Zoomfunctie

Moeite met het lezen van de tekst? Vrijwel alle populaire browsers geven u controle over hoe groot websites worden weergegeven.

  • Windows
    Mac OS
  • Zoom in
  • Zoom uit
  • Zoom 100%
  • Muiswiel op / neer

Diersoorten

Aanpak van parasitaire infecties voor en tijdens de weidegang

3-5-2016: 

Als uw bedrijf weidegang toepast, is het verstandig rekening te houden met parasitaire infecties. Daarom hebben we enkele praktische tips op een rij gezet voor de aanpak van maagdarmwormen, longworm en leverbot.


Maagdarmwormen

Maagdarmworminfecties komen op nagenoeg alle bedrijven met weidegang voor. De belangrijkste maagdarmworminfectie op melkveebedrijven is Ostertagia ostertagi (lebmaagworm) en in mindere mate Coöperia- of Trichuris-infecties. Weiden die tweemaal gemaaid zijn (en tussendoor niet beweid door met name jongvee) worden beschouwd als schoon. En onder schoon wordt hier dan een zeer lage besmetting verstaan. Het zal duidelijk zijn dat hoe vaker gemaaid, hoe kleiner de kans op besmetting. Naast deze weidebesmetting zijn er altijd dragerdieren in een koppel, die zorgen voor een geringe besmetting. Maagdarmwormeieren overleven niet in de mestkelder (uitzondering ‘ascaris type’, maar die spelen vooral bij zoogkoeien, bijvoorbeeldToxocara vitulorum). Bij een weidebesmetting speelt bemesting van het land dus geen rol. Mestonderzoek, gepoold en bij voorkeur van vijf vaarzen in hun eerste weideseizoen, zes tot acht weken na uitscharen, geeft een indicatie voor een koppelbesmetting. Hierbij lijken alleen het aantal eieren per gram mest (epg) hoger dan 200 tot 300 relevant te zijn. Reden voor onderzoek voor maagdarmwormen zijn slechte kleur of verminderde melkproductie (en dus niet het optreden van diarree). Maar ook als u worminfecties wil monitoren is dit onderzoek nuttig.

Bij mestonderzoek op maagdarmwormen later in het weideseizoen  zijn epg’s geen indicatie meer voor de ernst van een besmetting. Voor het einde van de weideperiode zegt alleen een tankmelkonderzoek iets over de belasting van de dieren met maagdarmwormen (Ostertagia-test). Aanvullend mestonderzoek is minder zinvol, omdat schade soms door larven in plaats van volwassen wormen wordt veroorzaakt, en van larven is niets te vinden in de mest. Het onderzoek richt zich namelijk op wormeieren. Pepsinogeen onderzoek (eventueel gepoold uit te voeren) is verhoogd bij larvale belasting van de lebmaagwand en is gevalideerd voor jongvee, maar niet voor oudere dieren. Doe dit onderzoek een week na het opstallen.

Longworm  

Longworm komt voor op ongeveer 80 procent van de Nederlands melkveebedrijven met weidegang en overleeft in de winter buiten de dragerdieren zeer beperkt. Onder invloed van zonlicht is de overleving van longworm ook beperkt tot enkele weken, dus weiden die meer dan een jaar niet beweid zijn, zijn ’schoon’ voor wat betreft longworm. Longworm is zeer diersoortspecifiek, dus andere diersoorten zoals schapen, reeën en paarden dragen niet bij aan een besmetting van een weide. Longworm kan wel makkelijk spreiden naar buurpercelen via de Pilobolus-schimmel, openbarstende schimmelsporen slingeren longwormlarven meters weg.

Als de pinken verder van huis worden uitgeschaard is het voor de weerstandsopbouw belangrijk dat er contact is met ouder vee dat op kleine schaal longwormlarven verspreidt met de mest. Dieren in een koppel kunnen jaren drager van een longwormbesmetting blijven. Hoe lang is onbekend. In onderzoek is bij enkele koppels vastgesteld dat het om twee of drie dieren per honderd dieren ging. Bij aanwezigheid van klachten, bijvoorbeeld hoesten bij beweging en vermageren, kan vanaf medio augustus serologie of gepoold mestonderzoek van dieren die voor het eerst weiden zeer zinvol zijn.

Leverbot

Leverbot komt op bijna 30 procent van de Nederlandsemelkveebedrijven met weidegang voor en significant vaker in met name het westen van Nederland. Leverbot is niet diersoortspecifiek. Dat betekent dat wanneer de koeien de afgelopen jaren binnen zijn geweest, maar er wel schapen, paarden, hazen of reeën op het land hebben geweid, er een besmetting in stand kan zijn gebleven. Leverbotten kunnen  jaren sluimerend aanwezig zijn in runderen. In de risicogebieden hebben  veel bedrijven te maken (gehad) met het leverbotprobleem. Desalniettemin worden er jaarlijks weer  bedrijven geconfronteerd met leverbot als nieuw bedrijfsprobleem. Vaak is dit gerelateerd aan veranderingen in de waterhuishouding. Jaarlijkse controle via tankmelkonderzoek geeft een uitstekende indicatie of leverbot aanwezig is bij het melkvee. Daarnaast kan met serologie en mestonderzoek meer inzicht worden verkregen in de verspreiding en de ernst van de besmetting. Behandeling van dieren tegen een leverbotbesmetting die langere tijd binnen hebben gestaan is niet zinvol. Voor melkgevende dieren zijn in Nederland geen leverbotmiddelen geregistreerd, alleen volgens de cascaderegeling kunnen via dierenarts leverbotmiddelen worden verstrekt voor deze dieren. Leverbot kan een belangrijke rol spelen bij de salmonellabestrijding, omdat de aanwezigheid van een leverbotbesmetting de kans op het ontstaan van salmonelladragers vergroot. Per jaar kan door de weersomstandigheden de ernst van de leverbotbesmetting verschillen. Via leverbotalerts (zie www.leverbot.nl) kunt u op de hoogte worden gehouden van de leverbotsituatie. 

Oude browser

We zien dat u gebruik maakt van een verouderde browser. Niet alle onderdelen van de website zullen daardoor goed functioneren. Download nu de laatste versie van uw browser om veilig te kunnen surfen.