- Home
- Diergezondheid
- Dierziekten
- Malleus
Malleus (Kwade droes)
Malleus (ook wel: kwade droes, glanders, farcy) is een besmettelijke en fatale bacteriële ziekte die wordt veroorzaakt door de bacterie Burkholderia mallei. Deze bacterie komt uitsluitend voor bij zoogdieren en heeft een warmbloedige gewervelde gastheer nodig om te overleven. De belangrijkste natuurlijke gastheren voor B. mallei zijn leden van de familie Equidae (paarden, muilezels, ezels).
De ziekte wordt gekarakteriseerd door knobbels en zweren in de voorste luchtwegen, de longen, de huid en soms diverse andere organen. De bacterie kan ook carnivoren en mensen besmetten en is dan dodelijk. Om deze reden wordt hij sinds de oudheid beschouwd als een potentieel bioterroristisch agens, evenals de verwante kiem Burkholderia pseudomalleï, de veroorzaker van melioidosis. Sinds halverwege de vorige eeuw is malleus in de meeste ontwikkelde landen uitgeroeid, maar vanwege een aantal uitbraken in West-Azië (Afghanistan, Koeweit, Iran, Irak, Pakistan, Syrië), Afrika en Zuid-Amerika (Brazilië) in de afgelopen 10-20 jaar heeft de ziekte op dit moment een status als ‘re-emerging disease’.
Meldingsplicht
Malleus is een meldingsplichtige en bestrijdingsplichte ziekte volgens de Europese diergezondheidsverordening (Animal Health Regulation AHR). Sinds 21 april 2021 valt het voorkomen en bestrijden van dierziekten onder deze Europese verordening. Elke verdenking van de ziekte in Nederland dient te worden gemeld bij de NVWA. De NVWA heeft een landelijk meldpunt voor bestrijdingsplichtige dierziekten, te bereiken via 045 - 5463188. Dit telefoonnummer is 24 uur per dag en 7 dagen per week bereikbaar.
Veterinair kennisdossier Malleus
- Inleiding
- Verschijnselen
- Diagnose
- Prevalentie
- Aanpak besmette bedrijven
- Preventie
- Regelgeving
- Websites en literatuur
- Kwade droes bij kleine herkauwers en kameelachtigen
Inleiding
De kiem
De bacterie Burkholderia mallei was voorheen bekend als Pseudomonas malleï. Het zijn rechte Gram-negatieve staafjes met afgeronde uiteinden, 2-5 µm lang en 0,3 tot 0,8 µm dik. Ze hebben geen kapsel en vormen geen sporen. Toch worden ze beschermd tegen uitwendige invloeden door een soort hulsje van koolhydraten. De bacteriën zijn onbeweeglijk omdat ze geen flagellen hebben, wat ze onderscheidt van hun nauwe verwant B. pseudomallei.
Gevoelige diersoorten
De acute vorm van malleus treft voornamelijk ezels en muilezels en leidt tot een snelle verslechtering en de dood binnen enkele dagen tot weken. Paarden vertonen vaker een chronisch verloop, hetgeen maanden of jaren in beslag kan nemen. Het klinisch beeld van malleus (kwade droes) bij paarden kan fluctueren, waarbij er perioden van schijnbare verbetering kunnen optreden gevolgd door verergering van de symptomen. Chronische gevallen zijn meestal ook fataal, hoewel sommige dieren kunnen herstellen en levenslang drager kunnen blijven. Naast paarden, ezels en muilezels kunnen ook honden, katten, geiten, schapen en kamelen worden besmet, evenals wilde diersoorten (onder andere in dierentuinen) als beren, wolven en katachtigen. Carnivoren worden besmet door het eten van besmet vlees. Koeien, varkens en vogels zijn ongevoelig voor de infectie. Van de laboratoriumdieren zijn hamsters en cavia’s het meest gevoelig, muizen worden ook gebruikt voor experimentele infecties en vaccin evaluaties.
Volksgezondheid
Mensen kunnen worden besmet door direct contact met respiratoire secreta zoals neusuitvloeiing, purulent exsudaat uit huidlaesies, aerosolen van zieke dieren, door besmette materialen, of door aerogene infectie als gevolg van bioterrorisme. Vooral verzorgers, dierenartsen en laboratoriummedewerkers die werken met besmette dieren of besmet materiaal lopen risico op infectie. Burkholderia mallei is tijdens de Eerste en Tweede Wereldoorlog en mogelijk door de voormalige Sovjet Unie in Afghanistan tussen 1982 en 1984 gebruikt als biologisch wapen. Onbehandeld sterft 95% van de geïnfecteerde mensen binnen 3 weken. Materiaal van besmette dieren is dus zeer gevaarlijk en er mag alleen mee worden gewerkt door hiervoor speciaal erkende laboratoria, die zeer strenge biosecurity maatregelen handhaven voor groep 3-pathogenen. Alleen door een vroege behandeling met een combinatie van verschillende systemische antibiotica kan (humane) sterfte worden voorkomen, maar ook dan nog kan een chronische infectie met abcessen ontstaan. Transmissie van mens naar mens is zeldzaam; er zijn slechts enkele gevallen beschreven bij familieleden die patiënten verpleegden.
