BSE

Zoomfunctie

Moeite met het lezen van de tekst? Vrijwel alle populaire browsers geven u controle over hoe groot websites worden weergegeven.

  • Windows
    Mac OS
  • Zoom in
  • Zoom uit
  • Zoom 100%
  • Muiswiel op / neer

BSE

Bovine Spongiform Encephalopathy (BSE) is een langzaam verlopende aandoening van het centrale zenuwstelsel bij runderen, die uiteindelijk tot de dood leidt. De verwekker van BSE is een prion (proteinaceous infectious particle), aanwezig in onvoldoende verhit dierlijk materiaal. BSE is een meldingsplichtige ziekte volgens artikel 15 van de Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren. Verdenkingen moeten worden gemeld bij de NVWA. Aanpak van verdenkingen of besmettingen worden uitgevoerd volgens de dan geldende draaiboeken.

Nederland verloor op 17 maart 1997 haar BSE-vrije status met het bevestigen van de diagnose in het eerste klinische geval. Sinds 1994 werden in toenemende mate preventieve maatregelen getroffen met sinds 15-12-2000 het totale verbod op het gebruik van diermeel in alle diervoeders. Sinds 1-1-2001 worden alle dode volwassen runderen (destructie en slacht) onderzocht op BSE. Het aantal BSE-gevallen neemt de laatste jaren duidelijk af en bedroeg in 2006 en 2007 nog twee gevallen per jaar. In 2008 was er sprake van één geval, in 2009 was er geen geval en in 2010 waren er twee gevallen. Sindsdien zijn er geen nieuwe gevallen meer. Alle gevallen betroffen dieren geboren vóór het totale verbod op het gebruik van diermeel.

Direct naar:

De kiem

De verwekker van BSE is een prion. Bij het rund wordt diermeel in voer als de voornaamste besmettingsbron beschouwd. Waarschijnlijk is een éénmalige opname op jonge leeftijd van vijftig tot tweehonderd gram besmet diermeel voldoende voor besmetting (Zwitsers onderzoek).

Gevoelige diersoorten

Het prioneiwit is in Frankrijk ook aangetoond bij een geit.
Andere prionstammen veroorzaken Transmissible Spongiform Encephalopathy (TSE) bij andere diersoorten en de mens. Voorbeelden hiervan zijn scrapie bij het schaap en kuru en Creutzfeld Jacob Disease (CJD) bij de mens. In Amerika en Canada komt de aandoening Chronic Wasting Disease voor bij herten. In 2016 in Noorwegen aangetoond bij een rendier (eerste keer ooit in rendieren) en 2x in elanden (in Noord Amerika ook wel bij rendieren gevonden). Monitoring bij hertachtigen in NL indien dieren naar DWHC worden ingezonden met vermelding “zenuwverschijnselen” via NVWA en onderzoek bij WBVR (laatste jaren geen monsters onderzocht). Ook deze aandoening wordt veroorzaakt door een prioneiwit. Daarnaast is een vergelijkbare aandoening aangetoond bij katten. Een zorgwekkende ontwikkeling (2009) is de ontdekking van overdracht van BSE en scrapieprionen naar goudbrasem.

Volksgezondheid

Aangetoond is dat de BSE-epidemie in Groot-Brittannië aanleiding is geweest tot het ontstaan van een nieuwe variant van de ziekte van Creutzfeld Jacob bij de mens (vCJD). Deze relatie tussen de ziektes BSE en vCJD wordt verder onderzocht. 

In Europa zijn 177 gevallen van vCJD in Engeland en 3 in Nederland opgetreden.
Om elk risico op overdracht uit te sluiten, moeten slachthuizen hersenen, ruggenmerg, milt en ogen uit de karkassen van schapen, geiten en runderen ouder dan één jaar verwijderen en laten vernietigen als “specifiek risicomateriaal”.

Desinfectie

Het prioneiwit is zeer resistent tegen verhitting (langer dan 30 minuten bij 3 bar) en de meeste desinfectiemiddelen.

