Zoomfunctie

Moeite met het lezen van de tekst? Vrijwel alle populaire browsers geven u controle over hoe groot websites worden weergegeven.
  • Windows
    Mac OS
  • Zoom in
  • Zoom uit
  • Zoom 100%
  • Muiswiel op / neer
Samen werken aan diergezondheid
Volg ons op...

Bovine Virus Diarree (BVD) is een wereldwijd veel voorkomende infectie onder rundvee en het BVD-virus kan op rundveebedrijven grote economische schade veroorzaken. Anno 2017 komt BVD nog voor op ongeveer 10-20 procent van de Nederlandse bedrijven. De bestrijding van BVD is in 1998 van start gegaan met een vrijwillig programma BVD-vrij Certificering. Doel van het programma is het elimineren van het BVD-virus door het opsporen en afvoeren van dieren die het BVD-virus permanent bij zich dragen (dragers). Naast het programma BVD-vrij Certificering biedt GD verschillende programma’s en onderzoeken aan, waarmee de BVD-situatie in kaart kan worden gebracht en bewaakt. 

Het virus

Het virus dat BVD veroorzaakt, behoort tot de familie Flaviviridae en het genus Pestivirus. Het Border Disease Virus, dat bij schapen voorkomt, en het Klassieke Varkenspestvirus behoren eveneens tot het genus der Pestivirussen. Het BVD-virus (BVDV) wordt op basis van genetische verschillen opgesplitst in 2 typen: BVDV-1 en BVDV-2. Deze 2 types zijn weer onder te verdelen in verschillende subtypes. In Nederland is BVDV-type 1 het meest voorkomende type.

Besmettingsroute

BVD-virus kan op vele verschillende manieren worden binnengebracht op een bedrijf (zie onder ‘risicofactoren’). Als het virus op een bedrijf wordt geïntroduceerd waar dieren worden gehuisvest die nog niet eerder in contact zijn geweest met BVDV, dan zullen deze dieren de infectie doormaken en gaan vervolgens afweerstoffen aanmaken. Dit noemen we een transïente infectie. Als een drachtig dier wordt besmet met BVDV gedurende de eerste 4 maanden van de dracht, dan wordt het kalf geboren als BVD-drager (zie onder voor verdere uitleg). BVD-virusdragers zijn de voornaamste bron van verspreiding van BVD-virus binnen de rundveepopulatie, omdat zij levenslang en continu grote hoeveelheden virus uitscheiden. BVD-dragers worden ook wel persistent geïnfecteerde dieren (PI) genoemd.

BVD-infectie

Als het BVD-virus op een bedrijf binnenkomt kan een dier worden geïnfecteerd door opname van het virus met de mond of via de neus. Na opname gaat het virus zich vermeerderen in verschillende organen in het lichaam. Ongeveer 3 dagen na de infectie gaat het dier, gedurende een korte tijd, BVD-virus uitscheiden totdat de BVD-infectie door het dier is overwonnen en er antistoffen zijn aangemaakt. Het aanmaken van antistoffen door een dier duurt ongeveer 2 tot 3 weken.
Afhankelijk van de ernst van het BVDV-type, kunnen de verschijnselen variëren van mild tot ernstig. Bij een (transïente) infectie worden altijd de witte bloedcellen geïnfecteerd door het BVD-virus. Het BVD-virus heeft een negatief effect op de witte bloedcellen, waardoor de weerstand van het dier daalt en het dier vatbaar wordt voor andere (neven)infecties. Daarom is er vaak sprake van ‘vage’ klachten bij een BVD-uitbraak, doordat er bijvoorbeeld meer dieren worden gezien met mastitis en luchtwegproblemen.   

Hoe ontstaat een drager?