Overleving in de omgeving
Hoewel de bacterie buiten het lichaam van een zoogdier weinig resistent is tegen uitdroging, hitte, zonlicht en chemicaliën, kan de overleving in de omgeving onder gunstige omstandigheden (koel, vochtig) maanden en volgens sommigen zelfs een jaar zijn. Onder voor de bacterie ongunstige omstandigheden is de overleving maximaal twee weken.
Overdracht van de bacterie
Excreta uit de luchtwegen en abcessen/knobbels in de huid zijn besmettelijk, overdracht tussen dieren wordt vergemakkelijkt door nauw contact, inademing, opnemen van besmet materiaal (bijv. uit besmette voer- en waterbakken) of door inoculatie (bijv. via tuigage). De incubatietijd kan variëren van enkele dagen tot vele maanden.
Desinfectie
De bacterie is gevoelig voor de meeste gebruikelijke ontsmettingsmiddelen zoals benzalkoniumchloride, 1% natriumhypochloriet, 70% alcohol, 2% glutaaraldehyde, jodium, kwikchloride in alcohol en kaliumpermagnaat. Fenolen werken minder goed. Verhitting gedurende 10 minuten bij 55 °C of meer en UV-bestraling zijn ook effectief om de bacterie te doden.
Verschijnselen van Malleus
Klinisch beeld
Malleus wordt gekenmerkt door de vorming van knobbelvormige laesies in de longen en zweren in de slijmvliezen van de voorste luchtwegen. De acute vorm van kwade droes zoals die vooral wordt gezien bij ezels en muildieren, geeft hoesten, koorts en neusuitvloeiing. Daarna volgt binnen enkele dagen sepsis en sterfte. De chronische vorm, die vooral wordt gezien bij paarden, geeft intermitterende koorts, zwakte en nasale en subcutane knobbels die doorbreken tot zweren. Sterfte kan nog na maanden optreden, maar dieren kunnen de infectie ook overleven en dragers worden.
Paarden en paardachtigen
Bij equiden (paard, ezel, muilezel) onderscheiden we drie vormen van de aandoening: een nasale vorm, een pulmonaire vorm en een cutane vorm. Deze vormen komen vaak gelijktijdig voor.
Bij de nasale vorm zien we diepe zweren en knobbels in de neusholten, met een dikke purulente witgele neusuitvloeiing waarin soms bloed zit. Deze uitvloeiing kan eenzijdig of beiderzijds zijn. Daarnaast zijn de submandibulaire lymfeklieren vergroot, verhard en kunnen soms doorbreken.
Bij de pulmonaire vorm ontwikkelen zich knobbels en abcessen in de longen. Dit gaat in sommige gevallen slechts gepaard met geringe benauwdheid en neusuitvloeiing, maar kan ook leiden tot ernstige respiratoire verschijnselen zoals hoesten, benauwdheid en periodieke koortspieken.
Bij de cutane vorm (farcy) zitten er knobbels in de huid langs de lymfebanen. Deze knobbels kunnen doorbreken en een olieachtig stinkend geel purulent exsudaat afscheiden.
In geval van een chronisch verloop van de aandoening is er sprake van geleidelijke vermagering, hoestklachten, benauwdheid en intermitterende koortsperiodes. Uitwendige symptomen zijn gezwollen lymfeklieren, chronische neusuitvloeiing, zweren, knobbels en stervormige littekens op het neusslijmvlies. Door progressie van de chronische vorm sterft het dier meestal binnen vijf jaar.
Bij paarden kunnen ook atypische vormen van malleus voorkomen. Verdegaal et al. (proceedings Xth EIDC, 2016) beschreven 22 seropositieve paarden die alleen verschijnselen lieten zien zoals koorts, enige neusuitvloeiing, een gezwollen achterbeen of een huidzweer, of die slechts positief getest werden voor export. Vijf atypische gevallen die in meer detail gevolgd en beschreven werden, ontwikkelden uiteindelijk allemaal na maanden tot jaren wel duidelijke ziekteverschijnselen.
Herkenbare verschijnselen van kwade droes en daarmee samenhangend een definitieve diagnose kunnen lang op zich laten wachten. De diagnostiek wordt beïnvloed door toediening van antibiotica, waarna de bacterie zelf lastig aan te tonen is, fluctuerende antistoftiters en de matige sensitiviteit van serologische testen. Of er diagnostiek wordt ingezet hangt af de mate waarin eigenaren en dierenartsenbekend zijn met deze aandoening en de prevalentie in het betreffende gebied. Ook kan mate van virulentie van de betrokken stam de ernst en voorkomen van de klinische verschijnselen beïnvloeden en daarmee het ziektebeeld meer of minder herkenbaar maken.
Katten en katachtigen
Bij katten en katachtigen komen knobbels en zweren voor in de neusholten en op de slijmvliezen, maar ook in de diepere luchtwegen. De dieren hebben een typische purulente witgele neusuitvloeiing met bloedbijmenging. De lymfeklieren zijn gezwollen, de dieren zijn benauwd en sterven binnen 1 tot 2 weken.
