Zoomfunctie

Moeite met het lezen van de tekst? Vrijwel alle populaire browsers geven u controle over hoe groot websites worden weergegeven.

  • Windows
    Mac OS
  • Zoom in
  • Zoom uit
  • Zoom 100%
  • Muiswiel op / neer
Samen werken aan diergezondheid

Leverbot

De leverbot is een parasiet die voorkomt bij herkauwers zoals runderen, schapen en geiten maar ook bij paarden, hazen, reeën. En soms ook bij de mens. De leverbot die in ons land het meest voorkomt heeft de naam Fasciola hepatica. Daarnaast komt soms de kleine leverbot voor, met de naam Dicrocoelium dendriticum. De leverbot Fasciola hepatica leeft als volwassen parasiet (platworm van 2 à 4 centimeter) in de galgangen van de lever van de gastheer. De volwassen leverbot produceert veel eieren die via de gal met de mest worden uitgescheiden. Voor de verdere ontwikkeling is de tussengastheer de leverbotslak Galba truncatula nodig. Leverbotziekte kan dan ook alleen daar voorkomen waar deze tussengastheer voorkomt. 

Direct naar:

De leverbot doorloopt verschillende ontwikkelingsstadia, de zogenaamde leverbotcyclus. In principe is de cyclus voor alle diersoorten hetzelfde.

Uitgelegd

De leverbotcyclus

Leverbot komt alleen voor waar de tussengastheer, de leverbotslak Galba truncatula, leeft. De parasiet doorloopt verschillende ontwikkelingsstadia in, de zogenaamde leverbotcyclus. Deze cyclus wordt uitgelegd in deze video. 

Lees meer over de leverbotcyclus

Verschijnselen acute versus chronische leverbotbesmetting

De leverbotbesmetting kan in principe in een acute en een chronische vorm optreden. Acute leverbot wordt vooral waargenomen bij schapen en geiten en uit zich door een trektocht van duizenden jonge leverbotjes door de lever, waardoor de gastheer sterft door verbloeding. Vooral schapen en geiten die op zwaar besmet weiland hebben gelopen zijn zeer gevoelig en kunnen zes tot acht weken na besmetting zonder uiterlijke verschijnselen plotseling sterven door acute leverbot.
Chronische leverbot is de meest voorkomende vorm bij runderen en schapen. Bij runderen is de ziekte vaak sluimerend aanwezig (zonder duidelijke ziekteverschijnselen). In ernstige leverbotjaren zijn een verlaagde melkproductie, een slechte groei (van het jongvee), een verminderde weerstand, verminderde vruchtbaarheid en te vroeg afkalven de belangrijkste klachten bij het rund. Bij schapen en geiten veroorzaakt de volwassen leverbot irritatie en ontsteking van het leverweefsel. Groeistilstand, gewichtsverlies en bloedarmoede zijn het gevolg. De slijmvliezen van schapen en geiten zijn bleek en bij ernstige infecties soms geel van kleur. Tussen de kaaktakken kan oedeem voorkomen. De vacht is vaak dor en droog en in de buikholte kan veel vocht voorkomen. Drachtige dieren kunnen verwerpen en bij een ernstige besmetting met volwassen botten kunnen de dieren aan de gevolgen sterven door chronische leverbot.


Schade

De gevolgen van een zware leverbotbesmetting kunnen bij schapen en geiten zeer ernstig zijn. In ernstige leverbotjaren sterven er vaak meer dan duizend schapen per jaar aan acute of chronische leverbot. Bij rundvee bestaat de schade vooral uit melkderving, mindere vruchtbaarheid en slechte groei bij het jongvee.


Groeiende resistentie van de leverbot voor triclabendazol is een punt van zorg

Het eerste Nederlandse geval van resistentie van leverbot voor triclabendazol werd in 1998 op een bedrijf in de regio van Amsterdam vastgesteld. De resistentie kwam voor bij zowel rundvee als schapen. In de jaren daarna kwamen er uit die regio steeds meer berichten binnen met triclabendazol resistentie. Deze resistentie was vooral zichtbaar bij schapen, omdat die gevoeliger zijn voor een leverbotinfectie en er bij deze diersoort sneller sterfte optreedt. In dit gebied is het heel lastig om nog schapen te houden. Er is namelijk geen ander leverbotmiddel dat ook de jonge leverbotstadia bestrijdt. De jaren na 1998 is het aantal bedrijven met leverbotresistentie voor triclabendazol gestaag gestegen. De situatie tot na de winter van 2014/2015 staat vermeld in onderstaande Figuur.


