en pericarditis. Recent zijn er ook twee gevallen van wervelkolom abcessen en bacteriële chondronecrose en osteomyelitis door Salmonella Infantis geweest.
Leggende hennen: ovariumdegeneratie, lokale peritonitis. Meestal zijn er echter geen macroscopische afwijkingen te zien.

Terug naar het begin van dit artikel

Diagnose van salmonellose


Kweek

Isolatie van de kiemen uit de milt, ontstoken organen, (caecale) feces, stof uit de stal en/of broedeieren of ander materiaal uit de broederij. Bij levende dieren kan verse feces worden bemonsterd of kan door middel van cloacaswabs worden gezocht naar salmonella.

Salmonella groeit goed op de standaard kweekmedia zoals Schapenbloedagar of MacConkey agar. Voorwaarde is wel dat de monsters aseptisch genomen zijn en de bacterie in hoge mate aanwezig is.

In monsters met veel verontreiniging en/of lage Salmonella concentraties (bijvoorbeeld omgevings- of mestmonsters) zijn een aantal stappen noodzakelijk om salmonella met voldoende gevoeligheid aan te tonen. De kweekmethode die voor monitoring wordt gebruikt (ISO 6579-2002/Amd1:2007, Annex D) is hierop afgestemd. De kweekmethode bestaat uit: niet selectieve voorophoping (BPW), selectieve ophoping (MSRV), selectieve agar (XLD + 2e medium naar keuze), identificatie en serotypering.

De ophopingsstap duurt ongeveer een dag. Daarna wordt materiaal overgeënt naar het selectieve ophopingsmedium die na 24 en 48 uur wordt beoordeeld. Indien het ophopingsmedium verdacht is, wordt overgeënt op twee salmonellaspecifieke agars. Deze worden na 24 uur beoordeeld. Verdachte kolonies worden via een bonte rij of MALDI-TOF geïdentificeerd en vervolgens wordt het serotype bepaald. De bonte rij duurt ook 24 uur, de MALDI-TOF is dezelfde dag bekend.  Indien Salmonella wordt aangetoond volgt een serotypering. Soms moeten bepaalde antigenen geremd worden of moet uitgesloten worden dat het een vaccinstam betreft en duurt de typering langer.

Zoönotische salmonella’s hebben een flagel en zijn daardoor beweeglijk. De kweekmethode is daarop afgestemd, beweeglijkheid (zwerming) is namelijk het criterium om de MSRV verdacht te verklaren. Om de gevoeligheid van de kweek te verhogen kan ervoor gekozen worden om een tweede medium in te zetten, bijvoorbeeld RVS of MKTTn. In dit ophopingsmedium kan niet worden vastgesteld of het monster salmonellaverdacht is en moet altijd overgeënt worden. Hierdoor duurt het onderzoek met een tweede medium vaak één dag langer.

Afhankelijk van de exacte kweekprocedure en de resultaten kan het onderzoek dus 3 tot en met 7 dagen duren.

Indien MSRV als enig selectief ophopingsmedium wordt gebruikt is de methode niet geschikt voor het aantonen van Salmonella Gallinarum of Salmonella Pullorum omdat deze niet uitzwermen. De levende vaccinstammen Salmonella Typhimurium Sm24-Rif12-Ssq en Salmonella Enteritidis Sm24-Rif12-Ssq groeien ook niet in deze methode. De levende vaccinstam Salmonella Enteritidis 441/014 groeit wel in de ISO methode, er is een aparte PCR of biochemische test nodig om deze stam van veldstammen te onderscheiden.

Voor onderzoek van voermonsters gelden andere eisen die buiten het doel van dit document vallen.

PCR

Om de doorlooptijd van het onderzoek te verkorten kan een PCR ingezet worden. Deze wordt ingezet op het voorophopingsmedium na incubatie. De interpretatie van de PCR is afhankelijk van de gebruikte test. In tegenstelling tot de kweek toont een PCR namelijk ook onbeweeglijke salmonella's, bepaalde vaccinstammen, dode salmonella's en mogelijk lagere concentraties aan, daarbij is serotypering niet met alle PCR´s mogelijk. Afhankelijk van de specificaties van de PCR zal alsnog een kweek moeten worden afgemaakt. Een negatieve PCR betekent wel dat het onderzoek negatief is waardoor het onderzoek slechts één dag duurt in plaats van drie dagen. Inmiddels zijn er verscheidene PCR´s toegelaten voor monitoring. 