Terug naar het begin van dit artikel

Verschijnselen van BSE


Na een vaak jarenlange incubatietijd treden er door stapeling van pathogene prioneiwitten holten op in de neuronen en de grijze massa van de hersenstam. Deze holten kunnen bij histologisch onderzoek worden vastgesteld. Door de druk van het in de holten opgestapelde pathogene prioneiwit gaan de dieren afwijkend gedrag en vervolgens uitvalsverschijnselen vertonen. Na een slepend verloop eindigt de ziekte met de dood. De verschijnselen van BSE treden meestal op vanaf de leeftijd van drie jaar. Er zijn klinische gevallen beschreven bij dieren van één tot 12 jaar oud. Met name gevallen van één jaar worden beschouwd als grote uitzonderingen.


Klinische verschijnselen

De dieren zijn bij aanvang van de verschijnselen gemiddeld vier jaar oud en kunnen in een periode van 2 weken tot enkele maanden de volgende verschijnselen gaan vertonen:
  • Stadium 1: gedragsverandering (angst, zeer alert, slaan, ontwijken veehouder, anders dan voorheen reageren op bedrijfsroutine);
  • Stadium 2: neurologische verschijnselen (spiertrillingen, afwijkende gang, spontaan vallen);
  • Stadium 3: verandering in reactie op prikkels (aanraken, geluid en licht);
  • Stadium 4: steeds moeilijker overeind komen, totdat de dieren niet meer kunnen staan (vijftig procent van de dieren in Nederland werd pas in dit stadium opgemerkt).

Morbiditeit/mortaliteit

De morbiditeit is laag en verschilt sterk per land. De mortaliteit is 100%.

Uitscheiding van de kiem

Niet van toepassing. De ziekte wordt zeer waarschijnlijk niet overgedragen van moeder op nakomelingen (hoewel in Engeland een licht verhoogde kans op BSE bij nakomelingen werd aangetoond. Erfelijke gevoeligheid zoals bij de mens?).
Het gebruik van diermeel in rundveevoeders in het verleden wordt gezien als de veroorzaker van BSE. Het gebruik van diermeel is dan ook sinds maart 1999 verboden voor rundvee en vanaf december 2000 voor alle landbouwhuisdieren.

Differentiaaldiagnose

Als differentiaaldiagnose komen in aanmerking:
  • nerveuze acetonemie (ziektegeschiedenis kort)
  • kopziekte (ziektegeschiedenis kort)
  • hypocalcaemie (ziektegeschiedenis kort)
  • listeriose (ziektegeschiedenis meestal kort)
  • (meningo-)encephalitis (bijvoorbeeld Haemophilus somnus, Listeria, etc.)
  • corticocerebrale necrose
  • botulisme
  • rabiës
  • loodvergiftiging
  • hersentumor, -bloeding of -abces
  • middenoorontsteking
  • ziekte van Aujeszky (ziektegeschiedenis kort)
  • ruggenmergtrauma of -abces
  • uremie
  • chronisch leverlijden
  • restverschijnselen na elektrische schok

Diagnose van BSE


Diagnostische testen voor het vaststellen van BSE aan het levende dier zijn nog altijd niet beschikbaar. De waarschijnlijkheidsdiagnose bij het levende dier wordt daarom gesteld op basis van de klinische verschijnselen. De definitieve diagnose kan alleen post mortem worden gesteld bij Wageningen Bioveterinary Research (WBVR) in Lelystad via histologisch onderzoek van het hersenweefsel en een immunohistochemietest op het voor BSE kenmerkende prioneiwit.

Pathologie

Vooralsnog is voor de BSE-diagnose materiaal van het centraal zenuwstelsel nodig. Daarmee worden de mogelijkheden per definitie beperkt tot post-mortem diagnostiek. De op dit moment beschikbare testen voor het aantonen van BSE zijn gevalideerd op materiaal van klinische gevallen. Over de mogelijkheden van deze testen voor het aantonen van het pathogene prion-eiwit in pre-klinische stadia is onvoldoende bekend. Wel zijn grote verschillen tussen testen gevonden voor wat betreft de detectiegrens in verdunningsreeksen van hersensuspensies, suggererend dat sommige testen beter in staat zijn preklinische stadia op te sporen dan andere. BSE tast vooral de grijze stof in de hersenen aan, waarbij de hoogste concentraties aan pathogene prionen worden gevonden in de hersenstam. Met name ter hoogte van de obex (overgangsgebied centraal kanaalventrikel) liggen enkele zenuwkernen waarin pathogene prionen accumuleren. In dit gebied worden ook de duidelijkste afwijkingen gevonden bij histopathologisch onderzoek. Het pathogene proteinase-resistente prion wordt niet afgebroken en accumuleert als aggregaten in het cytoplasma van neuronen in de vorm van Scrapie Associated Fibrils (SAFs). Deze fibrillen zijn goed te herkennen onder een elektronenmicroscoop.

