Zoomfunctie

Moeite met het lezen van de tekst? Vrijwel alle populaire browsers geven u controle over hoe groot websites worden weergegeven.
  • Windows
    Mac OS
  • Zoom in
  • Zoom uit
  • Zoom 100%
  • Muiswiel op / neer
Samen werken aan diergezondheid
Volg ons op...
rundvee

Biest: de basis voor een gezonde opfok

Tijdige en voldoende opname van goede biest is essentieel voor de afweer van het pasgeboren kalf. Het kalf wordt namelijk geboren zonder antistoffen en tijdens de eerste levensweken werkt het eigen immuunsysteem onvoldoende om infecties van darmen of longen effectief te bestrijden. Daarnaast bevat biest energie, mineralen en vitaminen.

Een goed biestmanagement begint al in de droogstand. Een goed droogstandsrantsoen heeft voldoende mineralen, spoorelementen en vitaminen, en niet te veel energie. Een kalf heeft bij geboorte bijvoorbeeld nauwelijks vitamine E, daarvoor is het vooral afhankelijk van opname via de biest. Het vitamine E-gehalte van de biest wordt bepaald door het droogstandsrantsoen.

Samenstelling biest

Biest bevat veel voedingsstoffen, zoals hoge concentraties antistoffen (IgG), energie, eiwit, mineralen, vitaminen en stoffen die een positieve invloed hebben op de ontwikkeling van de dunne darm. Goede biest bevat ten minste 50 gram IgG per liter, en het streven is dat het kalf de eerste levensdag ten minste 250 gram IgG opneemt. Dit is erg belangrijk voor de weerstand. De eerste biest bevat de hoogste IgG-concentratie, bij de tweede biest is deze concentratie al gehalveerd.

Biest melken en verstrekken

Tijdens de eerste levensuren kan het kalf de antistoffen uit de biest goed opnemen vanuit de darm naar de bloedbaan. Vanaf het vierde levensuur daalt deze opnamemogelijkheid sterk en na 24 uur is de darm geheel gesloten voor opname van antistoffen in het bloed (zie figuur). Daarna is het geven van biest nog wel zinvol, maar werken de antistoffen alleen nog op darmniveau, oftewel binnen de darm.

Biestadviezen op een rij:

  • Scheidt het kalf direct na geboorte van de koe;
  • Melk de koe geheel uit;
  • Geef het kalf meteen 2 tot 2,5 liter biest met een speenemmer of fles met speen;
  • Geef na zes tot acht uur nog 1,5 tot 2 liter eerste biest, zodat het kalf dan in totaal ten minste 4 liter eerste biest heeft gehad (bij voorkeur 5 liter);
  • Geef als de derde voeding op de eerste levensdag nogmaals 1,5 liter eerste biest, zodat het kalf op de eerste levensdag in totaal 5 à 6 liter eerste biest heeft gehad;
  • Het beste is om alleen biest van de eigen koe te geven. Is deze biest van onvoldoende kwaliteit, of geeft de koe te weinig biest, geef dan biest van een andere koe. Het is dus handig altijd een voorraadje goede biest in de diepvries te hebben. 
  • Geef op de tweede dag driemaal daags 1,5 liter tweededaagsbiest van de eigen koe.
  • Voeding met een sonde

    Als een kalf niet wil drinken, kan de biest de eerste keer met een sonde verstrekt worden. Hier prevaleert het belang van het krijgen van afweer boven de stress van de ingreep. Bij een normaal lichaamsgewicht is 4 liter eerste biest gewenst. Omdat een deel van deze biest dan pas drie uur later vanuit de pens in de lebmaag komt en daarna pas naar de darm gaat, moet het kalf de eerste biest meteen na geboorte krijgen. Na de eerste voeding met de sonde kan bij de volgende voedingen een speen of speenemmer worden gebruikt (afhankelijk van het voersysteem dat daarna wordt gebruikt).

    Kiemgetal

    De kwaliteit van de biest is ook afhankelijk van de hoogte van het kiemgetal. Hygiënisch melken is erg belangrijk en biest die niet direct aan het kalf wordt gegeven, dient in de koelkast te worden bewaard. Uit praktijkonderzoek blijkt dat een behoorlijk deel van de biest te hoge kiemgetallen bevat. Deze kiemen zijn in de darm van het kalf zeer ongewenst: ze zorgen voor remming van de opname van antistoffen.

    Biest bewaren

    Biest kan een jaar bij -21 graden Celsius bewaard worden. Bij het opwarmen van de biest is het belangrijk dat dit langzaam gebeurt, en niet in een magnetron of dompelaar die biest snel verhit. Boven een temperatuur van 60 graden worden antistoffen onwerkzaam. Soms wordt de vraag gesteld of het kalf voor een voldoende biestopname ook bij de koe kan blijven kort na de geboorte. Het is beter van niet, omdat de biestopname per kalf dan behoorlijk wisselt en een deel van de kalveren zal pas voldoende biest gaan drinken als de darm al geheel of gedeeltelijk gesloten is voor opname van antistoffen. Daarnaast is er een groter risico dat mestoverdraagbare ziektekiemen worden ingeslikt door het pasgeboren kalf.

    Biestkwaliteit meten

    Het is niet mogelijk om op basis van de hoeveelheid eerste biest (aantal liters) die de koe of vaars heeft gegeven of op basis van andere uitwendige criteria van de biest (kleur, dikte) een betrouwbare schatting te maken van de hoeveelheid antistoffen in de biest. Dit kan wel bepaald worden door biestmeters (op basis van soortgelijk gewicht) of refractometers. Een biestmeter is alleen betrouwbaar bij biest van ongeveer 20 graden Celsius, een refractometer bij elke temperatuur. Let op: biestmeters geven inzicht in de biestkwaliteit, maar niet in de hoeveelheid antistoffen die het kalf daadwerkelijk zal opnemen.

    Biestopname kalf meten

    Met bloedonderzoek op IgG (Biestopnamecheck) is na te gaan hoeveel antistoffen het kalf heeft opgenomen uit de biest. Het onderzoek geeft inzicht of het kalf tijdig voldoende biest van een goede kwaliteit heeft opgenomen. Per koppel kalveren wordt een steekproef van vijf kalveren in de leeftijd van twee tot vijf dagen geadviseerd. Meer informatie
    Focus op

    Biest

    “Biest is als vloeibaar goud”, aldus GD-dierenarts Debora Smits. In deze video vertelt zij over de kracht van biest en het belang van een goedbiestmanagement voor een optimale jongveeopfok.

    Meer over biest