Longwormen

Zoomfunctie

Moeite met het lezen van de tekst? Vrijwel alle populaire browsers geven u controle over hoe groot websites worden weergegeven.

  • Windows
    Mac OS
  • Zoom in
  • Zoom uit
  • Zoom 100%
  • Muiswiel op / neer

Longwormen

Longwormen (Dictyocaulus viviparus) zijn de veroorzakers van parasitaire infecties van het respiratieapparaat. Longworminfecties leiden tot milde symptomen van hoest tijdens inspanning tot zeer ernstige dyspneu, veel hoesten en sterke bijgeluiden bij auscultatie. Tot begin jaren negentig van de twintigste eeuw was longworm voornamelijk een probleem bij kalveren bij het eerste weideseizoen. Sinds een aantal jaren is Dictyocaulus echter ook steeds meer een probleem bij volwassen koeien. Het probleem van dictyocaulose bij koeien is dat de pathogenese bij volwassen dieren niet geheel bekend is en dat (larvale) diagnostiek bij serologie ontbreekt. Ook de uitslag van mestonderzoek is vaak negatief door het ontbreken van volwassen stadia.

Direct naar:

Pathogenese

Een volwassen longworm (Dictyocaulus viviparus) is een draadvormige worm van 4 tot 8 cm lang. Hij leeft vooral in de bronchiën en de bronchioli van de gastheer. Eén volwassen longworm kan per dag tot 10.000 eieren produceren.



In de bronchiën komen de longwormeitjes vrijwel onmiddellijk uit en worden als L1-larve vervolgens opgehoest, doorgeslikt en met de mest uitgescheiden (zie figuur). De uitscheiding is intermitterend. Uit de L1-larven ontwikkelen zich infectieuze L3-larven. Onder optimale omstandigheden gebeurt dit binnen 5 tot 10 dagen. De snelheid van ontwikkeling binnen de mesthoop is afhankelijk van de buitentemperatuur (zie Feiten over longwormen). Een groot verschil met maagdarmwormlarven is dat de verspreiding van L3-larven ook onder droge omstandigheden kan gebeuren. De schimmel Pilobolus speelt daarbij een belangrijke rol. Deze op de mest levende schimmel 'schiet' sporendragers met daarop longwormlarven af. Op deze wijze kunnen longwormlarven tientallen meters van de mesthoop ver terechtkomen en bij sterk wind nog verder. De besmettelijke L3-larve wordt met het gras opgenomen door grazende runderen, waarna deze door de darmwand dringt. Vervolgens vervelt de larve in een lymfeknoop en gaat via bloed en lymfe naar de longen. In een alveolus breekt de larve door de wand naar het lumen en vervelt voor de laatste keer, in de bronchioli.

Voor het optreden van klinische symptomen is een zekere infectiedosis noodzakelijk. Deze wordt in de regel door jonge dieren (kalveren of jonge melkkoeien) opgebouwd gedurende het weideseizoen. Onder Nederlandse omstandigheden treden klinische symptomen vaak op vanaf augustus. Bij volwassen runderen kunnen jaarlijks herinfecties voorkomen doordat nieuwe vaarzen in het koppel de besmettingsdruk van de weide verhogen. Een groot aanbod van infectieuze larven leidt bij immune dieren tot een overgevoeligheidsreactie (herinfectiesyndroom). Dit syndroom wordt waarschijnlijk gekenmerkt door een reactieve actie van de brochiaalboom op hernieuwd contact van het dier met longworm antigeen en is klinisch niet te onderscheiden van een primaire infectie. Alleen hebben serologie en mestonderzoek bij het herinfectiesyndroom een beperkte diagnostische waarde.

Feiten over longwormen
  • Geïnfecteerde dieren besmetten het perceel tijdens beweiding. Melkkoeien die longwormlarven uitscheiden vertonen niet altijd klinische verschijnselen (dragers). Vooral in het voorjaar komen dragers voor in een perceel, de larvenuitscheiding via de mest is dan altijd laag. Ook pinken kunnen dragers zijn; soms scheiden deze dragers grote aantallen larven uit via de mest.
  • Longwormlarven die via de mest op de wei terechtkomen, ontwikkelen zich bij gunstige omstandigheden binnen een week tot infectieuze larven. Deze infectieuze larven sterven snel weer af. Na 6 tot 7 weken is een perceel weer ‘veilig’ voor beweiding.
  • Overwintering van infectieuze larven op een perceel kan voorkomen, maar is vrijwel niet mogelijk in Nederland.
  • Dieren die zijn geïnfecteerd door longwormlarven scheiden 3 tot 4 weken later larven uit in de mest.
  • Of longwormziekte optreedt bij een rund hangt af van de hoeveelheid opgenomen longwormlarven en de afweer van het rund.
  • De cyclus van longwormen buiten de gastheer is vochten temperatuursafhankelijk en komt bij een temperatuur onder 10°C praktisch tot stilstand. In ons klimaat is de ontwikkeling daarom vooral mogelijk van april tot november. In de wintermaanden sterven longwormlarven af op de weide.