Mensen
Bij mensen wordt malleus voornamelijk overgedragen door het direct binnendringen van de bacterie via een beschadigde huid, door inademing of via contact met slijmvliezen. De ziekte kan zich in vier vormen voordoen: septikemie, longontsteking, acute - en chronische gelokaliseerde infectie. Welke vorm optreedt hangt grotendeels af van de blootstellingsroute. De septikemische vorm met koorts, rillingen, spierpijn, en pijn in de borst ontwikkelt zich snel en heeft een dodelijke afloop na 24 tot 48 uur door algemeen orgaanfalen. De pulmonale vorm, door inhalatie van de kiem, geeft longabcessen en longontsteking met koorts, hoesten, pijn in de borst en benauwdheid. Zonder behandeling gaat deze vorm over in de septikemische vorm. De gelokaliseerde infectie wordt gekenmerkt door knobbels, abcessen en zweren in slijmvliezen, huid, lymfevaten en onderhuids bindweefsel, vergezeld van koorts, zweten, malaise, zwelling van de lymfeklieren en purulente uitvloeiing uit de laesies. Bij veel humane patiënten wordt een korte periode van ogenschijnlijk herstel gerapporteerd, waarna de tweede fase van de ziekte intreedt. Na 1 tot 4 weken verspreiden de abcessen zich verder naar de inwendige organen met de septikemische vorm als gevolg. In de chronische vorm kan de ziekte wel 25 jaar duren met vermagering, lymfeklierontstekingen en overal in het lichaam verspreide abcessen. Veel organen kunnen hierbij aangetast zijn, zoals de huid, de subcutane weefsels, de lever, de nier, de milt, het maagdarmkanaal, de luchtwegen, de longen en de skeletspieren. In het kader van biologische oorlogsvoering (waarschijnlijk aerogene verspreiding) is optreden van de pulmonale vorm het meest waarschijnlijk.
Morbiditeit/mortaliteit
De ziekte kan zich snel verspreiden als grote aantallen paarden nauw contact met elkaar hebben. De morbiditeit bleek bij experimenten 30% te zijn. De mortaliteit is 95%. Acute infecties zijn vrijwel altijd op korte termijn dodelijk. Dieren met de chronische vorm kunnen echter nog jaren overleven en daarmee een risico vormen voor overdracht van de infectie. Ezels zijn, vergeleken met paarden en muilezels, bijzonder vatbaar voor deze infectie.
Incubatietijd
De incubatietijd varieert; acute gevallen manifesteren zich over het algemeen binnen 1 tot 14 dagen, terwijl dit in chronische gevallen maanden kan duren.
Uitscheiding van de kiem
De uitscheiding van de kiem kan levenslang duren, daarom dienen besmette dieren te worden opgespoord en geëuthanaseerd, en de kadavers vernietigd.
Differentiële diagnose
Deze omvat de volgende aandoeningen:
- ‘Gewone’ droes (Streptococcus equi subsp. equi) met name de verslagen vorm
- Ulceratieve Lymphangitis (Corynebacterium pseudotuberculosis)
- Pseudotuberculose (Yersinia pseudotuberculosis)
- Sporotrichose (Sporotrichum spp)
- Epizootic lymphangitis (Histoplasma farciminosum)
- Melioidosis (B. pseudomallei, met name humaan)
- Alle chronische infecties van het neusslijmvlies en de sinussen, waarbij geen andere onderliggende oorzaak is gevonden
Diagnostiek van Malleus
Pathologie
In de neusholten, sinussen, trachea, farynx en larynx kunnen zweren, knobbels en/of stervormige littekens worden gevonden. Ook kunnen grijze knobbels aangetroffen worden in andere weefsels, vooral in de longen, lever, milt en nieren. Knobbels zijn stevig, rond, ongeveer 1 centimeter groot en bevatten in het centrum een verkaasde of verkalkte inhoud. Ze worden omgeven door een ontstekingszone. In de acute fase kan ook een catarrale bronchopneumonie met vergrootte lymfeklieren worden gezien. Experimenteel werd door infectie ook ernstig diffuus longoedeem opgewekt met longbloedingen, longatelectase en pneumonie. De lymfeklieren kunnen gezwollen zijn met abcessen erin. Gezwollen lymfevaten met ketens van knobbels, al dan niet geulcereerd, kunnen in de huid voorkomen. Bij hengsten kan orchitis worden gezien worden.
Isolatie van de kiem
De bacteriën kunnen in uitstrijkjes van verse zweren en zwellingen soms in overvloed worden aangetoond terwijl in oudere laesies vaak slechts zeer beperkte aantallen bacteriën worden gevonden. De bacteriën kunnen worden aangekleurd met methyleenblauw en gramkleurstof en bevinden zich voornamelijk extracellulair. In weefselcoupes zijn ze moeilijk te vinden. B. malleï is vanuit verse zweren en/of respiratoire uitvloeiing te kweken op schapenbloed-agar (aeroob) met bij voorkeur toevoeging van glycerol, waarbij na 48 uur bij 37 graden Celsius heel kleine kolonies zichtbaar zijn.
Met PCR diagnostiek (Bauernfeind et al., 1998) is onderscheid te maken tussen B. malleï en B. pseudomalleï, de veroorzaker van melioidosis. Inmiddels zijn ook diverse real-time PCR’s beschreven voor detectie en differentiatie van deze species (zie verder de referenties). De sensitiviteit van PCR onderzoek varieert afhankelijk van de gebruikte primersets. In een recente evaluatie (Moriya et.al. 2025) vertoonde de fliP-IS407A(b) primerset de hoogste gevoeligheid en detecteerde de bacterie in 86% van de positieve monsters, terwijl de door WOAH aanbevolen fliP-IS407A(a) set de laagste prestatie (13,4%) vertoonde. Deze bevindingen suggereren dat bepaalde veelgebruikte primersets mogelijk onvoldoende gevoeligheid hebben voor betrouwbare detectie van B. mallei, met name bij chronisch geïnfecteerde dieren met een lage bacteriële last.
