Informatie over maagdarmwormen

Zoomfunctie

Moeite met het lezen van de tekst? Vrijwel alle populaire browsers geven u controle over hoe groot websites worden weergegeven.

  • Windows
    Mac OS
  • Zoom in
  • Zoom uit
  • Zoom 100%
  • Muiswiel op / neer

Informatie over maagdarmwormen

Een volwassen maagdarmworm is 6 tot 9 mm lang en leeft, afhankelijk van de soort, in de klieren van de lebmaag, in de dunne darm of in de dikke darm van de gastheer. De volwassen stadia produceren eieren die de gastheer via de mest uitscheidt (zie figuur).


Direct naar:



Een volwassen (maagdarm)worm produceert, afhankelijk van de soort, per dag tot 10.000 eieren. Uit de eieren ontwikkelen zich larven (L1), die zich op het weiland in een periode van 2 tot 3 weken ontwikkelen tot infectieuze L3-larven. De snelheid van de ontwikkeling is afhankelijk van de vochtigheid van de omgeving en de temperatuur. Grazende runderen nemen besmettelijke L3-larven op met het gras, waarna de L3-larve zich in de lebmaag via een L4 en L5-stadium verder ontwikkelt tot een volwassen worm (O. ostertagii).
De belangrijkste nematodensoorten zijn Ostertagia Ostertagie in de lebmaag en Cooperia oncophora, Nematodirus Helvetianus en soms Nematodirus Battus in de dunnen darm. Heel soms vinden we andere maagdarmwormen, bijvoorbeeld Toxocara vitulorum (met name bij zoogkalveren van koeien uit Zuid-Europa) of Strongyloides papillosus (percutane infectie bij jonge klaveren).

Feiten over maagdarmwormen

  • Geïnfecteerde dieren besmetten een perceel tijdens beweiding. Overwinterde besmettingen treden op tot globaal 1 juli. In het voorjaar heeft het rund dus vooral met overwinterde besmetting te kampen.
  • Ook pinken kunnen uitscheiders zijn; ze scheiden soms grote aantallen eieren uit via de mest.
  • Eieren die via de mest op de wei terechtkomen, ontwikkelen zich onder gunstige omstandigheden (temperatuur, vochtigheid) binnen drie weken tot infectieuze larven. Deze infectieuze larven sterven minder snel dan longwormlarven. Via maaien in de zomer kan een groot aantal worden verwijderd. Na twee keer maaien en/of weiden door een andere diersoort (schapen of paarden) is een perceel weer ‘veilig’ voor beweiding.
  • Overwintering van infectieuze larven op een perceel speelt een belangrijke rol in de epidemiologie van de infectie.
  • Geïnfecteerde dieren scheiden na drie weken eieren uit in de mest.
  • Het optreden van klinische klachten bij het rund is onder andere afhankelijk van de hoeveelheid opgenomen larven en de weerstand van het rund.
  • De cyclus van de (maagdarm)wormen buiten de gastheer is vocht- en temperatuursafhankelijk en komt bij een temperatuur onder 10°C praktisch tot stilstand. In ons klimaat is de ontwikkeling daarom vooral mogelijk van april tot november. De ontwikkeling van maagdarmworm die in het najaar op het weiland terecht zijn gekomen, ‘start’ in het voorjaar opnieuw ‘op’ met de ontwikkeling tot infectieuze L3-larven. Deze larven blijven globaal infectieus tot aan 1 juli van dat seizoen. Onbeweide percelen zijn na 1 juli vrij van een overwinterde maagdarmwormbesmetting.

Terug naar het begin van dit artikel

Verschijnselen van maagdarmwormen


De symptomen van maagdarmworminfecties bij jonge dieren zijn aspecifiek. De infectie veroorzaakt een minder goed functioneren van de lebmaag bij een O. ostertagi-infectie of van de dunne darm bij een infectie met andere maagdarmwormen. In eerste instantie uit zich dat als een verminderde groei, c.q. vermagering van het dier, een doffe vacht, een verhoogde gevoeligheid voor andere infecties door verminderde weerstand, en diarree. Diarree is lang niet altijd (duidelijk) aanwezig. Bij melkkoeien kan de melkgift afnemen (1 tot 1,5 kg per dag).

Verschijnselen van maagdarmworminfecties worden vooral gezien in het eerste weideseizoen ( dat kunnen dus ook pinken en/of melkvaarzen zijn op bedrijven die hun jongvee binnen houden) en in mindere mate in het tweede weideseizoen.

Diagnose van maagdarmwormen


Het laboratoriumonderzoek bestaat uit mestonderzoek, bloedonderzoek en tankmelkonderzoek.

Mestonderzoek

Bij jongvee stelt u met mestonderzoek een besmetting met maagdarmwormen vast. Dit is een kwantitatieve bepaling. Van vier tot tien weken na het begin van het weideseizoen is het aantal eieren in de mest een goede afspiegeling van het aantal wormen. Hierna moet de interpretatie van het mestonderzoek gecombineerd worden met bedrijfsgegevens, zoals het gehanteerde beweidingsschema. Omdat de uitscheiding niet continu is wordt geadviseerd de diagnostiek te baseren op een mengmonster van drie tot vijf jonge dieren met klinische symptomen (slechte groei, ruig haarkleed etc). Mestonderzoek na een periode van tien weken weidegang zegt niets meer over de ernst van de besmetting. Ook het uitvoeren van mestonderzoek bij volwassen dieren op bedrijven met een zware besmetting (op basis van tankmelkuitslag) heeft geen enkele diagnostische waarde.