Isolatie van de kiem

Niet mogelijk.

Overige testen

Snelle testen

Voor grootschalig onderzoek zijn testen nodig die snel een uitslag geven (binnen 6 tot 24 uur). De Europese Commissie heeft meerdere testen goedgekeurd (zie hiervoor EC 162/2009). De verschillende lidstaten maken zelf de keuze welke test te gebruiken. De testen werden ingezet bij het onderzoek van geslachte en dode dieren ouder dan 30 resp. 24 maanden. Deze perioden zijn sinds 1-7-2011 in verband met het lage aantal gevonden gevallen in alle Europese lidstaten (met uitzondering van Roemenië en Bulgarije) aangepast naar 72 resp. 48 maanden. En sinds 1 februari 2013 hoeven in Europa-25 (excl. Roemenie en Bulgarije) nog slechts de risico groepen (gestorven dieren en klinische verdenkingen) onderzocht te worden en geen geslachte gezonde runderen meer. Sinds 2013 hebben de landen met de OIE status “negligible risk” de controle van geslachte dieren afgeschaft en worden nog alleen gestorven dieren > 48 maanden onderzocht.

Bevestigingstest

Deze test wordt ingezet bij klinisch verdachte dieren en bij dieren met een reactie in de snelle test. De door de Europese Commissie goedgekeurde testen staan eveneens in EC 162/2009.
Bij histopathologisch onderzoek van delen van de hersenstam kunnen verdachte laesies worden aangetroffen. Confirmatie van deze verdenking wordt vervolgens uitgevoerd door elektronenmicroscopisch onderzoek (SAFs) en immunohistochemie. Bij immunohistochemisch onderzoek wordt het prioneiwit in een coupe aangekleurd door de coupe te incuberen met twee polyvalente of één monovalent specifiek antiserum. Uiteindelijk ontstaat een onoplosbaar, gekleurd chromogeen, dat waarneembaar is onder de lichtmicroscoop. Een voordeel is dat de kleurreactie kan worden beoordeeld in samenhang met de gevonden laesies en in samenhang met de aangekleurde celtypen. Hierdoor is een goede interpretatie van specifieke of eventuele aspecifieke reacties mogelijk. De test duurt 8 -10 dagen.

Terug naar het begin van dit artikel

Prevalentie van BSE


Nederland

In Nederland is het laatste geval vastgesteld in 2010. Zie de bijlage voor de Nederlandse gevallen.

Andere landen

Engeland en Ierland hebben verreweg het hoogste aantal BSE-besmettingen. Op het continent zijn de meeste BSE-gevallen vastgesteld in Zwitserland. Daarna volgen Portugal, Frankrijk en Duitsland. Incidenteel is BSE ook gediagnosticeerd in Denemarken, België, Italië en Spanje. Sedert 2001 zijn ook enkele gevallen aangetoond in de oude Oostbloklanden. BSE is daarnaast vastgesteld in Japan, de Verenigde Staten en Canada.
Op basis van OIE-meldingen is onderstaande de status per tweede kwartaal 2020:
Land
OIE status
Eerste geval
Laatste
Geval*
Gevallen
1989-2014
2015
totaal
 