De bacterie is goed te typeren middels de biochemische reacties in het API NE-systeem en tegenwoordig met behulp van MALDI-TOF mass spectrometrie. Tevens kunnen tegenwoordig genetische verschillen tussen stammen in beeld gebracht worden door middel van sequencing. In 2024 verscheen bijvoorbeeld een publicatie over de verwantschap tussen Iraakse, Turkse en Indiase isolaten.
Serologie
De meest gebruikte serologische testen bij paarden zijn de Complement Bindings Reactie (CBR/CFT) en de ELISA. De CFT werd al in 1909 ontwikkeld. Met deze serologische test kan echter geen betrouwbaar onderscheid worden gemaakt tussen B. malleï en B. pseudomalleï. De Western blot test wordt daarom wel als confirmatietest gebruikt. Ook zijn cELISA’s ontwikkeld (Wernery et al.) die betrouwbaarder zouden zijn dan de CBR/CFT. De CFT kan een goede sensitiviteit en specificiteit hebben, maar dit is sterk afhankelijk van de gebruikte reagentia, met name het antigeen en de positieve en negatieve referentie sera, en het gebruikte protocol. Bovendien kunnen paarden – en met name ezels en muildieren – een anticomplementaire reactie vertonen in de CFT, waardoor het testresultaat niet af te lezen valt. Hoewel één enkele test voor malleus-diagnostiek ideaal zou zijn, wordt een protocol met twee testen daarom op het moment nog als beste optie genoemd wat betreft gevoeligheid en specificiteit. Momenteel beveelt de WOAH Terrestrial Manual nog de complementfixatietest (CFT) aan voor het vrijgeven van individuele dieren voor transport, maar de CFT is gevoelig voor vals-positieve resultaten. Recent is in een publicatie (Grause et.al. 2024) de ontwikkeling en validatie van een chemiluminescentie Western blot test beschreven die vergelijkbaar presteert met de reeds gevalideerde colorimetrische Western Blot test, maar merkbare voordelen biedt, zoals een kortere doorlooptijd en een eenvoudigere interpretatie.
Er is op verzoek van de WOAH door het WOAH-RL Glanders bij het Friedrich Loeffler Institute (FLI) een studie uitgevoerd waarbij de resultaten van diverse internationale laboratoria met elkaar vergeleken zijn ter verdere validatie van de serologische diagnostische capaciteit van de ID Screen Glanders Double Antigen Multispecies ELISA (GLANDA ELISA) in vergelijking met CFT. Het rapport, dat is verschenen in 2024 vermeldt het volgende: ‘In deze internationale laboratoriumtest vertoonde de ELISA een hogere overeenstemming van de resultaten dan de CFT, wat de geschiktheid van de ELISA voor serologische diagnostiek van malleus bevestigt. Het hogere aantal "vals-negatieve" resultaten bij de CFT toont bij herhaling aan dat deze methode moeilijk te standaardiseren is en zo snel mogelijk vervangen moet worden.’ Acceptatie van nieuwe testen in het officiële handelsverkeer kan echter lang op zich laten wachten.
Allergietest
De malleïnetest, een huidtest om een vertraagd type overgevoeligheid tegen B. malleï te meten, wordt ook gebruikt om besmette paarden te identificeren. Deze test werd overigens al in 1890 ontwikkeld door Helman in Sint Petersburg, die daarbij dezelfde methoden gebruikte die door Koch waren ontwikkeld om tuberculine te produceren. Aan het einde van de negentiende eeuw werd deze test in Europa al grootschalig ingezet bij de bestrijding en uitroeiing van kwade droes. De intrapalpebrale injectie van een proteïnefractie van B. malleï in het ooglid geeft na 1 tot 2 dagen een duidelijke zwelling van het ooglid. Ook toepassing via oogdruppels met conjunctivitis als gevolg of subcutane injectie met een stevige pijnlijke zwelling als reactie, zijn mogelijk om besmette dieren te detecteren. De malleïne test geeft echter een serologische respons en kan daarom interfereren met serosurveillance en exportdiagnostiek. Tevens kan de malleïnetest onbetrouwbare/moeilijk te interpreteren resultaten geven zowel in acute als in chronische stadia van de ziekte. Malleïne is niet meer verkrijgbaar in Nederland, hiervoor wordt doorverwezen naar het European Reference Laboratory for Equine Diseases, ANSES, Maison Alfort, Parijs.

Prevalentie van Malleus
Nederland
Kwade droes komt niet voor in Nederland.
Andere landen
Europa
Kwade droes kwam vele jaren niet voor in landen van de EU. In januari 2015 werd echter een geïsoleerd geval van kwade droes vastgesteld in Duitsland, het eerste geval in dat land sinds 1955. Kwade droes werd vastgesteld bij een klinisch gezond paard tijdens een routine-'pre-export'-onderzoek. Het paard was CFT-positief, hetgeen bevestigd werd door Western Blot. Het paard werd geëuthanaseerd en zeer grondig onderzocht, waarbij alle inwendige organen PCR-negatief scoorden, maar een zwak positief PCR-resultaat gevonden werd in enkele “farcy”-achtige huidlaesies. Dit paard had het land nooit verlaten, al bleken er wel indirecte contacten mogelijk geweest te zijn via verzorgers van andere paarden die teruggekomen waren uit Zuid Amerika. Screening van 398 contact paarden verliep volledig negatief. Duitsland heeft in 2014 en 2015 in het kader van export ongeveer 5000 sera per jaar getest, allemaal met een negatief resultaat. Het land is inmiddels weer vrij verklaard.
