Zoomfunctie

Moeite met het lezen van de tekst? Vrijwel alle populaire browsers geven u controle over hoe groot websites worden weergegeven.
  • Windows
    Mac OS
  • Zoom in
  • Zoom uit
  • Zoom 100%
  • Muiswiel op / neer
Samen werken aan diergezondheid
Volg ons op...

​Bij honden en katten die verdacht worden van maligne lymfoom levert het aanbieden van een chirurgisch verwijderde lymfeknoop voor histopathologisch onderzoek meer informatie op over het subtype van de tumor dan een dunne naald aspiratiebiopt. Het kunnen subtyperen van dergelijke lymfomen levert op lange termijn bovendien een waardevolle bijdrage aan het epidemiologische onderzoek.

Volgens de WHO  zijn er bij gezelschapsdieren 36 lymfoom subtypes te onderscheiden met histologisch en immuunhistochemisch onderzoek. GD probeert dan ook niet meer alleen de generieke diagnose maligne lymfoom te stellen, maar ook uitsluitsel te geven over het subtype. Het maligne lymfoom blijkt een vergaarbak van een grote diversiteit aan lymfoïde tumoren te zijn, vergelijkbaar met de diversiteit aan lymfoom subtypes bij de mens. De verschillende subtypes kennen bij de mens een grote variatie in biologisch gedrag en in therapeutische respons. Inmiddels is wel bekend dat de verschillende lymfomen ook bij gezelschapsdieren een variatie vertonen in biologisch gedrag, respons op therapie en dus in overlevingstijd. Kennis van de variatie in het gedrag van de verschillende lymfomen is niet alleen nodig voor de behandelstrategie, maar geeft ook aanknopingspunten voor een gefundeerd gesprek met de eigenaar van het dier.

Steeds meer kennis

Subtypering van maligne lymfomen is goed mogelijk met een combinatie van histologisch en immuunhistochemisch onderzoek. Dit staat in contrast met de dagelijkse diagnostische realiteit. De Nederlandse dierenarts kiest vrijwel steeds voor het afnemen van een 'dunne naald aspiratiebiopt', bij vermoeden van een maligne lymfoom. Hoewel het cytologisch onderzoek van dunne naald aspiratiebiopten een goede methode is om de diagnose maligne lymfoom te stellen, is het met deze methode minder goed mogelijk een lymfoom te subtyperen dan met histologisch onderzoek. Omdat toch vaak wordt gekozen voor dunne naald aspiratiebiopten, zijn door GD inmiddels nieuwe kleuringprotocollen ontwikkeld om in ieder geval een T-cel lymfoom van een B-cel lymfoom te kunnen onderscheiden op uitstrijkjes van dunne naald aspiratiebiopten. Dit onderscheid is belangrijk omdat het enerzijds deels de therapiekeuze bepaalt en anderzijds enig inzicht geeft in de prognose en overlevingstermijn van het dier. T-cel lymfomen laten bijvoorbeeld een agressiever klinisch verloop zien. De verwachting is dat de kennis over lymfoom subtypes bij gezelschapsdieren en hun klinisch-pathologische correlaties in de komende jaren zal toenemen. Een goede subtypering van de lymfoïde tumoren door pathologisch onderzoek zal daaraan bijdragen.