MKZ

Zoomfunctie

Moeite met het lezen van de tekst? Vrijwel alle populaire browsers geven u controle over hoe groot websites worden weergegeven.

  • Windows
    Mac OS
  • Zoom in
  • Zoom uit
  • Zoom 100%
  • Muiswiel op / neer

MKZ

MKZ is een meldingsplichtige ziekte. Elk ziektebeeld waarbij MKZ niet kan worden uitgesloten is een klinische verdenking en dient gemeld te worden bij het Centraal Meldpunt Dierziekten (045-5463188). Het is van groot belang dat de melding van een verdenking zo snel mogelijk plaatsvindt omdat al vóór het zichtbaar worden van klinische verschijnselen virus uitscheiding plaatsvindt en het van groot belang voor de sector is dat als de verdenking wordt bevestigd, verspreiding beperkende maatregelen kunnen worden genomen. De afhandeling van verdenkingen en bestrijding gaan volgens de geldende regelgeving en de instructie van NVWA. 

Een klinische verdenking van MKZ waarbij de eerste maatregelen door NVWA al worden ingesteld vóór de diagnose met laboratoriumonderzoek is bevestigd:

  • Runderen: als ten minste één rund boven op de tong een blaar van de grootte van één euro heeft (de grootte wordt bepaald nadat het epitheel ter plekke van de blaar is verwijderd) en tevens bij één of meer andere runderen een temperatuur is vastgesteld >40,0°C of laesies aan tong of klauwen
    N.B.: waterbuffels hebben vaak geen laesies op de tong ( zie onder klinische verschijnselen)
  • Varkens: als blaren op de kroonrand en de bal van de klauwen van ten minste twee poten zitten bij één dier en bij meer dan twee varkens een temperatuur > 40,5°C en / of andere MKZ-verschijnselen
  • Schapen, geiten en overige evenhoevige dieren: klinische diagnose moeilijk, soms blaarvorming op tandeloze rand, binnenkant lippen, tong.

Pathologie

Bij pathologisch onderzoek worden (afhankelijk van het stadium van de infectie) blaren, erosies of ulcera gezien in de mond, op de kroonranden en de uier. In sommige gevallen worden deze laesies ook aangetroffen in de pharynx, slokdarm, voormagen en darmen alsook in de luchtpijp en bronchiën. Bij jonge dieren worden epicardiale bloedingen aangetroffen en is de wand van de hartkamers gestreept (tijgerhart). De sterfte van jonge, pasgeboren dieren kan al optreden voordat blaren zichtbaar zijn bij de volwassen dieren.
Histopathologie: laesies in stratum spinosum, hydropische degeneratie en intercellulair oedeem. Het stratum basale blijft intact.