Landen buiten Europa
In Turkije en in de vroegere Sovjet Unie is in de afgelopen 10 jaar malleus gerapporteerd. Malleus is endemisch in delen van het Midden-Oosten, Azië, Afrika, Centraal-Amerika en Zuid-Amerika. In Brazilië, Eritrea, Ethiopië, Iran, Irak, de Verenigde Arabische Emiraten en Mongolië zijn de afgelopen 10 jaar gevallen van malleus gerapporteerd. In India zijn na de periode 2006 – 2011 waarin diverse uitbraken gerapporteerd werden, een aantal jaren geweest zonder uitbraken. In 2017 zijn vervolgens opnieuw diverse uitbraken in de Noordoostelijke staten opgetreden. In 2021 werd malleus voor het eerst in Nepal gevonden bij twee paarden en een muildier (Koirala et al. 2022), Nepal grenst aan India en er worden veel dieren verhandeld tussen beide landen. Dichter bij huis was een geval van malleus in Armenië in 2023 (zie kaart hieronder). Kruisreacties met B. pseudomalleï bemoeilijken het vaststellen van de geografische verspreiding met serologische overzichten. In de USA kwam de ziekte in 2000 voor bij een veterinair onderzoeker die met het agens werkte. Voor gedetailleerde informatie over de verspreiding zie: WOAH: World Animal Health Situation en WOAH bulletin (www.woah.org).
Bevestigde gevallen van kwade droes tussen 1 januari 2020 en 1 januari 2026.
Aanpak in geval van besmetting
Meldingsplicht
Malleus is een meldingsplichtige en bestrijdingsplichte ziekte volgens de Europese diergezondheidsverordening (Animal Health Regulation AHR). Sinds 21 april 2021 valt het voorkomen en bestrijden van dierziekten onder deze Europese verordening. Elke verdenking van de ziekte dient te worden gemeld bij de NVWA.
Vaccinatie
Er zijn geen vaccins beschikbaar.
Overige maatregelen
Bij een uitbraak worden besmette dieren geëuthanaseerd en de kadavers verbrand. De bedrijven worden geblokkeerd en grondig gereinigd en ontsmet. Alle strooisel en voeders worden verbrand. Alle stalgereedschappen en dergelijke worden grondig ontsmet (hiervoor kunnen desinfectantia zoals benzalkoniumchloride, 1% natriumhypochloriet, 70% alcohol, 2% glutaaraldehyde, jodium, kwikchloride in alcohol en kaliumpermagnaat gebruikt worden). Gevoelige dieren moeten enkele maanden worden weggehouden van deze bedrijven.
Algemene maatregelen zijn verder: quarantainemaatregelen, eventueel transportverboden en screening (malleïnetest of serologische screening) om geïnfecteerde paarden op te sporen en de uitbraak snel tot stilstand te brengen. Door regelmatig testen en euthanasie van testpositieve dieren kan de ziekte weer worden uitgeroeid. Er is een robuuste en reproduceerbare moleculaire typeringsmethode (cgMLST) beschreven die ingezet kan worden bij het onderzoeken en traceren van uitbraken (Appelt et al. 2022).
Maatregelen in kader volksgezondheid
Zie eerder beschreven mogelijkheden voor behandeling. Alle personen die in contact gekomen zijn met besmette dieren, en mogelijk de directe (humane) contacten van deze personen, zullen serologisch gescreend en regelmatig geobserveerd moeten worden. Röntgenfoto’s van de thorax zijn nuttig bij de pulmonale vorm, waarbij beiderzijdse bronchopneumonie, kleine knobbeltjes en cavitaties (laesies met holtevorming) gezien kunnen worden.
Antibiotica
Humane gevallen van kwade droes kunnen behandeld worden met antibiotica op geleide van een gevoeligheidstest. Er is melding gemaakt van resistentie tegen eerste en tweede generatie bètalactam-antibiotica zoals amoxicilline, ticarcilline, cefoxitine, cefsulodine en norfloxacine, amikacine, fosfomycine en clindamycine. Geadviseerd wordt een langdurig gebruik en/of afwisseling of combinaties met antibiotica toe te passen (zie hieronder tabel 2 uit Van Zandt et al. Glanders: an overview of infection in humans). Daarnaast zijn veelbelovende resultaten gerapporteerd voor finafloxacin in een muizenmodel waarbij de muizen per inhalatie besmet werden (Barnes et al. 2022). Abcessen kunnen worden gedraineerd. In alle landen waar de ziekte niet-endemisch is, worden dieren die besmet zijn met Malleus geëuthanaseerd.
Preventie van Malleus
Bedrijfshygiëne/insleeppreventie
Om introductie op een bedrijf of in een regio te voorkomen, zijn er strenge importbepalingen voor derde landen of landen waar kwade droes voorkomt.
Vaccinatie
Er zijn geen vaccins tegen kwade droes beschikbaar.
Nederland is vrij van Malleus. Importbepalingen moeten introductie voorkomen.