Terug naar het begin van dit artikel

Verschijnselen van longworm


Symptomen

Hoesten, melkproductiedaling en vermagering zijn de belangrijkste symptomen van een longworminfectie. De ernst van het hoesten varieert sterk bij melkveekoppels (ook afhankelijk van de gewenning van de veehouder). Weidegang is noodzakelijk voor het oplopen van een longworminfectie. Longworminfectie komt zeer incidenteel voor bij koeien op een bedrijf met zomerstalvoedering. Het zieke dier vermagert door een verminderde voeropname, verhoogd energieverbruik van het respiratieapparaat en beschadigingen door de migrerende D. viviparus-larven. Sterfte onder zieke dieren komt soms voor. Ze verstikken door een obstructie van de luchtwegen door D. viviparus-wormen ena/of -larven en de ontstekingsreactie in de bronchiën. Secundaire bacteriële infecties met bijvoorbeeld Pasteurellae en Mannheimiae verergeren het ziektebeeld. Deze bacteriële infecties kunnen door het optreden van koorts voor verwarring zorgen bij de dierenarts en veehouder voor wat betreft de primaire oorzaak.

Behandeling van melkkoeien gaat in de regel in eerste instantie gepaard met een herstel van de melkproductie, terwijl de hoestklachten soms meer dan 1 maand kunnen voortduren. Het is goed om dit direct bij behandeling van de dieren tegen de veehouder te zeggen om twijfel over de juistheid van diagnostiek en behandeling in een later stadium weg te nemen.

Terug naar het begin van dit artikel

Diagnose van longworm


Klinische verschijnselen van longworm zijn voldoende voor de waarschijnlijkheidsdiagnose van een longworminfectie. Maar een negatieve laboratoriumuitslag sluit een klinische longworminfectie niet uit. De diagnose ‘longwormbesmetting’ is een koppeldiagnose. Voor het stellen van de definitieve diagnose bij het ontbreken van duidelijke klinische verschijnselen is het nodig materiaal van minimaal vijf verschillende dieren met typische symptomen in te zenden. Het laboratoriumonderzoek voor longworm bestaat uit mest-, hematologisch, serologisch, sputum-, longlavage- of postmortaal onderzoek.

Testmethodieken

Het laboratoriumonderzoek bestaat uit bloedonderzoek (serologie en hematologisch), tankmelkonderzoek, mestonderzoek en aanvullend onderzoek (longlavage en postmortaal onderzoek).
Bloedonderzoek

Serologie
Voor serologisch onderzoek gebruikt de GD een Elisa, gebaseerd op afweerstoffen tegen volwassen wormen. Hierdoor is de test pas 4-6 weken na een primaire infectie positief en kan de serologie bij herinfectie, waarbij de problemen vooral berusten op een reactie op larvale stadia, soms helemaal niet positief worden. De antilichaamtiter blijft tot ongeveer 2-3 maanden in de postpatente periode positief. De aanwezigheid van afweerstoffen na een periode op stal wijst dus altijd op een infectie in dat weideseizoen en kan ook niet het gevolg zijn van een eventueel toegepaste vaccinatie.
Hematologisch onderzoek
Een toename van het aantal eosinofiele granulocyten (20 tot 30% van het totale aantal ontstekingscellen) is een aanwijzing voor een parasitaire infectie. Afhankelijk van het stadium gaat een parasitaire infectie gepaard met een leucocytose of een normaal aantal leucocyten.
Tankmelkonderzoek
Sinds 2011 kunnen melkveehouders via tankmelk laten onderzoeken of een longworm infectie bij hun melkvee voorkomt. Dit tankmelkonderzoek is gebaseerd op dezelfde Elisa die ook voor bloedonderzoek wordt gebruikt. De uitslagen worden als volgt weer gegeven:
  • Geen afweerstoffen aangetoond: er is geen aanwijzing voor een longworminfectie. Indien dit niet overeenkomt met de klinische symptomen moet wellicht het klinisch onderzoek herhaald worden en mogelijk nader onderzoek gedaan worden naar andere oorzaken.
  • Weinig afweerstoffen: een deel van de melkveekoppel heeft een infectie door gemaakt en de infectie op koppelniveau is mogelijk nog in opbouw. Voordat overgegaan wordt tot therapeutisch ingrijpen moet een goede klinische inspectie van het koppel plaatsvinden en moet de verdenking ook gebaseerd zijn op aanwezigheid van klinische symptomen al dan niet aangevuld met individueel bloedonderzoek van vijf individuele dieren (jonge melkkoeien met klachten).
  • Veel afweerstoffen: een groot deel van het melkveekoppel lijkt een longworminfectie te hebben doorgemaakt. Voordat overgegaan wordt tot een therapeutisch ingrijpen wordt geadviseerd om te controleren of de uitslag in overeenstemming is met het voorkomen van klinische symptomen.