Isolatie van de kiem

Bij een klinische verdenking moet blaarwandmateriaal, serumbloed en eventueel EDTA-bloed van de dieren met symptomen en koorts worden ingestuurd voor het aantonen van MKZ-virus. NVWA zorgt voor monstername en transport van materiaal voor onderzoek naar het CVI, waar het materiaal wordt onderzocht met behulp van antigeen/genoom-detectie (ELISA, PCR), virusisolatie en/of detectie van antilichamen (virusneutralisatietest of ELISA). Epitheel van intacte of pas gesprongen blaren is het meest geschikt voor laboratoriumonderzoek. Ook blaarvloeistof of sputummonsters zijn geschikt. Blaarvloeistof bevat zeer veel virusdeeltjes. In bloed worden zowel het virus als (later) de afweerstoffen aangetoond. De indirecte sandwich antigeen-ELISA wordt niet alleen ingezet voor alle bekende MKZ-serotypen, maar ook voor SVD. Een ongunstige uitslag is binnen zes uur bekend. Tevens wordt tegenwoordig een zeer gevoelige groepsspecifieke (pan FMD) real-time RT-PCR ingezet. Om definitief te verklaren dat een monster geen virus bevat, is een viruskweek nodig en deze duurt minimaal enkele dagen. Virusisolatie vindt plaats in celculturen van muizen, in lammerniercellen of varkensniercellen.
De klauwlaesies (als gevolg van blaren) herstellen vaak niet volledig en kunnen daarom vaak nog zichtbaar zijn. Van dergelijke dieren kan serum (of EDTA-bloed) worden ingestuurd.
De dieren zullen twee weken na het optreden van de klinische symptomen serologisch positief zijn (vaak al na 5-7 dagen omdat de incubatietijd erbij opgeteld moet worden). Het virus is dan meestal niet meer aantoonbaar in het bloed, maar bij runderen vaak nog wel in sputummonsters. Echter de concentratie in het sputum is dan ongeveer een factor 100.000 lager dan de eerste dagen na infectie. Daarom kan sputum niet onderzocht worden met de indirecte sandwich antigeen-ELISA, maar moet met PCR en/of virusisolatie onderzocht worden. Na circa vier weken is de concentratie in het sputum bij de helft van de dieren onder de grens van aantoonbaarheid gedaald.Bij een klinische verdenking moet blaarwandmateriaal, serumbloed en EDTA-bloed van de dieren met symptomen en koorts worden ingestuurd voor het aantonen van MKZ-virus. NVWA zorgt voor monstername en transport van materiaal voor onderzoek naar Wageningen BioVeterinary Research (WBVR), waar het materiaal wordt onderzocht met behulp van antigeen/genoom-detectie (ELISA, PCR), virusisolatie en/of detectie van antilichamen (virusneutralisatietest of ELISA). Epitheel van intacte of pas gesprongen blaren is het meest geschikt voor laboratoriumonderzoek. Ook blaarvloeistof of sputummonsters zijn geschikt. Blaarvloeistof bevat zeer veel virusdeeltjes. In bloed worden zowel het virus als (later) de afweerstoffen aangetoond. De indirecte sandwich antigeen-ELISA wordt niet alleen ingezet voor alle bekende MKZ-serotypen, maar ook voor SVD. Een ongunstige uitslag is binnen zes uur bekend. Tevens wordt tegenwoordig een zeer gevoelige groep specifieke (pan FMD) real-time RT-PCR ingezet. Om definitief te verklaren dat een monster geen virus bevat, is een viruskweek nodig en deze duurt minimaal enkele dagen.
Virusisolatie vindt plaats in celculturen van muizen, in lammerniercellen of varkensniercellen.


Bij een klinische verdenking moet blaarwandmateriaal, serumbloed en eventueel EDTA-bloed van de dieren met symptomen en koorts worden ingestuurd voor het aantonen van MKZ-virus.
De klauwlaesies (als gevolg van blaren) herstellen vaak niet volledig en kunnen daarom vaak nog zichtbaar zijn. Van dergelijke dieren kan serum (of EDTA-bloed) worden ingestuurd.
De dieren zullen veelal 5-7 dagen na het optreden van de klinische symptomen serologisch positief zijn. Het virus is dan meestal niet meer aantoonbaar in het bloed, maar bij runderen vaak nog wel in sputummonsters. Echter de concentratie in het sputum is dan ongeveer een factor 100.000 lager dan de eerste dagen na infectie. Daarom kan sputum niet onderzocht worden met de indirecte sandwich antigeen-ELISA, maar moet met PCR en/of virusisolatie onderzocht worden. Na circa vier weken is de concentratie in het sputum bij de helft van de dieren onder de grens van aantoonbaarheid gedaald.