Serologie

Omdat alleen Salmonella Enteritidis en Salmonella Typhimurium duidelijk invasief zijn, zullen alleen na besmetting met een van deze typen afweerstoffen aantoonbaar zijn bij een deel van de dieren. Serologie zou dan ook alleen een rol kunnen spelen bij de monitoring van Salmonella Enteritidis en Salmonella Typhimurium, met typespecifieke ELISA’s. Pas 2 weken na besmetting zijn deze voldoende betrouwbaar.

Typering in het kader van brononderzoek

Nadere typering van salmonella’s kan op drie manieren. Faagtypering, PFGE (Pulsed Field Gel Electroforese) en MLVA (Multi Locus Varial Number Tandem Repeat Analysis).

Van deze methodes is MLVA de meest onderscheidende, eventueel kan het onderscheid nog worden verhoogd door deze methode te combineren met faagtypering. Het onderscheidend vermogen van de PFGE binnen diertypen is over het algemeen beperkt. Nadeel van de MLVA is echter dat deze methode per serotype ontwikkeld en gevalideerd moet worden, terwijl PFGE voor alle serotypen gebruikt kan worden. MLVA is momenteel beschikbaar voor Salmonella Enteritidis en (monofasische) Salmonella Typhimurium.

Verwante stammen op zichzelf zijn geen bewijs voor transmissie maar ondersteunen epidemiologische verbanden. Ook moet er rekening worden gehouden met de variatie in stammen in de populatie. Van twee endemische MLVA typen is de kans dat er een relatie is tussen de besmettingen kleiner dan bij exotische MLVA typen. Bij humane salmonellose uitbraken wordt tegenwoordig vaak een screening gedaan met MLVA gevolgd door Whole Genome Sequencing om epidemiologische verbanden vast te stellen.

Terug naar het begin van dit artikel

Prevalentie van salmonellose


Salmonella bevindingen worden gemeld aan de NVWA. Informatie over de actuele stand van zaken met betrekking tot het voorkomen van Salmonella in de diverse schakels van de pluimveehouderij moet daar gevraagd worden.

De European Food and Safety Authority (EFSA) verzamelt de gegevens op Europees niveau.

Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) rapporteert (op nationaal niveau) de stand van zaken met betrekking tot de volksgezondheid in de Staat der Zoönosen.

Terug naar het begin van dit artikel

Aanpak besmette bedrijven


 De uitvoering van salmonellabestrijding en preventie op nationaal niveau valt onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, in de praktijk uitgevoerd door de NVWA. Daarnaast staan in IKB aanvullende maatregelen.

Vermeerderingskoppels besmet met Salmonella Enteritidis of (monofasische) S. Typhimurium worden geruimd op stalniveau. Bij reproductiekoppels besmet met Salmonella Hadar, Salmonella Infantis, Salmonella Java en Salmonella Virchow wordt per besmetting bekeken of het koppel al dan niet geruimd wordt, in de praktijk zal dit vaak het geval zijn.

Belangrijke aspecten voor de aanpak van een salmonellabesmetting zijn: biocontainment, grondige reiniging en desinfectie en voorzorgsmaatregelen met betrekking tot het volgende koppel.

Biocontainment

Omdat een besmetting met bepaalde salmonellatypen ernstige economische gevolgen of ziektekundige problemen kan veroorzaken, is het belangrijk om de bacterie niet binnen het bedrijf of naar andere bedrijven te verslepen. Dit kan onder andere door de volgende maatregelen:
  • Bestrijding van ongedierte, vliegen, bloedluizen, etcetera.
  • Gereedschap en materialen per stal of bedrijf gebruiken.
  • Indien gereedschap in meerdere stallen wordt gebruik na gebruik het gereedschap ontsmetten.
  • De besmette stal/het besmette bedrijf altijd als laatste bezoeken.
  • Per stal/per bedrijf gebruikmaken van eigen kleding: laarzen, overall, handschoenen, mondkapje en haarnetje.
  • De gevoeligheid voor salmonella infectie kan tijdelijk verminderd worden bij andere koppels op het bedrijf, bijvoorbeeld tijdens afvoeren, zie Preventie van Salmonellose.
  • Mest afvoeren op een windstille en regenachtige dag, de mestcontainers afdekken en de mest niet uitrijden in de buurt van pluimvee.