Figuur 2: Overzicht van leverbotresistentie voor triclabendazol in Nederland op via de GD gecontroleerde bedrijven

De uitbreiding van resistentie voor triclabendazol baart de nodige zorgen. In de gebieden met het grootste risico op leverbotziekte het zeer lastig is om met de huidige geregistreerde leverbotmiddelen de leverbotziekte goed te bestrijden. Dit zorgt voor extra schade door sterfte, vermageren en vruchtbaarheidsproblemen. Dit zorgt ervoor dat er steeds meer belang ligt bij het voorkomen van infecties. Hierbij spelen kartering (in kaart brengen van het voorkomen van de leverbotslak) en het mijden van deze gebieden in risicoperioden een essentiële rol. Ook op bedrijven waar nog geen sprake is van leverbotresistentie is voor triclabendazol zijn deze managementmaatregelen belangrijk zodat behandelingen voor leverbotziekte kunnen worden beperkt of zelfs voorkomen. de manier om de ontwikkeling van de leverbotresistentie te vertragen.

Terug naar het begin van dit artikel

Diagnose van Leverbot


Acute leverbot is aan te tonen door middel van pathologisch onderzoek van de gestorven dieren of bloedonderzoek van lammeren. Chronische leverbot is aan te tonen door bloed-, tankmelk- en mestonderzoek en door pathologisch onderzoek.

Besmettingsroute

De cruciale factor voor het in stand houden van de leverbotcyclus is de aanwezigheid van de leverbotslak. Dit slakje is tussengastheer voor de leverbot. De leverbotslak leeft op plaatsen waar de bodem het grootste deel van het jaar vochtig is, zoals in greppels, slenken, vertrapte slootkanten en kwelplaatsen achter dijken. De leverbotslak heeft nauwelijks last van strenge winters, maar is wel gevoelig voor droogte. De ontwikkeling van de stadia van de leverbotcyclus buiten de gastheer kan alleen plaatsvinden bij een temperatuur boven de 10 graden Celsius. Leverboteieren die voor mei via de mest op het weiland komen, kunnen zich onder gunstige omstandigheden na vermeerdering in de leverbotslak in augustus en september hebben ontwikkeld tot besmettelijke cysten. De grootste besmetting met leverbot zal afhankelijk van de weersomstandigheden plaatsvinden vanaf augustus tot november. Omdat de op het gras afgezette besmettelijke cysten goed kunnen overleven bij lage temperaturen en voldoende vocht, kunnen ook in de wintermaanden weidende dieren met leverbot besmet raken.

Diagnostiek en onderzoek op leverbot

GD biedt een compleet pakket voor leverbotdiagnostiek en -onderzoek aan. Klik hier voor een schema wat u helpt bij uw keuze voor de juiste diagnostiek of onderzoek, om zo inzicht te krijgen in de leverbotsituatie op het bedrijf.

Tankmelkonderzoek bij melkvee

Het is mogelijk om via tankmelk te onderzoeken of leverbot speelt bij melkgevende koeien. De uitslag van een tankmelkonderzoek kan variëren tussen geen, weinig of veel antistoffen tegen leverbot. Bij het Leverbot - en Worminfecties Tankmelk abonnement wordt eenmaal per jaar (oktober/november) de tankmelk onderzocht op afweerstoffen tegen leverbot.

Bloedonderzoek

Door middel van bloedonderzoek kunnen afweerstoffen voor leverbot vanaf ongeveer drie tot vier weken na opname van een infectie met een ELISA-test worden aangetoond. Hierbij moeten de dieren in hun eerste weideseizoen worden onderzocht, aangezien eerder opgelopen infecties nog langere tijd (jaren) aantoonbaar zijn. Door bloedonderzoek op de leverenzymen GLDH en gamma-GT wordt de leverfunctie bepaald. Afwijkende leverwaarden kunnen een indicatie zijn voor leverbotziekte.