Serologie

Wanneer geen klinische verschijnselen worden waargenomen, moeten serumbloedmonsters van de dieren worden genomen (minimaal 5, liever 10 dieren. Bij voorkeur dieren die ziek geweest zijn). Het aantonen van antilichamen kan met behulp van een virusneutralisatietest en diverse ELISAs. ELISAs voor het aantonen van antistoffen tegen niet structurele eiwitten (nsp-ELISAs) tonen antistoffen na infectie met alle serotypen aan. ELISAs tegen structurele eiwitten (sp-ELISAs)tonen antistoffen aan na infectie of vaccinatie en zijn serotype-specifiek (met enige mate van kruisreacties, afhankelijk van het serotype en de eventuele vaccinatiehistorie). De antilichaam-ELISAs zijn goed gevoelig, maar niet zo specifiek als de virus-neutralisatietesten. De test wordt gebruikt als screeningstest en wordt binnen een dag afgelezen. Ongunstige monsters worden geconfirmeerd in de virus-neutralisatietest. Deze test is gevoelig én specifiek. De virus-neutralisatietest duurt drie dagen.Wanneer geen klinische verschijnselen worden waargenomen, moeten serumbloedmonsters van de dieren worden genomen (minimaal 5, liever 10 dieren. Bij voorkeur dieren die ziek geweest zijn). Het aantonen van antilichamen kan met behulp van een virusneutralisatietest en diverse ELISA’s. ELISA’s voor het aantonen van antistoffen tegen niet structurele eiwitten (nsp-ELISA’s) tonen antistoffen na infectie met alle serotypen aan. ELISA’s tegen structurele eiwitten (sp-ELISA’s)tonen antistoffen aan na infectie of vaccinatie en zijn serotype-specifiek (met enige mate van kruisreacties, afhankelijk van het serotype en de eventuele vaccinatiehistorie). De antilichaam-ELISA’s zijn goed gevoelig, maar niet zo specifiek als de virus-neutralisatietesten. De test wordt gebruikt als screeningstest en wordt binnen een dag afgelezen. Ongunstige monsters worden geconfirmeerd in de virus-neutralisatietest. Deze test is gevoelig én specifiek. De virus-neutralisatietest duurt drie dagen.

 

Diagnostische testen: (N.B.: SVD en MKZ tegelijk getest, Terpstra 1992)

 Test
materiaal
aantonen van
positief
(dagen p.i.)
duur test 1)
IDAS ELISA
blaarwand
Materiaal, blaarvloeistof
antigeen
1-5 dagen
6 - 12 uur
virus isolatie
blaarwand, blaarvloeistof sputum,
heparinebloed
virus
1-5 dagen
7 - 15 dagen
ELISA
MKZ type O 3)
serum
antistoffen
> 7 dagen
3 dagen
ELISA
MKZ NS eiwitten
(veldvirus)
serum
antistoffen
> 14 dagen
4 dagen
virus
neutralisatie test (VNT)
serum
antistoffen
> 7 dagen
4 - 11 dagen
PCR  4)
sputum, blaarwand, serum, EDTA bloed
RNA
onbekend
2 - 3 dagen

  1. Na inzetten van de test. In het ‘service level agreement’ met de NVWA zijn afspraken gemaakt over het moment van inzetten.
  2. Na introductie van virus op een bedrijf zal een infectie pas worden opgemerkt wanneer een aantal dieren symptomen vertoont. Doorgaans zal de infectie vaak niet binnen 5 dagen na introductie worden opgemerkt.
  3. De ELISA geeft geen einduitslag, een positief resultaat zal moeten worden bevestigd in de virus neutralisatie test. Voor een definitief resultaat zal de duur van de virus neutralisatie test moeten worden aangehouden. De MKZ ELISA type O is alleen zinvol als er aanwijzingen bestaan dat de mogelijke infectie type O is.
  4. Nog niet geschikt voor routine en massa diagnostiek en moet nog verder worden gevalideerd.

Insturen van materiaal t.b.v. Mond-en-Klauwzeer diagnostiek:

type dier
doel
materiaal
test
tijdstip uitslag (minimaal)
alle zieke dieren
snelle diagnostiek
blaarwandmateriaal
 
IDAS ELISA, PCR
dezelfde dag
 
diagnostiek
blaarwandmateriaal, heparinebloed
virus isolatie
5 dagen
niet ziek
screening
Serumbloed
ELISA, VNT
7 dagen
 

Te verwachten testuitslag op verschillende momenten na infectie (indicatief):

Dagen na start blaarvorming
-3
-2
-1
0
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15-27
28
Blaren ELISA of VI
-
-
-
+
+
+
+
+
+
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
VI bloed
 
-
+
+
+
+
+
+
+
+
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
PCR bloed
-
+
+
+
+
+
+
+
+
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
Antistoffen
 
-
-
-
-
-
-
-
-
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Koorts
 
-
-
-
+
+
+
+
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-

Toelichting: de infectie heeft rond dag –3 plaatsgevonden; dag 0 = start symptomen