Reiniging en desinfectie

Indien meerdere leeftijden op het bedrijf aanwezig zijn, is het gelijktijdig leeg maken van het hele bedrijf aan te raden; de kans dat andere koppels op het bedrijf (latent) besmet zijn is groot.
  • Afvoeren voer, mest en eieren van het bedrijf.
  • Stal nat reinigen met een schoonmaakmiddel.
  • De stal desinfecteren met een geschikt desinfectiemiddel.
  • Speciale aandacht is nodig voor reiniging en desinfectie van kieren en scheuren, voerleidingen, kabelgoten, lucht in- en uitlaadkleppen en voorruimten.
  • Voor Salmonella Java is een speciaal protocol beschikbaar.

Terug naar het begin van dit artikel

Preventie van salmonellose


Vrije herkomst

Enkel kuikens opzetten van moederdieren vrij van salmonella.

Salmonellavrij voer

Voerbesmettingen zijn bijzonder risicovol omdat deze iedere vorm van biosecurity passeren. Door gebruik te maken van salmonellavrije grondstoffen, verhitting van voer(bestanddelen) en indien nodig aanzuren wordt salmonellabesmetting via het voer zoveel mogelijk voorkomen.

Een gezamenlijk kwaliteitssysteem van veevoerleveranciers (SafeFeed) en eisen aan de productie (GMP+) moeten gebruik van Salmonella besmette grondstoffen en besmetting in de fabriek zoveel mogelijk voorkomen. Extra aandacht kan nodig zijn bij opslag van eigen grondstoffen zoals graan. Er is een verhoogde kans op besmetting door ongedierte of wild indien grondstoffen binnen één kilometer van veebedrijven wordt opgeslagen.

Het effect van aanzuren is sterk afhankelijk van de grondstof, de gebruikte zuren, de concentratie en de inwerkingstijd. Hogere concentraties en langere inwerktijd (3 tot 7 dagen) verhogen de effectiviteit. De effectiviteit kan variëren van één 10-log reductie tot niet meer aangetoond.

Hygiëne

Bedrijfshygiëne is gericht op het voorkomen van insleep van salmonella’s (en andere kiemen). In principe kan alles wat een pluimveestal binnenkomt (o.a. kippen, voer, bezoekers, (on)gedierte, insecten, gereedschap, water, lucht, machines, kippenkratten) besmet zijn met salmonella. Ook via het eierlokaal (eiertrays), de kadaverton en het erf (voertuigen, mestcontainers) die op het erf komen kan Salmonella op het bedrijf worden geïntroduceerd.

Het belang van transmissieroutes is afhankelijk van het serotype. Contacten binnen de pluimveesector zijn belangrijk voor verspreiding van ‘endemische’ serotypen zoals Salmonella Enteritidis, Salmonella Infantis en Salmonella Java. (Monofasische) Salmonella Typhimurium komt echter nauwelijks bij pluimvee voor en contacten met andere diersoorten (b.v. rundvee, varkens of duiven) zijn een belangrijk risico. De meeste salmonella's kennen een grote verscheidenheid van bronnen.

Belangrijke risicofactoren in het kader van hygiënemaatregelen zijn:
  • Nabijheid van (pluim)vee gerelateerde industrie
  • Nabijheid van andere (pluim)veehouderijbedrijven binnen een straal van 1 kilometer
  • Inrichting van het bedrijf, schone weg - vuile weg principe, denk hierbij ook aan de positie van de luchtinlaat
  • Bezoekers
  • Ongedierte & insecten
  • Uitwisselen van gereedschap en machines
  • Kratten voor afvoer van de dieren (m.n. bij uitladen)
  • Hergebruik van eiertrays
  • Omgang met de kadaverton

Vaccinatie

Het vaccineren van de opfokmoederdieren/-leghennen is mogelijk, er zijn zowel levende als geïnactiveerde vaccins beschikbaar. Levende vaccins geven zowel cellulaire als humorale immuniteit. Geïnactiveerde (dode) vaccins geven met name humorale immuniteit. Vaccinatie voorkomt infectie niet, het vermindert de hoogte en/of duur van de uitscheiding. Vaccinatie is dan ook geen vervanging van hygiënemaatregelen.

Bij vleeskuikens en vleeskalkoenen is vaccinatie minder gebruikelijk. De literatuur geeft aan dat gebruik van sommige levende vaccins kolonisatie van het coecum en inwendige organen verminderen, bij andere vaccinstammen werd dit effect niet gezien.