Regelgeving
Nederlands recht
Kwade droes is in Nederland volgens de Europese Diergezondheids Verordening (AHR) een aangifteplichtige en bestrijdingsplichtige ziekte en een aangifteplichtige ziekte bij de WOAH. Verdenkingen van kwade droes moeten direct worden gemeld bij de NVWA. Monsters dienen pas na de melding te worden genomen. Monstername dient zeer secuur en met de nodige voorzorgsmaatregelen te geschieden. Monsters dienen direct naar het WBVR in Lelystad te worden gebracht.
Europees recht
Malleus is een meldingsplichtige en bestrijdingsplichtige ziekte volgens de Europese diergezondheidsverordening (Animal Health Regulation AHR). Vanaf 21 april 2021 valt het voorkomen en bestrijden van dierziekten onder deze verordening. Kwade droes valt in de categorieën A+D+E. Een eventuele introductie moet worden gevolgd door euthanasie van besmette dieren, een strenge isolatie, een uitgebreid testregime en eliminatie van testpositieven.
De dierziekten in de Europese Diergezondheidsverordening zijn ingedeeld in de vijf categorieën A, B, C, D en E. Voor alle ziekten uit deze categorieën geldt een meldingsplicht, voor de ziekten uit categorieën A en B geldt daarnaast ook een bestrijdingsplicht.
- Dierziekten van categorie A zijn ziekten die niet in de Europese Unie voorkomen en die lidstaten meteen moeten uitroeien. Bijvoorbeeld mond-en-klauwzeer en varkenspest. Lidstaten moeten deze ziekten snel opsporen, direct bestrijden en besmette bedrijven en de directe omgeving afsluiten.
- Dierziekten van categorie B zijn ziekten die de Europese Unie wil uitroeien. Bijvoorbeeld tuberculose bij koeien, stieren en buffels. Lidstaten moeten deze ziekten daarom verplicht bestrijden. Lidstaten waar de ziekte niet voorkomt moeten maatregelen nemen om vrij te blijven van de ziekte.
- Dierziekten van categorie C zijn ziekten die minder besmettelijk zijn en die de Europese Unie wil indammen. Bijvoorbeeld de ziekte van Aujesky bij varkens en koeiengriep bij runderen. Lidstaten bepalen zelf of ze de ziekte willen uitroeien en of ze bij een uitbraak bedrijven afsluiten om verdere verspreiding te voorkomen.
- Dierziekten van categorie D zijn dierziekten die zich via internationale handelaren, vervoerders of reizigers verspreiden en die de Europese Unie wil indammen. Bijvoorbeeld abortus blauw bij varkens en bepaalde mycoplasma's bij kippen. Landen moeten voldoen aan Europese regels voor vervoer van en naar de EU en erbinnen.
- Dierziekten van categorie E zijn dierziekten die in de gaten gehouden moeten worden. Bijvoorbeeld Q-koorts bij geiten en paratuberculose bij runderen. Lidstaten moeten zich houden aan Europese regels om deze ziekten te melden.
Internationaal
De World Organisation of Animal Health (WOAH) is de wereld diergezondheidsorganisatie, gevestigd in Parijs, waar inmiddels 180 landen lid van zijn. De organisatie draagt zorg voor inzichtelijkheid en transparantie van de mondiale dierziekte- en zoönose situatie. De aangesloten landen verplichten zich tot melden van uitbraken van ziekten die op de WOAH dierziektelijst staan. De WOAH heeft een lijst opgesteld (voorheen lijst A en lijst B) met besmettelijke dierziekten, die aangifteplichtig zijn bij de WOAH.
Websites en literatuur
Websites
- www.woah.org/en/disease/glanders
- https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2023/03/01/bijlage-2-draaiboek-kwade-droes
- www.nvwa.nl
- www.wur.nl
- www.defra.gov.uk/animal-diseases/
- www.fao.org/
- https://www.vetlexicon.com/equis/dermatology/articles/glanders/
- https://www.cfsph.iastate.edu/zoonoses/
- www.cdc.gov/glanders/
- https://www.merckvetmanual.com/searchresults?query=glanders%20disease%20in%20horse&page=1&type=pet
Literatuur
- Appelt S, Rohleder AM, Jacob D, von Buttlar H, Georgi E, Mueller K, Wernery U, Kinne J, Joseph M, Jose SV, Scholz HC. Genetic diversity and spatial distribution of Burkholderia mallei by core genome-based multilocus sequence typing analysis. PLoS One. 2022 Jul 6;17(7):e0270499.
- Barnes KB, Bayliss M, Davies C, Richards MI, Laws TR, Vente A, Harding SV. Efficacy of finafloxacin in a murine model of inhalational glanders. Front Microbiol. 2022 Nov 24;13:1057202.
- Bauernfeind A, Roller C, Meyer D, Jungwirth R, Schneider I. 1998. Molecular procedure for rapid detection of Burkholderia mallei and Burkholderia pseudomallei. Clin. Microbiol. 36: 2737-2741.
- Biberstein EL, Holzworth J. In: Holzworth J, editor. Diseases of the cat. Philadelphia: WB Saunders; 1987. Bacterial diseases: Glanders; p. 296.
- Bossi P, Tegnell A, Baka A, Van Loock F, Hendriks J, Werner A, Maidhof H, Gouvras G; Task Force on Biological and Chemical Agent Threats, Public Health Directorate, European Commission, Luxembourg. Bichat guidelines for the clinical management of glanders and melioidosis and bioterrorism-related glanders and melioidosis. Euro Surveill. 2004;9:E17-8.