Terug naar het begin van dit artikel

Prevalentie van MKZ


Nederland

Tot 1 januari 1992 werd in Nederland verplicht preventief gevaccineerd tegen MKZ. Sindsdien volgt Nederland het Europese non-vaccinatie beleid en is enten verboden. De laatste uitbraken dateren van 1986 en 2001. De laatste preventieve vaccinaties in Nederland werden in 1991 toegediend. In 2001 is in het kader van de bestrijding van de ziekte gevaccineerd in een cirkel van twee kilometer rond uitbraken en in een groter gebied tussen Apeldoorn, Deventer en Zwolle. De geënte dieren (runderen, varkens, schapen, geiten en herten) zijn later allemaal gedood en gedestrueerd. Dit had tot doel het gebied en daarmee de rest van Nederland weer zo snel mogelijk de MKZ-vrije status te laten verkrijgen ten behoeve van de export van de producten van deze dieren. Sinds juni 2001 heeft Nederland weer officieel de MKZ-vrije status.Tot 1 januari 1992 werd in Nederland verplicht preventief gevaccineerd tegen MKZ(met type A,O en C in de stalperiode alle dieren ouder dan 4 maanden. Kalveren ouder dan 4 maanden die in de zomer naar een keuring gingen, werden bij gevaccineerd). Sindsdien volgt Nederland het Europese non-vaccinatie beleid en is enten verboden. De laatste uitbraken dateren van 1986 en 2001. In 2001 is in het kader van de bestrijding van de ziekte gevaccineerd in een cirkel van twee kilometer rond uitbraken en in een groter gebied tussen Apeldoorn, Deventer en Zwolle. De geënte dieren (runderen, varkens, schapen, geiten en herten) zijn later allemaal gedood en gedestrueerd. Dit had tot doel het gebied en daarmee de rest van Nederland weer zo snel mogelijk de MKZ-vrije status te laten verkrijgen ten behoeve van de export van de producten van deze dieren.
Sinds juni 2001 heeft Nederland weer officieel de MKZ-vrije status.

Andere landen

Europa: (de dichtstbijzijnde uitbraken zijn al jaren in Turkije)
Tot 1992 werd in de meeste Europese landen gevaccineerd en waren uitbraken al (zeer) lang niet voorgekomen. Uitbraken sinds 2005 (bron: OIE en ADNS):
      
  • Rusland (en Mongolië):
    • 2005: vanuit China, Asia 1 besmetting (mogelijk vaccinvirus)
    • 2014: serotype O (bij grens met China)
  • UK:
    • augustus 2007: 8 uitbraken (ADNS), vaccinvirus laboratorium Pirbright
    • november 2007: vaccinvirus; tweede lek in Pirbright
  • Cyprus:
    • november 2007: vier uitbraken (ADNS)
  • Bulgarije:
    • 2011: uitbraken door wilde zwijnen vanuit Turkije

 

Aanpak besmette bedrijven


Meldingsplicht

MKZ is een meldingsplichtige ziekte ingevolge artikel 15 van de Gezondheids- en Welzijnsziekte voor Dieren. Bij afhandeling van verdenkingen en bij de bestrijding zijn de betreffende draaiboeken uitgangspunt en zijn de dan geldende regelgeving en de instructie van NVWA leidend.

Bewaking

De bewaking is gebaseerd op controle aan de buitengrenzen van de EU en op de aangifteplicht. Dat wil zeggen: het zo spoedig mogelijk melden van klinisch verdachte dieren bij het centrale meldpunt van de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA). Bij enige verdenking op MKZ moet dit zo spoedig mogelijk worden gemeld. Dit is van zeer groot belang voor de gehele nationale veehouderij. Een practicus die een MKZ-verdenking heeft of een besmetting vaststelt, verlaat het betreffende bedrijf niet en slaat alarm bij het centrale meldpunt van de NVWA (045-5463188). Een dierziekte-bestrijdingsteam (NVWA-dierenarts, GD-dierenarts + practicus) bezoekt het bedrijf om de klinische verschijnselen te beoordelen.

Preventie van MKZ


De preventie is gebaseerd op controle aan de buitengrenzen van de EU en op de aangifteplicht. 