De meeste vaccins claimen bescherming tegen S. Enteritidis en/of S. Typhimurium. Daarnaast zijn er aanwijzingen dat een S. Enteritidis en S. Typhimurium duo-vaccin tijdens de niet-specifieke immuunrespons en/of kolonisatie met de vaccinstammen (binnen 7 dagen na vaccinatie) ook kruisbescherming biedt tegen S. Infantis. Bij eendagskuikens was het aantal salmonella’s aangetoond in de milt significant lager terwijl het aantal salmonella’s. in de ceaca niet verschilde tussen gevaccineerde en niet-gevaccineerde dieren. Bij opfok en volwassen dieren is er sprake van een verminderde kolonisatie van de caeca, kolonisatie door S. Infantis van de milt, ovarium en het oviduct trad niet of nauwelijks op. In hoeverre er sprake is van kruisbescherming op meer dan 7 dagen na vaccinatie is onbekend. Daarnaast is kruisbescherming tussen een experimentele S. Typhimurium vaccinstam en S. Heidelberg beschreven.

Darmflora

Een goede darmflora beschermt aantoonbaar tegen kolonisatie van salmonella's. Zo'n beschermende flora bestaat uit heel veel verschillende soorten, aerobe maar ook strikt anaerobe, micro-organismen. De ontwikkeling daarvan kost tijd. Bij oudere dieren is ze meestal 'van nature' aanwezig maar bij kuikens nog niet. Door op jonge leeftijd darmflora toe te dienen kan de spreiding en kolonisatie van Salmonella verminderd worden.

Commercieel verkrijgbare flora is afkomstig van SPF-dieren, dus wel vrij van ziekten maar verder niet gedefinieerd. Dit werkt snel, als kuikens in de broederij worden behandeld is bij aankomst op het pluimveebedrijf al aantoonbaar bescherming aanwezig. Indien kuikens afkomstig zijn van salmonella-positieve ouderdieren dan dient de flora al toegediend te worden in de uitkomstkast.

Naast startflora zijn er allerlei probiotica op de markt, vaak op basis van één of enkele bacteriestammen. De werking berust op competitie voor aanhechting, wegnemen van voedsel voor salmonella en/of aanmaken van bacterieremmende stoffen (waaronder boterzuur). De effectiviteit van probiotica kan van stam tot stam verschillen. De onderbouwing van de werkzaamheid van deze producten is vaak beperkt.  

Organische zuren  

Er zijn verschillende organische zuren tegen salmonella beschikbaar. De werking hangt af van het type en de locatie in de darm die de zuren bereiken. In voer, drinkwater of krop remmen de meeste zuren de groei van salmonella of doden dit zelfs af. Van MCFA (Medium Chain Fatty Acids, C5 - C11) wordt gesteld dat ze een sterkere antimicrobiële werking hebben dan de SCFA (Short Chain Fatty Acids, C1 - C4).

In de blinde darm (gecoate zuren) remmen de SCFA's propionzuur en boterzuur de kolonisatie en invasie van S. Typhimurium en S. Enteritidis. De SCFA's mierenzuur (formic acid) en azijnzuur stimuleren in de blinde darm juist de kolonisatie en invasie van deze salmonella's.

Terug naar het begin van dit artikel

Regelgeving


Europese regelgeving met als doel het verminderen van de salmonellaprevalentie is uitgewerkt in nationale regelgeving. Zoönotische salmonella’s zijn aangifteplichtig voor het laboratorium en specifieke serotypen moeten bij de NVWA gemeld worden. Monitoring is verplicht vanuit de Regeling preventie, bestrijding en monitoring besmettelijke dierziekten, zoönosen en TSE’s.

Een overzicht van het monitoringsprogramma staat op gddiergezondheid.nl > Diergezondheid > Monitoring

Aanvullend zijn in het IKB kwaliteitssysteem eisen opgenomen met betrekking tot maatregen na besmetting. Onder andere monitoring in de broederij en aanvullende maatregelen voor S. Java zijn in het IKB-systeem opgenomen.

Terug naar het begin van dit artikel

Websites en literatuur


Literatuur

Diseases of Poultry, 12th edition, Bacterial diseases, Paratyphoid infections, p. 636

Websites

FAO: http://www.codexalimentarius.org/download/standards/11780/CXG_078e.pdf

EU: http://www.efsa.europa.eu/en/topics/topic/salmonella.htm

NL: https://www.nvwa.nl/onderwerpen/salmonella (NVWA)

Terug naar het begin van dit artikel

Oude browser

We zien dat u gebruik maakt van een verouderde browser. Niet alle onderdelen van de website zullen daardoor goed functioneren. Download nu de laatste versie van uw browser om veilig te kunnen surfen.

GD maakt gebruik van cookies om onze website te analyseren en de functionaliteit te verbeteren. Meer info vind je in ons cookiebeleid.