 
Opmerking
België
Negligible risk
1997
2006
133
 
 
Denemarken
Negligible risk
2000
2009
16
 
 
In 1992 één import geval
Duitsland
Negligible risk
2000
2014
415
 
 
1992-1998 zes importgevallen
Engeland (UK)
Controlled risk
1987
2013
184.624
 
 
Incl. Kanaaleilanden en Noord-Ierland
Finland
Negligible risk
2001
2001
1
 
 
Frankrijk
Controlled risk
1991
2013
1025
 
 
Eén in derde kwartaal
Griekenland
Controlled risk
2001
2001
1
 
 
Ierland
Controlled risk
1989
2015
1639
1
 
 
Een dier van 65 maanden oud
Italië
Negligible risk
2001
2009
144
 
 
In 1994 twee importgevallen
Liechtenstein
Negligible risk
1999
1999
2
 
 
Luxemburg
Negligible risk
1997
2007
3
 
 
Nederland
Negligible risk
1997
2010
88
 
 
Noorwegen
Negligible risk
 
2015
 
1
 
 
 Een dier in het eerste kwartaal
Oostenrijk
Negligible risk
2001
2010
8
 
 
Polen
Negligible risk
2002
2012
74
 
 
Portugal
Negligible risk
1990
2012
1082
 
 
Roemenië
Negligible risk
2014
1
 
 
Eerste en atypisch geval in tweede kwartaal 2014
Slovenië
Negligible risk
2001
2006
8
 
 
Slowakije
Negligible risk
2001
2010
25
 
 
Spanje
Negligible risk
2000
2012
787
 
 
Eén in derde kwartaal 2014
Tsjechië
Controlled risk
2001
2009
30
 
 
Zweden
Negligible risk
2005
2005
1
 
 
Zwitserland
Negligible risk
1990
2012
467

 
 

Terug naar het begin van dit artikel

Aanpak besmette bedrijven


Vaccinatie

Niet van toepassing.

Antibiotica

Niet van toepassing

Meldingsplicht

De aanpak van BSE bestaat uit het testen van runderen aan de slachtlijn en runderen die ter destructie worden aangeboden. Daarnaast is BSE meldingsplichtig. Dit betekent dat bij een verdenking de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) van het Ministerie van LNV moet worden ingeschakeld. Verdachte dieren worden overgenomen door de overheid en bij een aangetoonde besmetting worden ook dieren met een verhoogd risico overgenomen en vernietigd. De NVWA is belast met de uitvoering.

Slachtlijn- en destructieonderzoek

Sinds 2001 werden alle geslachte dieren ouder dan 30 maanden via de snelle test gecontroleerd op BSE. Bovendien werden alle voor destructie aangeboden dieren ouder dan 24 maanden aan deze test onderworpen. Sinds 1-7-2011 zijn deze perioden aangepast naar respectievelijk 72 en 48 maanden. En sinds 1 februari 2013 hoeven in Europa-25 (excl. Roemenie en Bulgarije) nog slechts de risicogroepen (gestorven dieren en klinische verdenkingen) onderzocht te worden en geen geslachte gezonde runderen meer. Sinds 2013 hebben de landen met de OIE status “negligible risk” de controle van geslachte dieren afgeschaft en worden nog alleen gestorven dieren > 48 maanden onderzocht.

Verdachte dieren

Klinisch verdachte dieren moeten worden gemeld bij het Centraal Meldpunt Dierziekten (0800-0488). Vervolgens worden deze dieren beoordeeld door een zogenaamd specialistenteam, bestaande uit een dierenarts van de NVWA en de practicus. Als BSE niet kan worden uitgesloten, wordt het dier overgenomen door de NVWA en voor onderzoek aangeboden aan het CVI in Lelystad.
Het betreffende bedrijf wordt ‘op slot’ gezet tot de uitslag bekend is (ongeveer tien dagen).

Programma’s buitenland

In Europa is de aanpak van BSE vergelijkbaar met Nederland. Buiten Europa wordt vaak slechts steekproefsgewijs uit de risicogroep (“fallen stock”) getest. zoals nu ook in Europa-25.

Terug naar het begin van dit artikel

Preventie van BSE


De preventie van BSE is gebaseerd op een driesporenbeleid:

  • een verbod op het gebruik van diermeel in diervoeder (sinds maart 1999 volledig voor rundvee en sinds 15 december 2000 voor alle landbouwhuisdieren);
  • het verwijderen van risico-organen (‘specifiek risicomateriaal’, bijvoorbeeld hersenen en ruggenmerg) bij de slacht (in Nederland van kracht sinds september 1997, in de overige lidstaten van de EU sinds oktober 2000);
  • sinds 1 februari 2013 hoeven in Europa-25 (excl. Roemenie en Bulgarije) alleen risicogroepen (gestorven dieren en klinische verdenkingen) worden onderzocht.     