- Bowers JR, Engelthaler DM, Ginther JL, Pearson T, Peacock SJ, Tuanyok A, Wagner DM, Currie BJ, Keim PS. BurkDiff: a real-time PCR allelic discrimination assay for Burkholderia pseudomallei and B. mallei. PLoS One. 2010 Nov 12;5(11).
- Elschner MC, Laroucau K, Singha H, Tripathi BN, Saqib M, Gardner I, Saini S, Kumar S, El-Adawy H, Melzer F, Khan I, Malik P, Sauter-Louis C, Neubauer H.
- Evaluation of the comparative accuracy of the complement fixation test, Western blot and five enzyme-linked immunosorbent assays for serodiagnosis of glanders. PLoS One. 2019 Apr 5;14(4)
- Fritz DL, Vogel P, Brown DR, Waag DM: The hamster model of intraperitoneal Burkholderia mallei (glanders). Vet Pathol 36:276-291, 1999.
- Gonzalez-Medina S, Toth B, Mawhinney I. Surveillance focus: glanders. Vet Rec. 2015 Jul 8;177(3):68-9.
- 11. Grause JF, Elschner MC, Ledesma NA, Murphy G. Development and validation of a chemiluminescent western blot assay for glanders (Burkholderia mallei) serodetection. J Vet Diagn Invest. 2024 Mar;36(2):283-286. doi: 10.1177/10406387241230292. Epub 2024 Mar 1. PMID: 38426457; PMCID: PMC10929638.
- Janse I, Hamidjaja RA, Hendriks AC, van Rotterdam BJ. Multiplex qPCR for reliable detection and differentiation of Burkholderia mallei and Burkholderia pseudomallei. BMC Infect Dis. 2013 Feb 14;13:86.
- Jones BV. Glanders and history. Vet Rec. 2016 Jun 25;178(26):664.Khaki P, Mosavari N, Khajeh NS, Emam M, Ahouran M, Hashemi S, Taheri MM, Jahanpeyma D, Nikkhah S. Glanders outbreak at Tehran Zoo, Iran. Iran J Microbiol. 2012 Mar;4(1):3-7.
- Khan I, Wieler LH, Melzer F, Elschner MC, Muhammad G, Ali S, Sprague LD, Neubauer H, Saqib M. Glanders in animals: a review on epidemiology, clinical presentation, diagnosis and countermeasures. Transbound Emerg Dis. 2013 Jun;60(3):204-21.
- Kettle AN, Wernery U. Glanders and the risk for its introduction through the international movement of horses. Equine Vet J. 2016 Sep;48(5):654-8.
- Koirala P, Maharjan M, Manandhar S, Pandey Kr, Deshayes T, Wang G, Valvano Ma, Laroucau K. First glanders cases detected in Nepal underscore the need for surveillance and border controls. BMC Vet Res. 2022 Apr 6;18(1):132.
- Laroucau K, Colaneri C, Jaÿ M, Corde Y, Drapeau A, Durand B, Zientara S, Beck C; European Union laboratories involved in glanders serodiagnosis. Interlaboratory ring trial to evaluate CFT proficiency of European laboratories for diagnosis of glanders in equids. Vet Rec. 2016 Jun 18;178(25):632.
- Lee MA, Wang D, Yap EH. Detection and differentiation of Burkholderia pseudomallei, Burkholderia mallei and Burkholderia thailandensis by multiplex PCR. FEMS Immunol Med Microbiol. 2005;43:413-417.
- Lopez J, Copps J, Wilhelmsen C, Moore R, Kubay J, St-Jacques M, Halayko S, Kranendonk C, Toback S, DeShazer D, Fritz DL, Tom M, Woods DE. Characterization of experimental equine glanders. Microbes Infect. 2003;5:1125-1131.
- Lowe W, March JK, Bunnell AJ, O'Neill KL, Robison RA. PCR-based Methodologies Used to Detect and Differentiate the Burkholderia pseudomallei complex: B. pseudomallei, B. mallei, and B. thailandensis. Curr Issues Mol Biol. 2013 Aug22;16(2):23-54.
- Malik P. Harmonising diagnostic testing for glanders in equids. Vet Rec. 2016 Jun 18;178(25):630-1.
- Moriya,J.C.K.; Suniga, P.A.P.; Araújo, A.C.L.; Santos, M.G.; Rieger, J.S.G.; Mantovani, C.; Jardim, R.; Silva, M.R.; Araújo, F.R.; Santos, L.R. Detection of Burkholderia mallei in Microbiological Culture: A ComparativeAnalysisofPCRPrimer Sets. Pathogens 2025, 14, 766. https:// doi.org/10.3390/pathogens14080766
- Neubauer H, Sprague LD, Zacharia R, Tomaso H, Al Dahouk S, Wernery R, Wernery U, Scholz HC. Serodiagnosis of Burkholderia mallei infections in horses: state-of-the-art and perspectives. J Vet Med B Infect Dis Vet Public Health. 2005;52:201-5.
- Thibault FM, Hernandez E, Vidal DR, Girardet M, Cavallo JD. Antibiotic susceptibility of 65 isolates of Burkholderia pseudomallei and Burkholderia mallei to 35 antimicrobial agents. J Antimicrob Chemother. 2004;54:1134-8.