Er vindt snel opbouw van immuniteit plaats tegen een aantal (vooral in de darm levende) wormsoorten. Tegen de meest schadelijke lebmaagworm (Ostertagia ostertagi) vindt een veel langzamere immuniteitsopbouw plaats.

Bloedonderzoek

Een toename van het aantal eosinofiele granulocyten (20 tot 30% van het totale aantal ontstekingscellen) is een aanwijzing voor een parasitaire infectie. Afhankelijk van het stadium gaat een parasitaire infectie gepaard met een leucocytose of een normaal aantal leucocyten. 

Ter bepaling van de ernst van de larvale besmetting met O. ostertagii kan een pepsinogeenbepaling worden gedaan (door beschadiging diffundeert pepsinogeen makkelijker door de wand en is de waarde in het bloed verhoogd). Deze bepaling is alleen gedurende het eerste weideseizoen bij kalveren tot uiterlijk zeven tot tien dagen na opstallen van diagnostische waarde.

Voor de interpretatie van pepsinogeen geldt het volgende:

< 1,5: Momenteel geen aanwijzingen voor lebmaagschade. Geen aanleiding om dieren te behandelen tegen maagdarmwormen. Een lage uitslag komt doordat een lage infectiegraad aanwezig is (door overmatig behandelen, doordat de dieren een zeer kort weideseizoen doorgemaakt hebben of omdat ze eerder al een goede weerstand hebben opgedaan). 

1,5-3,5: Een normale infectiegraad met voldoende opbouw immuniteit. Geen aanleiding om dieren te behandelen tegen maagdarmwormen. 

> 3,5: Een hoge infectiegraad.  Een (opstal-)behandeling tegen maagdarmwormen is aan te raden

Tankmelkonderzoek

Bij volwassen melkkoeien stelt u een te hoge belasting met maagdarmwormen vast met een antilichaambepaling voor Ostertagia in de tankmelk. Deze test is beschikbaar als onderdeel van een abonnement, maar ook als losse bepaling. De uitkomst van de tankmelktest is een afspiegeling van een maagdarmworm-belasting van de melkkoeien. 

De uitslagen worden als volgt weergegeven: 

Geen afweerstoffen aangetoond: er zijn geen aanwijzingen dat de melkkoeien schade ondervinden van maagdarmwormen. Bewaking van de status van het jongvee is belangrijk om blijvend te zorgen voor een goede immuniteitsopbouw.

Weinig afweerstoffen: de melkkoeien hebben waarschijnlijk een besmetting met maagdarmwormen ondergaan, echter de verwachte schade op de melkproductie is heel gering en een behandeling van de melkkoeien is vanuit bedrijfseconomie en risico op resistentie ontwikkeling niet verantwoord. Optimaliseren van het weide- en ontwormingsmanagement (eerste weideseizoen) blijven van belang.

Veel afweerstoffen: de melkkoeien zijn het afgelopen weideseizoen blootgesteld aan een redelijke besmetting met maagdarmwormen, die mogelijk bij nieuwmelkte vaarzen en/of koeien tot een geringe schade v.w.b. melkproductie aanleiding kan zijn. Een en ander kan ook het gevolg zijn van een onvoldoende immuniteitsopbouw bij het jongvee (niet geweid of te intensieve ontworming). Bespreek optimalisatie hiervan met uw veehouder. Neem de produktiegegevens mee om te beoordelen of beperking van productieschade door behandeling van vaarzen en/of hoogproductieve nieuwmelkte koeien zinvol lijkt. 

Zeer veel afweerstoffen: de melkkoeien hebben afgelopen periode aan een dusdanig hoge besmettingsdruk met maagdarmwormen blootgestaan dat schade (verminderde melkproductie/verlies conditie) waarschijnlijk is. 

Bespreek optimalisatie van de weerstandsopbouw bij het jongvee met uw veehouder en ter beperking van productieschade kan behandeling van vaarzen en/of hoogproductieve nieuwmelkte koeien overwogen worden.

Aanvullend onderzoek: Postmortaal onderzoek

De waarde van het pathologische onderzoek is bij maagdarmwormen zeer beperkt en vooral bedoeld om andere oorzaken uit te sluiten.

Terug naar het begin van dit artikel

Preventie van maagdarmwormen


De basis voor de preventie van schade door maagdarmwormen is een beperkte besmetting in het eerste weideseizoen, zodat de dieren geen klinische verschijnselen krijgen, maar wel een goede immuniteit opbouwen.

Globaal genomen geldt: de dieren het eerste weideseizoen zoveel mogelijk weiden op etgroen of na 1 juli van het betreffende jaar op weide waar geen ouder vee geweid is. Verdere details en praktische uitvoering van de preventie en preventieve behandelingen vindt u in de ‘Sleutel voor bestrijding van infecties met maagdarm- en longwormen in het eerste weideseizoen’.


Lintworm (Moniezia)
Naast eieren van wormen treffen we ook (heel regelmatig) lintwormen aan in de mest van runderen. Het gaat niet om eieren, maar proglottiden of stukken lintworm, tot wel 5 m lang. Deze lintwormen (Moniezia expansa en M. benedeni) zijn weinig pathogeen. Een gelijktijdige infectie met spoelworm veroorzaakt meestal de symptomen (geringe enteritis en/of obstructie). Moniezia-infecties zijn mogelijk predisponerend (via invloed op de darmmotiliteit) voor het optreden van enterotoxemie.

Terug naar het begin van dit artikel

Oude browser

We zien dat u gebruik maakt van een verouderde browser. Niet alle onderdelen van de website zullen daardoor goed functioneren. Download nu de laatste versie van uw browser om veilig te kunnen surfen.

GD maakt gebruik van cookies om onze website te analyseren en de functionaliteit te verbeteren. Meer info vind je in ons cookiebeleid.