Mestonderzoek

Met mestonderzoek kunnen leverboteieren worden aangetoond. Alleen volwassen leverbotten leggen eieren en daarom is het mestonderzoek pas tien tot twaalf weken na opname van een infectie zinvol (afhankelijk van de besmettingsdatum vanaf 15 december). Mestonderzoek kan individueel worden uitgevoerd, maar kan ook via  een mengmonster (minimaal vijf dieren, maar liever tien dieren of meer). Zo krijgt u een betrouwbaar beeld en een goede indruk of er wel of geen volwassen leverbotinfectie aanwezig is. Mestonderzoek naar leverbot kan, afhankelijk van de najaarsinfectie, vanaf december/januari worden uitgevoerd.

Als via onderzoek een leverbotinfectie wordt aangetoond, dan is het verstandig de dieren te behandelen. Bespreek de te nemen vervolgstappen (bijvoorbeeld behandeling, nader onderzoek of preventieve maatregelen) met uw dierenarts. 

Terug naar het begin van dit artikel

Risicofactoren voor Leverbot


Op bedrijven waar de leverbotslak niet voorkomt, zal in de regel ook geen leverbotinfectie aanwezig zijn. Maar de leverbot, Fasciola hepatica, kan bijna in heel Nederland - in meer of mindere mate- voorkomen. Steeds vaker wordt deze parasiet aangetoond op bedrijven waar in het verleden geen problemen voorkwamen. Onderstaande risicofactoren voor leverbot hebben met name betrekking op gunstige factoren voor de leverbotslak:


Vochtig en warm weer

De leverbotslak (Galba tuncatula) houdt van vochtige omstandigheden. De ontwikkeling van de parasiet in de slak is afhankelijk van vocht en temperatuur. Onder gunstige weersomstandigheden kan de eerste infectie met besmettelijke cysten al in augustus op het gras worden afgezet. Bij temperaturen boven de 10 graden Celsius blijft de ontwikkeling doorgaan. In het huidige klimaat komt het voor dat tot in december nog besmettelijke cysten worden afgezet op het gras.


Vochtige percelen

Een leverbotinfectie treedt vooral op in gebieden met een hoge grondwaterstand. Water is nodig voor het overleven van de tussengastheer van de leverbot, de leverbotslak. Doordat het waterpeil in Nederland steeds hoger wordt, breidt ook het leefgebied van deze slak zich uit. Daardoor blijft een leverbotbesmetting tegenwoordig niet meer beperkt tot bepaalde regio’s in Nederland. Het vee loopt van september tot april de grootste kans om besmet te raken met leverbot. Als de dieren in die periode op een vochtig perceel hebben gelopen, dan is het verstandig om de dieren te controleren op een infectie met leverbot.


Verhoogde waterpeilen

De bekendste gebieden waar de afgelopen jaren de meeste problemen met leverbot zijn geconstateerd zijn de weidegebieden van Utrecht, Zuid Holland- en Noord Holland. Daarnaast komt leverbot veel voor in het weidegebied in Friesland, de gebieden langs de Drentse Aa, de IJssel en tussen de grote rivieren. Bijna overal in Nederland kan leverbot een gevaar zijn of worden voor de dieren. Zeker nu op meerdere plaatsen in beheersgebieden de waterpeilen kunstmatig omhoog worden gebracht. Hierdoor zullen de omstandigheden voor de tussengastheer, de leverbotslak, verbeteren. En zo neemt de kans op een ernstige leverbotbesmetting toe.


Beweiden door schapen of geiten (winter)

Schapen en geiten kunnen vanaf november grote hoeveelheden leverboteieren uitscheiden, die bij het rundvee voor problemen kunnen zorgen. Op rundveebedrijven met leverbotproblemen wordt geadviseerd ‘s winters geen schapen of geiten te weiden op (risico)percelen waar in het opvolgende voorjaar runderen weiden. Of alleen schapen of geiten te weiden als zeker is dat ze geen leverboteieren op het weiland kunnen brengen.


Relatie met salmonella

Door de leverbotinfectie vermindert de weerstand van het rundvee, wat dieren vatbaarder maakt voor een infectie met bijvoorbeeld Salmonella dublin. De kans op kliniek en sterfte door salmonella is groter bij leverbot besmette dieren. Het herstel duurt langer en de kans op het ontstaan van dragers van Salmonella dublin neemt toe. Op bedrijven met leverbot is een succesvolle bestrijding van salmonella vaak alleen mogelijk is in combinatie met de aanpak van leverbot. Dit houdt ook in dat op bedrijven waar de aanpak van salmonella niet tot succes leidt, de controle op een leverbotbesmetting een belangrijke stap kan zijn op weg naar een succesvolle bestrijding van de salmonella.