- Torres AG. Glanders: An ancient and emergent disease with no vaccine or treatment on site. PLoS Negl Trop Dis. 2025 Jun 11;19(6):e0013160. doi: 10.1371/journal.pntd.0013160. PMID: 40498787; PMCID: PMC12157308.
- Ulrich MP, Norwood DA, Christensen DR, Ulrich RL. Using real-time PCR to specifically detect Burkholderia mallei. J Med Microbiol. 2006 May;55(Pt5):551-9.
- Ulrich RL, Ulrich MP, Schell MA, Kim HS, DeShazer D. Development of a polymerase chain reaction assay for the specific identification of Burkholderia mallei and differentiation from Burkholderia pseudomallei and other closely related Burkholderiaceae. Diagn Microbiol Infect Dis. 2006;55:37-45.
- Van Zandt KE, Greer MT, Gelhaus HC. Glanders: an overview of infection in humans. Orphanet Journal of Rare Diseases 2013; 8: 131 – 137.
- Wernery U, Wernery R, Joseph M, Al-Salloom F, Johnson B, Kinne J, Jose S, Jose S, Tappendorf B, Hornstra H, Scholz HC. Natural Burkholderia mallei infection in Dromedary, Bahrain. Emerg Infect Dis. 2011 Jul;17(7):1277-9.
- https://www.woah.org/en/what-we-do/standards/codes-and-manuals/
- Zaid Salah Hussein, Ali Mohammed Obayes Molecular Detection of Glanders in horses in Baghdad, Iraq. Wasit Journal for Pure Sciences 2024; 3: 128-134.
Kwade droes bij kleine herkauwers en kameelachtigen
In de Europese Verordening (EU) 2018/1882 wordt kwade Droes, behalve bij paardachtigen, ook bij geiten en kameelachtigen genoemd als A, D en E categorie ziekte. Er is weinig informatie beschikbaar over de aandoening bij kleine herkauwers en kameelachtigen. Een natuurlijke infectie wordt zelden gezien, maar komt wel voor. Kleine herkauwers en kameelachtigen lijken vooral geïnfecteerd te raken als ze in nauw contact zijn geweest met paardachtigen. Schapen zouden geïnfecteerd kunnen raken, maar worden als minder vatbaar beschouwd dan geiten. Over de incubatietijd bij dieren anders dan paardachtigen, is weinig bekend. In kameelachtigen zijn klinische verschijnselen en macroscopische en microscopische bevindingen op sectie overeenkomstig met die van paardachtigen.
Om kwade droes te bevestigen of uit te sluiten, wordt onderzocht of de bacterie te kweken is. Dit mag alleen plaatsvinden in een Biosecurity Level 3 laboratorium, in Nederland bij het WBVR. De door WOAH geadviseerde serologische test (Complement Bindings Reactie, CBR/CFT), die bij paardachtigen wordt gebruikt, is ook te gebruiken bij kamelen.
Referenties:
- Dvorak, G.D. and Spickler, A.R. (2008). Zoonosis Update: Glanders. Journal of the American Veterinary Medical Association, 233 (4), 570-571. https://doi.org/10.2460/javma.233.4.570
- Wittig, M.B., Wohlsein P., Hagen R.M., Al Dahouk, S., Tomaso, H., Scholz, H.C., Nikolaou, K., Wernery, R., Wernery, U., Kinne, J., Elschner, M., Neubauer, H. (2006) Glanders – a comprehensive review. Deutsche Tierartzliche Wochenschrift, 113 (9), 323-330. https://europepmc.org/article/med/17009807
- EFSA AHAW Panel (EFSA Panel on Animal Health and Welfare), Nielsen, S.S., Alvarez, J., Bicout, D.J., Calistri, P., Canali, E., Drewe, J.A., Garin-Bastuji, B., Gonzales Rojas, J.L., Schmidt, C.G., Herskin, M., Michel, V., Miranda Chueca, M.Á., Padalino, B., Pasquali, P., Spoolder, H., Ståhl, K., Velarde, A., Viltrop, A., Winckler, C., Gubbins, S., Laroucau, K., Antoniou, S-E., Aznar, I., Broglia, A., Lima, E., Van der Stede, Y., Zancanaro, G. and Roberts, H.C. (2022). Scientific Opinion on the assessment of the control measures of the category A diseases of Animal Health Law: Burkholderia mallei (Glanders). EFSA Journal 2022; 20( 1):7069, 60 pp. https://doi.org/10.2903/j.efsa.2022.7069
- www.woah.org/en/disease/glanders/
- Wernery U, Wernery R, Joseph M, Al-Salloom F, Johnson B, Kinne J, Jose S, Jose S, Tappendorf B, Hornstra H, Scholz HC. Natural Burkholderia mallei infection in Dromedary, Bahrain. Emerg Infect Dis. 2011 Jul;17(7):1277-9.
- Scholz HC, Pearson T, Hornstra H, Projahn M, Terzioglu R, Wernery R, Georgi E, Riehm JM, Wagner DM, Keim PS, Joseph M, Johnson B, Kinne J, Jose S, Hepp CM, Witte A, Wernery U. Genotyping of Burkholderia mallei from an outbreak of glanders in Bahrain suggests multiple introduction events. PLoS Negl Trop Dis. 2014 Sep 25;8(9):e3195. doi: 10.1371/journal.pntd.0003195. PMID: 25255232; PMCID: PMC4177748.