Zoomfunctie

Moeite met het lezen van de tekst? Vrijwel alle populaire browsers geven u controle over hoe groot websites worden weergegeven.
  • Windows
    Mac OS
  • Zoom in
  • Zoom uit
  • Zoom 100%
  • Muiswiel op / neer
Samen werken aan diergezondheid
Volg ons op...
De leverbot is een parasiet die voorkomt bij herkauwers zoals runderen, schapen en geiten maar ook bij paarden, hazen, reeën. En soms ook bij de mens. De leverbot die in ons land het meest voorkomt heeft de naam Fasciola hepatica. Daarnaast komt soms de kleine leverbot voor, met de naam Dicrocoelium dendriticum. De leverbot Fasciola hepatica leeft als volwassen parasiet (platworm van 2 à 4 centimeter) in de galgangen van de lever van de gastheer. De volwassen leverbot produceert veel eieren die via de gal met de mest worden uitgescheiden. Voor de verdere ontwikkeling is de tussengastheer de leverbotslak Galba truncatula nodig. Leverbotziekte kan dan ook alleen daar voorkomen waar deze tussengastheer voorkomt. De leverbot doorloopt verschillende ontwikkelingsstadia, de zogenaamde leverbotcyclus. In principe is de cyclus voor alle diersoorten hetzelfde.
leverbot.pngFacebook-layouts-blog-post.jpg


Figuur 1: Cyclus van de leverbot.
 

De leverbotcyclus bestaat uit zes fases:

  1. De met leverbot geïnfecteerde gastheer (bijvoorbeeld rund, schaap) scheidt via de mest van de gastheer leverbot eieren uit op het land.
  2. Uit het leverbotei komt een trilhaarlarve (miracidium).
  3. De trilhaarlarve gaat op zoek naar een leverbotslak (Galba truncatula).
  4. De leverbotslak neemt de trilhaarlarve op. De slak wordt geïnfecteerd en in de slak vindt vermeerdering plaats. Uit één trilhaarlarve ontstaan 150 tot 200 staartlarven (cercariën).
  5. Bij vochtige omstandigheden verlaten de staartlarven de slak (shedding). De staartlarven gaan zwemmend op zoek naar grassprieten. De staartlarven zetten zich af op het gras, verliezen hun staart en kapselen zich in tot besmettelijke cysten (metacercariën).
  6. De gastheer neemt de besmettelijke cysten op via het gras. Na inname van besmettelijke cysten met het gras ontwikkelen zich zeer kleine botjes die door de darmwand via de buikholte op zoek gaan naar de lever. In de lever wordt de leverbot infectie volwassen. Ongeveer tien tot twaalf weken na de infectie zullen de volwassen leverbotten eieren gaan leggen. Een volwassen leverbot legt ongeveer 4.000 tot 7.000 eieren per dag.

Verschijnselen acute versus chronische leverbotbesmetting

De leverbotbesmetting kan in principe in een acute en een chronische vorm optreden. Acute leverbot wordt vooral waargenomen bij schapen en geiten en uit zich door een trektocht van duizenden jonge leverbotjes door de lever, waardoor de gastheer sterft door verbloeding. Vooral schapen en geiten die op zwaar besmet weiland hebben gelopen zijn zeer gevoelig en kunnen zes tot acht weken na besmetting zonder uiterlijke verschijnselen plotseling sterven door acute leverbot.
Chronische leverbot is de meest voorkomende vorm bij runderen en schapen. Bij runderen is de ziekte vaak sluimerend aanwezig (zonder duidelijke ziekteverschijnselen). In ernstige leverbotjaren zijn een verlaagde melkproductie, een slechte groei (van het jongvee), een verminderde weerstand, verminderde vruchtbaarheid en te vroeg afkalven de belangrijkste klachten bij het rund.
Bij schapen en geiten veroorzaakt de volwassen leverbot irritatie en ontsteking van het leverweefsel. Groeistilstand, gewichtsverlies en bloedarmoede zijn het gevolg. De slijmvliezen van schapen en geiten zijn bleek en bij ernstige infecties soms geel van kleur. Tussen de kaaktakken kan oedeem voorkomen. De vacht is vaak dor en droog en in de buikholte kan veel vocht voorkomen. Drachtige dieren kunnen verwerpen en bij een ernstige besmetting met volwassen botten kunnen de dieren aan de gevolgen sterven door chronische leverbot.

Schade

De gevolgen van een zware leverbotbesmetting kunnen bij schapen en geiten zeer ernstig zijn. In ernstige leverbotjaren sterven er vaak meer dan duizend schapen per jaar aan acute of chronische leverbot. Bij rundvee bestaat de schade vooral uit melkderving, mindere vruchtbaarheid en slechte groei bij het jongvee.

Groeiende resistentie van de leverbot voor triclabendazol is een punt van zorg

Het eerste Nederlandse geval van resistentie van leverbot voor triclabendazol werd in 1998 op een bedrijf in de regio van Amsterdam vastgesteld. De resistentie kwam voor bij zowel rundvee als schapen. In de jaren daarna kwamen er uit die regio steeds meer berichten binnen met triclabendazol resistentie. Deze resistentie was vooral zichtbaar bij schapen, omdat die gevoeliger zijn voor een leverbotinfectie en er bij deze diersoort sneller sterfte optreedt. In dit gebied is het heel lastig om nog schapen te houden. Er is namelijk geen ander leverbotmiddel dat ook de jonge leverbotstadia bestrijdt. De jaren na 1998 is het aantal bedrijven met leverbotresistentie voor triclabendazol gestaag gestegen. De situatie tot na de winter van 2014/2015 staat vermeld in onderstaande Figuur.
kaartje.jpg
Figuur 2: Overzicht van leverbotresistentie voor triclabendazol in Nederland op via de GD gecontroleerde bedrijven.

De uitbreiding van resistentie voor triclabendazol baart de nodige zorgen. In de gebieden met het grootste risico op leverbotziekte het zeer lastig is om met de huidige geregistreerde leverbotmiddelen de leverbotziekte goed te bestrijden. Dit zorgt voor extra schade door sterfte, vermageren en vruchtbaarheidsproblemen. Dit zorgt ervoor dat er steeds meer belang ligt bij het voorkomen van infecties. Hierbij spelen kartering (in kaart brengen van het voorkomen van de leverbotslak) en het mijden van deze gebieden in risicoperioden een essentiële rol. Ook op bedrijven waar nog geen sprake is van leverbotresistentie is voor triclabendazol zijn deze managementmaatregelen belangrijk zodat behandelingen voor leverbotziekte kunnen worden beperkt of zelfs voorkomen. de manier om de ontwikkeling van de leverbotresistentie te vertragen.