Grootte slakkenpopulatie

Op de bedrijven waar leverbot nooit speelde, kan de verhoging van de grondwaterstand de biotoop aantrekkelijker maken voor de tussengastheer (de leverbotslak Galba truncatula). Het aantal aanwezige slakken, in samenhang met het aantal geïnfecteerde slakken, bepaalt mede het risico voor het optreden van leverbotinfecties bij de dieren. Klimatologische omstandigheden zijn bepalend voor de ontwikkeling van de slakkenpopulatie. De grootte van de slakkenpopulatie en het aantal op het weiland gedeponeerde leverboteieren zijn bepalend voor de besmetting die op het gras wordt afgezet.


Aankoop dieren

Door aankoop van dieren is het mogelijk om leverbotbesmette dieren binnen te halen. Dit hoeft voor de rest van het bedrijf geen problemen te geven als de tussengastheer de leverbotslak niet aanwezig is. Op bedrijven waar de leverbotslak wel aanwezig is alertheid geboden. Zeker gezien de mogelijkheid van insleep van resistentie van de leverbot voor triclabendazol. Dit is een belangrijk aandachtspunt wanneer er dieren worden aangekocht, ingeschaard of samen geweid. Quarantainemaatregelen voor de aangevoerde dieren zijn hierbij essentieel. In de quarantaineperiode zal gericht moeten worden behandeld om insleep van voor triclabendazol resistente leverbotten te voorkomen.


Aanpak van leverbot


De Landelijke Werkgroep Leverbotprognose brengt jaarlijks een leverbotprognose. In september een voorlopige prognose en in november een definitieve prognose. In sommige jaren geeft de werkgroep in april/mei een voorjaarsprognose. Op grond van klimatologische gegevens, slakkentellingen en slakkenonderzoek op ruim dertig prognosebedrijven geven zij een voorspelling van de ernst en het moment van de leverbotbesmetting. Op basis van de voorspellingen kunnen preventieve maatregelen worden genomen, onderzoek of strategische behandelingen worden uitgevoerd.


Leverbotalerts

Met de leverbotalerts worden dierhouders op het juiste moment op de hoogte gebracht van het actuele leverbotrisico en krijgen ze praktische tips over het beheersbaar maken van leverbot op hun bedrijf. Op verschillende momenten in het jaar stuurt GD een alert uit.


Leverbotkartering en beweiden

Op bedrijven waar geregeld leverbotinfecties voorkomen, kunnen risicovolle percelen in kaart worden gebracht via leverbotkartering. De aanwezigheid (en hoeveelheid) leverbotslakken wordt dan in kaart gebracht. De karteringsgegevens kunnen worden verwerkt in een graslandgebruikskalender, waarbij risicopercelen in de meest risicovolle periode (augustus/september tot maart/april) zoveel mogelijk worden gemeden voor beweiding. Melkvee en dieren die binnen drie maanden melk gaan produceren voor humaan gebruik, kunnen beter niet op risicovolle percelen geweid worden. Weid de dieren in de herfst en winter zo veel mogelijk op droge hooggelegen percelen of zet ze op stal. Een GD-specialist kan u helpen met het in kaart brengen van het voorkomen van de leverbotslak op uw land (leverbotkartering), hiervoor kunt u contact opnemen via 0900-1770.


Leverbot monitoren via tankmelkonderzoek

Tankmelkonderzoek is een laagdrempelig middel om erachter te komen of een leverbotinfectie speelt bij uw melkgevende koeien en hoe uw bedrijf ervoor staat. Als hieruit blijkt dat uw bedrijf besmet is, kunt u gericht en tijdig de juiste maatregelen nemen en eventueel een behandeling starten. Als blijkt dat leverbot geen rol speelt op uw bedrijf, voorkomt u onnodig behandelen.


Ontwatering

Hoe vochtiger het land, hoe groter de verspreiding van de leverbotslak en des te groter de kans op een leverbotbesmetting. Een goede ontwatering (drainage, greppelonderhoud, enz.) zorgt voor minder risico op een ernstige leverbotbesmetting. Door drainage en waterpeilverlaging worden de omstandigheden voor de leverbotslak verslechterd en neemt de kans op leverbot af.


