Zoomfunctie

Moeite met het lezen van de tekst? Vrijwel alle populaire browsers geven u controle over hoe groot websites worden weergegeven.
  • Windows
    Mac OS
  • Zoom in
  • Zoom uit
  • Zoom 100%
  • Muiswiel op / neer
Samen werken aan diergezondheid
Volg ons op...

Mondholte tumoren

Gezelschapsdieren

​Orale tumoren vormen een niet te onderschatten deel van het totale aantal tumoren bij de hond en kat; maligne orale tumoren vormen ongeveer 6% van alle tumoren bij de hond en 7% van alle tumoren bij de kat. Omdat de mondholte door de eigenaar vaak lastig te onderzoeken is, worden laesies daar vaak pas laat ontdekt, wat nadelig is voor de behandeling en de prognose.

Bij de kat is volgens de literatuur bijna 90% van de orale neoplasieën maligne, waarbij het plaveiselcelcarcinoom het meeste voorkomt (ca. 61%). Bij de hond is het merendeel van de tumoren in de mondholte benigne. De meest voorkomende kwaadaardige orale tumor bij de hond is het maligne melanoom. In de literatuur wordt aan o.a. de Boxer, Cocker Spaniël, Weimaraner, Golden Retriever en de Duitse Staander een hogere prevalentie van maligne orale tumoren toegeschreven. Bij maligne orale tumoren is er vaak sprake van een snelle progressie; de hoge doorbloeding van het mondholtestroma kan hierbij een rol spelen.

Indeling

Tumoren van de mondholte worden van oudsher ingedeeld in niet-odontogene en odontogene tumoren. Deze indeling loopt enigszins parallel met de maligniteit; het merendeel van de zeer maligne (metastaserende) tumoren zit in de groep niet-odontogene tumoren en in de groep odontogene tumoren zijn vrij veel tumoren met een goedaardig karakter aanwezig. In verband met het klinisch verloop lijkt een indeling wenselijk waarin de tumor naar biologisch gedrag wordt ingedeeld. Zo bestaan er namelijk mondholtetumoren (zoals het acanthomateus ameloblastoom) die vanwege hun metastatisch karakter als benigne worden ingedeeld, maar die zich lokaal zeer agressief en infiltratief gedragen.

Diagnose

Het merendeel van de orale tumoren lijkt macroscopisch sterk op elkaar waardoor een klinische diagnose vrijwel niet mogelijk is. Cytologie is niet aan te bevelen als men twijfelt of een oraal proces neoplastisch van aard is. Het stroma van de mondholte is zeer collageenrijk en celarm, waardoor de celopbrengst vaak minimaal of niet representatief blijkt te zijn. Bovendien zijn het epitheel van de mondholte en de aanwezige fibroblastaire cellen vaak sterk geactiveerd, waardoor de kans op overdiagnose toeneemt. Omgekeerd zijn tumoren vaak geulcereerd en secundair ontstoken, waarbij ten onrechte een ontstekingsproces gediagnosticeerd kan worden. Histologie, indien noodzakelijk aangevuld met immunohistochemie, is de enige betrouwbare methode voor de diagnostiek van tumoren in de mondholte. Voor een optimale uitslag is hierbij een goede anamnese en representatieve, niet te oppervlakkige bioptering belangrijk.