Regelgeving


Maatregelen worden getroffen op basis van de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren en EU-regelgeving. Er is een uitgebreid MKZ-draaiboek opgesteld door de NVWA op grond van de wet en Europese regelgeving. De maatregelen die hierin worden omschreven zijn doorgesproken met alle geledingen van het landbouwbedrijfsleven en goedgekeurd door de Tweede Kamer.

EU-regelgeving

Sinds 1 juli 2003 is de nieuwe EU-richtlijn MKZ-bestrijding van kracht. Hierin krijgen de lidstaten de mogelijkheid over te gaan tot beschermende entingen, zonder dat de gevaccineerde dieren hoeven te worden gedood.


Internationaal

OIE
Via de Office International des Epizooties (OIE). Dit is de wereld diergezondheidsorganisatie in Parijs waar inmiddels 180 landen lid van zijn. De organisatie draagt zorg voor inzichtelijkheid en transparantie van de mondiale dierziekte- en zoönose situatie. De aangesloten landen verplichten zich uitbraken van ziekten die op de OIE dierziektelijst staan te melden. De OIE heeft een lijst opgesteld (voorheen lijst A en lijst B) met besmettelijke dierziekten, die aangifteplichtig zijn bij de OIE (zie ook www.oie.int)

Websites en literatuur


Websites

Literatuur

  1. Bouma A., Elbers A.R.W., Dekker A., de Koeijer A., Bartels C., Vellema P.; The Foot-and-Mouth disease epidemic in the Netherlands in 2001, Preventive Veterinary Medicine, 2003, 57 (3): 155-166
  2. Brown C.C., Meyer R.F., Olander H.J., House C, Mebus C.A.; A pathogenesis study of foot-and-mouth disease in cattle, using in situ hybridization. Canadian journal of Veterinary Research, 1992, 56 (3): 189-193
  3. Terpstra; TvD, 1992; 117: 623 – 626
  4. M. Holzhauer, J.J. Verhoeff en L. van Wuijckhuise, De klinische verschijnselen van Mond- en Klauwzeer bij de eerste bevestig de gevallen op vijf bedrijven in Nederland, Tijdschrift voor Diergeneeskunde 2001, 126, 282-285

Bijlage: foto's


Klik op het onderstaande bestand voor de foto's

Foto's van varkensklauwtjes geïnfecteerd met MKZ (bron WBVR):


blaarvorming 2-3 dagen na infectie


blaarvorming 6 dagen na infectie


ondermijning kroonrand 10 dagen na infectie 

Terug naar het begin van dit artikel

Zo herkent u mond- en klauwzeer bij varkens


Mond- en klauwzeer kan optreden bij koeien, geiten, schapen en varkens. De ene diersoort kan de ziekte overdragen op de andere.

Symptomen bij het varken zijn:

  • plotselinge kreupelheid
  • niet eten
  • koorts
  • sloom
  • blaren: kroonranden, tussenklauwspleet, bek, snuit, lippen, spenen
  • wil graag liggen (gillen bij opjagen)
  • sterfte, vooral bij biggen in het kraamhok
Met name varkens zorgen voor een grote hoeveelheid virusdeeltjes in de lucht. Vervolgens zullen met name runderen door besmette lucht worden geïnfecteerd. In het algemeen zijn de symptomen onduidelijk. De blaarvorming treedt in hoofdzaak op rond de klauwen en zijn alleen zichtbaar bij nauwkeurige inspectie van schone klauwen.
Let op: de symptomen van blaasjesziekte en mond- en klauwzeer zijn vrijwel identiek. Elke klinische verdenking dient onmiddelijk te worden gemeld!
 
Varken met 1 dag oude intacte
blaren op de neus.

Varken met 2 dagen oude blaren.

Varkens met 3 dagen oude wonden
op de kroonrand van klauwen en
bijklauwen.

Varkens met 8 dagen oude wonden
met beginnende ontschoening,
uitgebreide korstvorming en herstel.

Oude browser

We zien dat u gebruik maakt van een verouderde browser. Niet alle onderdelen van de website zullen daardoor goed functioneren. Download nu de laatste versie van uw browser om veilig te kunnen surfen.

GD maakt gebruik van cookies om onze website te analyseren en de functionaliteit te verbeteren. Meer info vind je in ons cookiebeleid.