Eerst onderzoeken

De belangrijkste maatregel tegen leverbot is het leverbotvrij maken van de dieren, zodat er geen leverboteieren op het weiland terechtkomen. Regelmatig bloed- en mestmonsters laten controleren op leverbot geeft duidelijkheid over de leverbotsituatie op het bedrijf. Ook kan zo worden bepaald of er een behandeling nodig is. U kunt zo onnodig behandelen tegen leverbot voorkomen en daarmee mogelijke resistentie tegen middelen voorkomen.


Behandelen

Behandelen is effectief (en noodzakelijk) wanneer een leverbotbesmetting ook daadwerkelijk is aangetoond via onderzoek. Let er bij de behandeling op dat de juiste dosering gebruikt wordt en het middel op een correcte manier wordt gegeven.


Rundvee

Bij de keuze van het leverbotbestrijdingsmiddel moet er rekening worden gehouden met de werkzaamheid en de wachttijd van het middel. Overleg met de praktiserend dierenarts of een behandeling nodig is en welk leverbotmiddel het best kan worden toegepast.


Juiste dosering belangrijk

Uit onderzoek blijkt dat op grote schaal ondergedoseerd wordt, omdat het levende gewicht van een dier geregeld te laag wordt geschat. Door de runderen te wegen of gebruik te maken van een meetlint kan onderdosering worden voorkomen. Het wegen of meten van het lichtste en het zwaarste dier geeft vaak een goede indicatie. Het effect van een behandeling kan worden gecontroleerd met mestonderzoek na drie weken.


Melkgevende runderen

Voor melkgevende runderen zijn er op dit moment geen leverbotmiddelen in Nederland geregistreerd. Alleen in overleg met de dierenarts kan een behandeling worden uitgevoerd via de ‘cascade-regeling’. Nadat is aangetoond dat leverbot problemen geeft, kan via en samen met de dierenarts, gekozen worden voor een leverbotmiddel dat niet geregistreerd is voor melkgevende dieren. Hierbij moeten veehouder en dierenarts letten op de werking en de wachttijden van de verschillende leverbotmiddelen. Klik hier voor het overzicht van de verschillende leverbotmiddelen en hun werking.


Schapen en geiten

Voor een adequate behandeling komen voor schapen en geiten in eerste instantie triclabendazol en closantel in aanmerking. Triclabendazol is het meest geschikt, vooral vanwege de goede werkzaamheid tegen de zeer jonge stadia van de leverbot. Vanaf één á twee weken na opname van de infectie is de werkzaamheid van triclabendazol ongeveer 90 tot 100 procent. Closantel werkt tegen leverbotstadia die ouder zijn dan zes tot acht weken. Pas bij een infectie ouder dan tien weken is de effectiviteit boven de 90 procent. Closantel moet nauwkeurig worden gedoseerd vanwege een grotere kans op vergiftiging.

Terug naar het begin van dit artikel

Leverbotcyclus


Fase 1: ei-uitscheiding door geïnfecteerde gastheer

De gastheer die met leverbot is geïnfecteerd scheidt via de mest leverboteieren uit op het land. Een volwassen leverbot kan per dag 4.000 tot 7.000 eieren produceren die via de gal met de mest worden uitgescheiden.
De overleving van leverboteieren in mest varieert in de zomer van drie weken bij droogte tot tien weken in schaduwrijke en natte omstandigheden. In de winter kunnen de leverboteieren tot zes maanden overleven in de mest. 

Fase 2: vrijkomen trilhaarlarven

Uit het leverbotei komt een trilhaarlarve (miracidium).  
Onder invloed van licht, temperatuur en vochtigheid verlaten de trilhaarlarven de leverboteieren uit de mest. Onder normale omstandigheden moet een trilhaarlarve binnen 24 uur een leverbotslak vinden om te kunnen overleven. De optimale temperatuur voor de trilhaarlarve om de leverbotslak (Galba truncatula) te infecteren is 15 tot 26 graden Celsius. 