Regelgeving


De ‘Regeling aanwijzing besmettelijke dierziekten’ is op BSE van toepassing. Deze regeling is gebaseerd op de artikelen 15 en 100 van de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren. Bij een (verdenking van een) uitbraak van BSE zijn alle bestrijdingsmaatregelen uit de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren van toepassing. Op grond van de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren moet de dierenarts aangifte doen bij de daarvoor door de minister aangewezen ambtenaar en bij de burgemeester van de gemeente waarin het dier zich bevindt. In de praktijk wordt de melding gedaan bij het Centrale Meldpunt Dierziekten (0800-0488).


Besmet dier

Blijkt uit onderzoek van het CVI in Lelystad dat het dier besmet is, dan worden alle dieren met een verhoogd BSE-risico op gebruikswaarde getaxeerd en door de NVWA overgenomen. Van al deze geruimde dieren wordt hersenmateriaal onderzocht op BSE en de karkassen worden adequaat vernietigd (verbrand).
De overige op het bedrijf aanwezige dieren worden door het ministerie van economische zaken (EZ) in het identificatie- en registratiesysteem (I&R-systeem) gemerkt. Deze dieren komen niet in aanmerking voor levende export naar specifieke landen. Melk- en vleesproducten van gedeeltelijk geruimde bedrijven worden door het bedrijfsleven afgenomen. Eventuele extra kosten worden door het bedrijfsleven gedragen.
Tot nu toe zijn op geen enkel bedrijf in Nederland waar BSE bij een rund is vastgesteld, andere met BSE besmette dieren gevonden.

Risicogroepen bij besmetting

Bij vaststelling van een besmetting van BSE bij een koe behoren de volgende dieren tot de risicogroepen die door de NVWA worden overgenomen:
  • Nakomelingen die zijn geboren in de laatste 2 jaren voordat, of in de periode nadat de eerste klinische verschijnselen van BSE zijn vastgesteld.
  • Geboortecohort: runderen geboren op hetzelfde bedrijf als het besmette rund in de periode van 12 maanden voor tot 12 maanden na de geboorte van het besmette rund.
  • Voedercohort: runderen die gedurende hun eerste levensjaar tegelijkertijd verbleven op een bedrijf waar het besmette rund gedurende zijn eerste levensjaar verbleef; indien het besmette rund ouder is dan 5 jaar, wordt de periode van 1 jaar verlengd met het aantal dagen dat het rund ouder is dan 5 jaar.

Websites en literatuur


Websites

Literatuur

The price of the precautionary principle: Cost-effectiveness of BSE intervention strategies in the Netherlands. A. Benedictus, H. Hogeveen, B.R. Berends. Prev Vet Med 2009; 89:212-222

Prion Diseases and Emerging Prion Diseases. T. Yokoyama, S. Mohri. Cur Med Chem 2008; 15:912-916

Staufenbiel R, Hamalainen M. Berl Munch Tierarztl Wochenschr 2002 Mar-Apr;115(3-4):99-105

Borchers K. Berl Munch Tierarztl Wochenschr 2002 Mar-Apr;115(3-4):81-90

Animal-derived feedstuffs as possible vectors for bovine encephalopathy (BSE) in Germany. Part 2: Assessment of vector risk for compounded feed. Zentek J, Oberthur RC, Kamphues J, Kreienbrock L, Flachowsky G, Coenen M. Dtsch Tierarztl Wochenschr 2002 Feb;109(2):43-51

Transmissible subacute spongiform encephalopathies in animals. Fontaine JJ. Rev Prat 1999 May 1;49(9):959-65

The transmission dynamics of BSE and vCJD. Ghani AC, Donnelly CA, Ferguson NM, Anderson RM. C R Acad Sci III 2002 Jan;325(1):37-47

Strain characterization of natural sheep scrapie and comparison with BSE. Bruce ME, Boyle A, Cousens S, McConnell I, Foster J, Goldmann W, Fraser H. J Gen Virol 2002 Mar;83(Pt 3):695-704

Differential diagnosis of infections with the bovine spongiform encephalopathy (BSE) and scrapie agents in sheep. Jeffrey M, Martin S, Gonzalez L, Ryder SJ, Bellworthy SJ, Jackman R. J Comp Pathol 2001 Nov;125(4):271-84

A critical review of the nature of the spongiform encephalopathy agent: protein theory versus virus theory. Narang H. Exp Biol Med (Maywood) 2002 Jan;227(1):4-19