Tijdens een infectie met BVD wordt de baarmoeder makkelijk geïnfecteerd. Afhankelijk van de drachtlengte resulteert een BVD-infectie in (zie schema onder): 
  • vroeg embryonale sterfte
  • abortus 
  • kalveren met aangeboren afwijkingen
  • geboorte van een BVD-drager kalf 
  • geboorte van een gezond kalf
Indien een infectie van de vrucht in de baarmoeder plaatsvindt tussen dag 30 en 125 van de dracht, dan worden virusdeeltjes door de vrucht gezien als lichaamseigen. De oorzaak hiervoor is dat het immuunsysteem van de vrucht pas na 125 dagen in de dracht goed is aangelegd en functioneel is. Een infectie tussen dag 30 en 125 van de dracht resulteert dan ook in de geboorte van een BVD-drager. Deze BVD-dragers kunnen ogenschijnlijk gezond ter wereld komen, echter zullen levenslang grote hoeveelheden virus uitscheiden. Van de dragers die geboren worden sterft vijftig procent binnen het eerste levensjaar. Negentig procent van de dragers sterft vóór het tweede levensjaar. Mocht een BVD drager toch ouder worden en zorgen voor nakomelingen, dan zullen dit ook altijd BVD-dragers zijn. Het is daarom te adviseren om moederdieren van BVD-dragers te onderzoeken op BVD-virus. Binnen de Nederlandse rundveepopulatie is naar verwachting één procent van de runderen, op niet BVD-vrije bedrijven, een BVD-drager.

Infectie tijdens de dracht

 infec. tijd. de dracht.PNG
Vindt een BVD-infectie plaats bij een drachtig dier dat geen antistoffen tegen BVD heeft, dan kan dit leiden tot:
  1. Afsterven van de vrucht, gevolgd resorptie van de vrucht of verwerpen. Dit kan gedurende de hele dracht optreden.
  2. Vroeg embryonale sterfte tot dag 45 na conceptie, dit wordt vaak niet opgemerkt.
  3. De geboorte van een dragerkalf. Dit gebeurt als de vrucht tussen dag 30 en 125 van de dracht geïnfecteerd wordt. Omdat infectie plaatsvindt op het moment dat het immuunapparaat van het kalf nog niet is ontwikkeld, wordt het BVD-virus als lichaamseigen beschouwd. Het kalf zal dan ook geen antistoffen produceren. 
  4. Geboorte van kalveren met waarneembare afwijkingen zoals oog-, vacht- en hersenafwijkingen. Deze dieren worden meestal besmet tussen dag 100 en 150 van de dracht.
  5. Geboorte van kalveren met antistoffen. Bij infectie tijdens de laatste drie maanden van de dacht is het afweerapparaat zodanig ontwikkeld, dat het kalf een BVD-infectie kan elimineren en antistoffen vormt. Abortus en geboorte van afwijkende of kleine zwakke kalveren is echter nog steeds mogelijk.

Nederlandse situatie

Uit de zogenaamde specifieke monitoring 2015, die GD tweejaarlijks uitvoert als onderdeel van de diergezondheidsmonitoring, blijkt dat de prevalentie van BVD daalt. Het onderzoek naar BVD op melkveebedrijven bestaat hierbij uit bloedonderzoek bij jongvee en tankmelkonderzoek. Hieruit komt naar voren dat op circa 9% van de melkveebedrijven een indicatie is voor BVD-viruscirculatie. Bij de vorige meting in 2013 lag dit percentage op 14% en in 2011 op 13%. Uit het BVD-tankmelkonderzoek, op tankmelk afkomstig van niet BVD-vrije bedrijven, blijkt dat op 62% van de bedrijven BVD-antistoffen worden aangetoond. Dit ligt een stuk lager dan in 2013 (72%). Op niet-melkleverende bedrijven is voor de monitoring bloedonderzoek uitgevoerd bij jongvee. Hieruit blijkt dat er voor de gehele niet-melkleverende sector een indicatie voor BVD-viruscirculatie is op 14,5% van de bedrijven (kleinschalige bedrijven 11,4%, jongvee-opfokbedrijven 16,9% en zoogkoebedrijven 17,1%).