Fase 3: trilhaarlarve op zoek naar een leverbotslak

De trilhaarlarve gaat op zoek naar een leverbotslak en wordt opgenomen.
De leverbotslak (tussengastheer) leeft als een amfibie in modderachtige omgeving, een micro-omgeving onderhevig aan overstroming en droogstand. Ze zijn vaker te vinden in een omgeving die soms nat is en soms droger, dan in permanent natte gebieden. Een daling van de zuurgraad leidt tot een minder goed milieu voor de leverbotslak. De slakken kunnen geconcentreerd voorkomen in kleine, zeer natte gebieden. De optimale temperatuur voor de ontwikkeling van de leverbotslak is 18 tot 27 graden Celsius. Onder 10 graden is er geen ontwikkeling meer. Afhankelijk van het beschikbare voedsel en de parasitaire infectie van de slak, is deze in drie tot vier weken geslachtsrijp. De leverbotslak kan twaalf tot zestien maanden oud worden en in die periode duizenden slakkeneieren produceren.  

Fase 4: infectie en ontwikkeling in leverbotslak

De slak wordt geïnfecteerd en in de slak vindt vermeerdering plaats. De trilhaarlarve vermeerdert zich afhankelijk van de temperatuur binnen twee tot drie maanden in de leverbotslak via verschillende larvale stadia tot 150 tot 200 staartlarven (cercariën).

Doordat de ontwikkeling van leverbotei tot trilhaarlarve alleen bij een temperatuur van 10 graden Celsius en hoger plaatsvindt, zullen onder Nederlandse omstandigheden de leverbotslakken alleen in een periode met temperaturen hoger dan 10 graden worden geïnfiltreerd (geïnfecteerd). Deze periode loopt normaal gesproken van eind april tot november (het weideseizoen). Door de mildere temperaturen van de laatste jaren wordt deze periode soms verlengd van begin april tot eind november en soms zelfs tot begin december.

Fase 5: vrijkomen van staartlarven uit de slak en inkapselen tot cyste

Bij vochtige omstandigheden verlaten de staartlarven de slak (shedding). De staartlarven gaan zwemmend op zoek naar grassprieten. De staartlarven zetten zich al op het gras, verliezen hun staart en kapselen zich in tot besmettelijke cysten (metacercariën).

Verspreiding van de staartlarven uit de leverbotslakken gebeurt onder Nederlandse omstandigheden voornamelijk in de nazomer en herfst. De staartlarven zwemmen rond en zoeken een plek (bijvoorbeeld op bladeren van kruiden en gras) om zich binnen enkele uren in te kapselen. De staartlarve verliest zijn staart en kapselt zich in tot een besmettelijke cyste (metacercarie). De gevaarlijkste periode voor het opnemen van besmettelijke cysten (leverbotbesmetting) is in Nederland van augustus/september tot maart/april. 

Fase 6: Opname van besmettelijke cyste door gastheer en ontwikkeling

De gastheer neemt de besmettelijke cysten op via het gras.
Binnen enkele uren na de opname van besmettelijke cysten ontstaan in de dunne darm minuscuul kleine leverbotjes. Deze botjes boren zich door de darmwand en na vier tot zes dagen hebben de jonge leverbotten het leverkapsel doorboord. Vervolgens zwerven en vreten ze zich vijf á zes weken door de lever en groeien. Zeven weken na infectie komen de botten in de galgangen aan en nestelen zich daar.
In de lever wordt de leverbot infectie volwassen. Vanaf tien weken na de infectie zijn de botten volwassen en kunnen de eerste leverboteieren in de mest worden gevonden. Een volwassen leverbot legt ongeveer 4.000 tot 7.000 eieren per dag.

In een rund loopt de levensduur van een leverbot uiteen van zes maanden tot twee jaar, maar bij uitzondering kunnen leverbotten soms langer (tot acht jaar na infectie) in de galgangen verblijven. Bij onbehandelde schapen zouden leverbotten jaren aanwezig kunnen blijven soms zelfs langer dan elf jaar.

Terug naar het begin van dit artikel

Toelichting op de uitslag GD Tankmelk Worminfecties


Om de uitslag zo goed mogelijk om te zetten naar actie op uw bedrijf is het raadzaam om te overleggen met uw dierenarts. Hij of zij kan samen met u bepalen of vervolgstappen gewenst zijn. Klik hier voor een toelichting op de uitslag Worminfecties Tankmelk. 

Terug naar het begin van dit artikel

Oude browser

We zien dat u gebruik maakt van een verouderde browser. Niet alle onderdelen van de website zullen daardoor goed functioneren. Download nu de laatste versie van uw browser om veilig te kunnen surfen.