Bovine spongiform encephalopathy. Suarez Fernandez G. An R Acad Nac Med (Madr) 2001;118(3):617-31

Rapid test for the preclinical postmortem diagnosis of BSE in central nervous system tissue. Grassi J, Comoy E, Simon S, Creminon C, Frobert Y, Trapmann S, Schimmel H, Hawkins SA, Moynagh J, Deslys JP, Wells GA.  Vet Rec 2001 Nov 10;149(19):577-82

Genetic factors of BSE become visible via cow cloning.van't Hooft AJ. Tijdschr Diergeneeskd 2001 Oct 15;126(20):664-5

Epidemiology of transmissible spongiform encephalopathies (prion diseases) in Austria. Radbauer C, Hainfellner JA, Jellinger K, Pilz P, Maier H, Kleinert R, Budka H. Wien Med Wochenschr 1998;148(4):101-6

High-dose exposure to systemic phosmet insecticide modifies the phosphatidylinositol anchor on the prion protein: the origins of new variant transmissible spongiform encephalopathies? Purdey M. Med Hypotheses 1998 Feb;50(2):91-111

Kuru and "new variant" CJD. Verdrager J. Southeast Asian J Trop Med Public Health 1997 Sep;28(3):535-40

Terug naar het begin van dit artikel

Bijlage


 

Nr
Datum
Plaats
Ontdekkingswijze
Leeftijd dier
 Opmerkingen
88
27-12-2010
lippenhuizen
Snelle test destructie
14
 
87
4-10-2010
odiliapeel
Snelle test destructie
13
 
86
27-8-2010
grijpskerke
Snelle test slachthuis
11
 
85
20-5-2008
Wapse
klinische verschijnselen
8
 
84
9-10-2007
Beers
Snelle test slachthuis
7
 
83
April 2007
Aalten
Snelle test slachthuis
8
 
82 
3-3-2006 
Dinkelland 
Snelle test slachthuis 
 
81 
16-2-2006 
Oude IJsselstreek 
Snelle test slachthuis 
 
80  
2-12-2005 
Hof van Twente 
Snelle test slachthuis 
 
79 
11-11-2005
Gulpen
Snelle test slachthuis
5
 zoogkoe
78
29-06-2005
Lopik
Snelle test slachthuis
5
 