Mestonderzoek
Vanaf een drie weken na een (primaire) infectie kunnen longwormlarven via de Bearmann methode microscopisch aangetoond worden in de mest. Omdat de uitscheiding van larven niet helemaal continu is (en in de praktijk is het moment van infectie niet precies aan te geven) wordt geadviseerd de diagnostiek te baseren op 3-5 jonge dieren (vaarzen) met klinische symptomen. Het voorkomen van klachten bij oudere dieren kan ook heel goed gebaseerd zijn op contact met larvale stadia en mestonderzoek kan dan tot een vals negatieve conclusie leiden.

Mestonderzoek is uitvoerbaar op zowel verse mest als gekoeld bewaarde mest (4 tot 8 °C), mits ingezonden binnen 24 uur. Voor de Baermann-test is per dier 30 tot 50 gr verse mest nodig om de aanwezigheid van volwassen vrouwelijke parasieten in het rund aan te tonen.
Stuurt u monsters voor dit onderzoek naar de GD, zorg dan dat de versgenomen monsters zo snel mogelijk op het GD-laboratorium arriveren.

Aanvullend onderzoek
Longlavage
Een longlavage voor parasitologisch onderzoek voert u uit met een fysiologische zoutoplossing. Voor de lavage is een soepele rubberslang met een lengte van minimaal 2 meter, een binnendiameter van 6,0 mm en een buitendiameter van 9,0 mm nodig. Daarnaast heeft u een grote injectiespuit (100 ml) met een conusvormig uiteinde en 100 ml fysiologisch zout nodig. Met een goede fixatie of een lichte sedatie van het dier is een longlavage technisch eenvoudig uitvoerbaar. De rubberslang brengt u in, door de onderste neusgang tot aan het eind van een van de hoofdbronchiën (dus tot na de splitsing naar de twee longhelften, tot de slang niet verder kan). Meet dit vooraf en geef dit met een merkstift aan op de slang. Op het moment dat u de slang in de trachea schuift, staat het dier vaak met de tong uit de mond. Als de slang uiteindelijk op de juiste plaats zit fixeert u de met vloeistof gevulde spuit op de slang, waarna u de steriele vloeistof inspuit in de trachea en de hoofdbronchiën. Aansluitend aan het leegdrukken van de injectiespuit, zuigt u zoveel mogelijk vloeistof terug. De aanwezige vloeistof in de spuit en de achtergebleven vloeistof in de slang is geschikt voor het onderzoek.

Postmortaal onderzoek
In geval van sterfte geeft postmortaal onderzoek van de longen vaak opheldering en/of sluit andere oorzaken uit. Een positief sectieresultaat, bestaande uit volwassen wormen in de bronchiën, kruipgangen (littekenweefsel) of doorsneden van larven, is pathognomisch. 

Terug naar het begin van dit artikel

Preventie van longworm


Behandelen 

In geval van klinische klachten bij jongvee, adviseren we breed spectrum althelmintica. Longwormen zijn over het algemeen goed gevoelig voor de meeste van deze producten. De enige geregistreerde anthelmintica voor melkgevend rundvee zijn eprinomectine en moxidectine, die de veehouder in geval van klinische verschijnselen als pour-on op de rug van de dieren aanbrengt. Deze middelen hebben een residuele werking en daarom is opstallen vaak niet nodig.
Omdat besmette weiden in de zomer zes à zeven weken lang infectieuze larven bevatten, geeft u de veehouder bij iedere behandeling ook een beweidingsadvies. In gevallen waarbij geen schone weide beschikbaar is, is het zinvol om de dieren op te stallen tot er wel een veilig perceel beschikbaar is. Bij gebruik van middelen die een residuele werking hebben, is opstallen niet nodig (hoogstens om klinische redenen). Bespreek met de veehouder de preventie voor het volgende weideseizoen.

Voor een efficiënte wormbestrijding is de wormsleutel van GD en de Faculteit Diergeneeskunde een handig hulpmiddel. Vul de wormsleutel online in of klik hier voor de pdf.

Vaccinatie

Vaccinatie van het jongvee vóór het eerste weideseizoen is een goede mogelijkheid. Als de kalveren in het eerste levensjaar geen weidegang krijgen, vaccineer dan de pinken. De immuniteit door vaccinatie is niet blijvend. Daarom is een herbesmetting met D. viviparuslarven nodig voor de ontwikkeling van een voldoende hoge en langdurige immuniteit. Op bedrijven of weides waar alleen maar jongvee aanwezig is, is de kans groot dat geen dragerdieren aanwezig zijn. Een herbesmetting door weidegang (na vaccinatie tegen longworm) zal in die gevallen vaak dus niet plaatsvinden, waardoor geen optimale weerstand ontstaat.

Terug naar het begin van dit artikel

Oude browser

We zien dat u gebruik maakt van een verouderde browser. Niet alle onderdelen van de website zullen daardoor goed functioneren. Download nu de laatste versie van uw browser om veilig te kunnen surfen.

GD maakt gebruik van cookies om onze website te analyseren en de functionaliteit te verbeteren. Meer info vind je in ons cookiebeleid.