77
10-12-2004
Bodegraven
Snelle test slachthuis
6
 
76
14-5-2004
Abbenbroek
Snelle test slachthuis
8
 
75
26-3-2004
Geldermalsen
Snelle test slachthuis
12
 
74
9-3-2004
Blankenham
Snelle test slachthuis
7
 
73
20-2-2004
Bergeijk
Snelle test slachthuis
7
 
72
6-2-2004
Hengelo (Ov.)
Snelle test destructie
7
 
71
30-12-2003
Tubbergen
Snelle test slachthuis
7
 
70
27-11-2003
Haarsteeg
Snelle test destructie
6
 
69
27-11-2003
Kesteren
Snelle test slachthuis
7
 
68
4-11-2003
Reeuwijk
Snelle test slachthuis
6
 
67
4-11-2003
Twenterand
Snelle test slachthuis
7
 
66
23-10-2003
Kiel-Windeweer
Snelle test slachthuis
4
 
65
2-10-2003
Lingewaal
Snelle test slachthuis
6
 
64
25-9-2003
Lingewaal
snelle test slachthuis
6
 
63
21-8-2003
Noordbeemster
snelle test destructie
6
 
62
25-7-2003
Lopik
klinische verschijnselen
6
 
61
7-6-2003
Gendt
snelle test slachthuis
6
 
60
16-5-2003
Boarnsterhim
snelle test destructie
5
 
59
24-4-2003
Huppel (Winterswijk)
snelle test slachthuis
6
 
58
1-4-2003
Reeuwijk
snelle test slachthuis
12
 
57
27-2-2003
Etten-Leur
snelle test destructie
6
 
56
24-1-2003
Tricht
snelle test slachthuis
5
 
55
23-1-2003
Almelo
snelle test slachthuis
7
 
54
21-1-2003
Hengevelde
klinische verschijnselen
6,5
 
53
7-1-2003
Holten
snelle test slachthuis
6
 
52
5-12-2002
Dalem
snelle test slachthuis
5
 
51
21-11-2002
Boekel
snelle test destructie
4,5
 
50
14-11-2002
Lunteren
snelle test slachthuis
9,5
 
49
7-11-2002
Wijhe
snelle test slachthuis
4
 
48
5-11-2002
Notter
klinische verschijnselen
6,5
 
47
31-10-2002
Brandwijk
snelle test slachthuis
10,5
 
46
24-10-2002
Enspijk
snelle test slachthuis
5
 
45
24-10-2002
Enzinge
snelle test destructie
4,5
 
44
10-10-2002
Vlagtwedde
snelle test slachthuis
5
 
43
11-9-2002
Dinkelland
snelle test slachthuis
7
 
42
20-8-2002
Brandwijk
snelle test noodslachting
7,5
 
41
26-7-2002
Skarsterlân
snelle test destructie
6,5
 
40
12-7-2002
Tubbergen
snelle test slachthuis
6
 
39
3-6-2002
Zundert
snelle test slachthuis
7
 
38
30-5-2002
Laren (Gld)
snelle test slachthuis
6
 
37
30-5-2002
Scharsterbrug
snelle test destructie
7
 
36
13-5-2002
Ubbergen
snelle test noodslachting
8
 
35
23-4-2002
Genderen
snelle test destructie
5,5
 
34
29-3-2002
Vorden
snelle test destructie
5
 
33
19-3-2002
Terschuur
snelle test destructie
5,5
 
32
21-2-2002
Barneveld
snelle test slachthuis
5,5
 
31
1-2-2002
Fijnaart
snelle test destructie
7
 
30
28-1-2002
Raalte
klinische verschijnselen
6
 
29
17-1-2002
Hengevelde
snelle test slachthuis
5
 
28
27-12-2001
Aalburg
snelle test slachthuis
4
 
27
27-12-2001
Hellendoorn
snelle test slachthuis
5
 
26
20-12-2001
Veghel
snelle test slachthuis
5,5
 
25
1-11-2001
Munnekezijl
Snelle test destructie
5,5
 
24
17-10-2001
Denekamp
Klinische verschijnselen
5
 
23
11-10-2001
Wehl
Snelle test slachthuis
5
 
22
4-10-2001
Bergambacht
Snelle test slachthuis
13,5
 
21
19-9-2001
Woudenberg
Klinische verschijnselen
7
 
20
23-8-2001
Ambt Delden
Snelle test slachthuis
5
 
19
24-7-2001
Eerbeek
Snelle test slachthuis
7
 
18
14-6-2001
Barneveld
Snelle test destructie
6,5
 
17
11-6-2001
Olst
Klinische verschijnselen
5,5
 
16
2-5-2001
Laag Keppel
Klinische verschijnselen
6
 
15
17-4-2001
Aalten
Klinische verschijnselen
9
 
14
1-3-2001
Losser
Snelle test slachthuis
4
 
13
18-2-2001
Didam
Snelle test slachthuis
4
 
12
14-2-2001
Zelhem
klinische verschijnselen
5
 
11
8-2-2001
Lunteren
Snelle test slachthuis
5,5
 
10
1-2-2001
Mill en St. Hubert
Snelle test slachthuis
5,5
 
9
11-1-2001
Olst
Snelle test destructie
8
 
 
1-1-2001
Invoering snelle test aan de slachtlijn
 
 
 
8
29-12-2000
Punthorst
Klinische verschijnselen
6
 
7
16-11-2000
Eibergen
Klinische verschijnselen
7
 
6
17-3-1999
Markelo
Klinische verschijnselen
6
 
5
7-1-1999
Westbroek
Klinische verschijnselen
5
 
4
22-10-1998
Heeten
Klinische verschijnselen
6,5
 
3
26-8-1998
Rhederveld
Klinische verschijnselen
6
 
2
7-4-1997
Kollum
Klinische verschijnselen
6
 
1
21-3-1997
Wilp
Klinische verschijnselen
5
 

Terug naar het begin van dit artikel

Oude browser

We zien dat u gebruik maakt van een verouderde browser. Niet alle onderdelen van de website zullen daardoor goed functioneren. Download nu de laatste versie van uw browser om veilig te kunnen surfen.

GD maakt gebruik van cookies om onze website te analyseren en de functionaliteit te verbeteren. Meer info vind je in ons cookiebeleid.